5 juni 2026
Wandelende smartphones
Ik prijs me gezegend. Ik ben al dermate oud dat ik het beslist niet meer zal meemaken dat mijn zodanig intelligent geworden smartphone laat weten dat ik dringend met hem moet gaan wandelen, geadapteerd zoals hij is door al zijn voorgangers die hun leven doorbrachten in de hand van hun steeds bewegende eigenaar. Omdat hij dus vindt dat hij daar recht op heeft. Hij roept bovendien dat hij foto's wil maken. Als geen ander bekijkt hij immers het leven via een scherm. Mijn fantasie slaat hier even op hol, maar misschien ook niet, wetende wat er nu reeds mogelijk is.
Ik breng veel tijd door op straat en observeer dan ongewild mijn lezende medemens. Neen, niet de lezers van boeken. Zou men mij raar bekijken mocht ik een roman lezen terwijl ik naar de bakker stap? Niet die lezers dus, maar degenen die in de openbare ruimte bijna onafgebroken hun ogen richten op hun telefoon. Zo werd mijn aandacht onlangs gegrepen door een jong koppel dat weliswaar samen aan het wandelen was, maar ondertussen elk apart vooral connectie hadden met het kleine scherm in plaats van met elkaar. Was de relatie al wat aan sleur onderhevig? Het zou natuurlijk ook kunnen dat ze via de telefoon met elkaar aan het chatten waren, ik probeer optimistisch te blijven. Erger is wanneer ouders met hun kinderen aan het wandelen zijn en die kinderen erbij lopen voor Piet Snot, want mama of papa richten hun blik op hun telefoon. Mijn aandacht viel zo eens op twee prachtig uitgedoste kleine meisjes. Dat was onvermijdelijk, hun kleurrijke kleedjes sprongen immers al van ver in het oog, ze hadden duidelijk een moeder met een hoger dan gemiddelde smaak voor mooie kledij. De twee vochten echter tevergeefs voor de aandacht van hun moeder, zij was in gesprek met haar telefoon. Hoe voelen die kinderen zich dan, vraag ik me af? Hoe interpreteren ze dat in hun opgroeiende brein? Wat voelen ze wanneer hun ouders voorrang geven aan de smartphone, erdoor ingepalmd zijn en de vraag van hun eigen kinderen niet horen? Ik zou dan eens in die kleine hoofdjes willen kruipen om te weten welke gedachten er zich daar ontspinnen.
Daarom is het raar dat men in een aantal landen een leeftijdslimiet oplegt voor kinderen wat betreft sociale media. Zou men dat ook niet moeten doen voor hun ouders? Verboden te gebruiken in het bijzijn van je kinderen! Hoe zou het komen dat meer en meer kinderen depressieve kenmerken vertonen of zich niet geborgen voelen? En als het op straat opvalt, hoe is het dan thuis, binnen de muren? Ongetwijfeld verdwijnt ook daar de voortdurend aandacht opeisende telefoon niet in de kast, net zoals hij op straat veelal niet in de broekzak of handtas zit. Een golf van medelijden overvalt me telkens wanneer ik het zie. Ik zou dan uit de wagen willen springen, de kinderen aan de hand nemen en vertellen over alles wat er te zien valt. Of je nu wandelt in de stad of in de natuur, er valt altijd wat te beleven, er is altijd wel iets dat in het aandachtige oog springt. Een vogeltje, een mooie gevel, wolken waarin figuren te ontdekken vallen. Misschien kunnen de kinderen en ik dan gewoon en passant goeiedag zeggen, misschien kijkt die dan zelf eens op van zijn of haar eigen telefoon? Zo triest om gebiologeerd te zijn door een scherm en de wereld rondom niet te ervaren. Nog spijtiger wanneer er jonge kinderen in het spel zijn. Verdienen die niet de onvoorwaardelijke aandacht van hun ouders, eerder dan die vermaledijde telefoon?
Zoveel als mogelijk negeer ik de telefoon, uren laat ik hem sudderen in de schuif, of zit hij onafgebroken in de handtas. Omdat ik niet ingepalmd wil worden, zodat er tijd overblijft voor wat anders of iemand anders. De aandacht op zichzelf vestigen, het is iets wat mijn smartphone (nog) niet kan. Gelukkig. Hij kan nog niet roepen dat hij wil wandelen, bewegen of zelf foto's maken. Maar indien die fantasie werkelijkheid wordt, dan zal ik hem onverbiddelijk het zwijgen opleggen. Ik prijs me gezegend, ik ben dermate oud dat ik dat niet meer zal meemaken. Of dat denk ik toch, het gaat immers allemaal zo snel. Wandelen doe ik zonder, sedert die keer dat ik besefte dat het communicatiemiddel mijn aandacht opeiste en ik niet zag wat er voor moois te zien was rondom mij. Ik had dat vogeltje niet gezien, die wolk niet opgemerkt. Al beken ik dat ik het evengoed spijtig vond dat ik die foto niet kon maken op het moment dat de ondergaande zon zo prachtig door de bomen scheen. 'Zie je wel, je had me moeten meenemen', ik hoor het de toekomstige super-artificieel-intelligente smartphone al denken.