Kwintessens
-
Geschreven door Alain Vannieuwenburg
  • 80 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

15 juli 2026 Advies Raad van State werpt juridische hindernissen op voor hervorming levensbeschouwelijk onderwijs
De specificiteit van het levensbeschouwelijk onderricht en de autonomie van de bevoegde levensbeschouwelijke instanties worden geborgen door artikel 9 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).
Op 27 mei 2026 publiceerde de Raad van State (RvS) advies 79.132/1 over het voorontwerp van decreet dat de organisatie van levensbeschouwelijke vakken in het Vlaamse leerplichtonderwijs wil flexibiliseren. Het advies heeft enkel betrekking op het voorontwerp van decreet tot wijziging van diverse onderwijsdecreten. 
Het ontwerp van decreet met betrekking tot de splitsingsnormen en de berekening van de opdracht zelf van de leerkracht via invoering van graadklassen, wordt door de RvS eveneens getoetst. De RvS laat er evenwel weinig twijfel over bestaan dat ook hier problemen zullen opduiken.
_Advies 79.132/1
Advies 79.132/1 focust op de vraag in welke mate het invoeren van een visumregeling, het groeperen van de lestijden en lesuren levensbeschouwelijk onderricht en de aanwending van lestijden, uren-leraar en lesuren van een cursus of les levensbeschouwelijk onderricht voor een andere cursus of les levensbeschouwelijk onderricht wettelijk, voldoende gegrond en proportioneel is in functie tot het doel. 
In het algemeen stelt de RvS dat, zelfs als elke maatregel afzonderlijk een legitiem doel nastreeft en voortvloeit uit een dringende maatschappelijke nood, wat overigens 'twijfelachtig’ wordt genoemd, de combinatie ervan als onevenredig moet worden beschouwd, omdat zij samen op buitensporige wijze de door de godsdienstvrijheid gewaarborgde organisatorische zelfstandigheid van de betrokken erediensten en levensbeschouwelijke gemeenschappen die door de bevoegde instantie worden vertegenwoordigd, aantasten. 
Het advies geeft de levensbeschouwelijke instanties dan ook een aantal sterke juridische houvastpunten voor de toekomst. De RvS oordeelt dat niet enkel de eigenheid van het levensbeschouwelijk onderricht in het gedrang komt maar, en dit is belangrijk, dat de organisatorische autonomie van de terzake bevoegde instanties gerespecteerd moet worden.
_Verankering
Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hier meer bepaald artikel 9) en de Belgische Grondwet (hier de artikelen 19 en 21), beschermen niet alleen het recht om te geloven/niet te geloven, maar ook de vrijheid van religieuze gemeenschappen om hun onderwijs zelf te organiseren. 
De beperkingsvoorwaarden vloeien voort uit artikel 9 lid 2 EVRM en worden door het EHRM streng getoetst. Er zijn drie cumulatieve vereisten – alle drie moeten vervuld zijn, anders is de beperking ongeoorloofd.
Artikel 9 EVRM stelt onder meer dat eenieder recht heeft op de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en dat dit moet worden gezien als een van de meest fundamentele rechten in de Europese mensenrechtenbescherming. Samengevat beschermt dit artikel de interne vrijheid (forum internum), zijnde het recht om te geloven wat men wil (de overheid kan dit nooit inperken), en de externe vrijheid (forum externum), zijnde het recht om je levensbeschouwing en/of je geloof te uiten en te beoefenen (kan enkel worden ingeperkt onder strikte voorwaarden).
De overheid kan alleen tussenkomen als aan welbepaalde voorwaarden wordt voldaan: een wettige doelstelling, een concrete maatschappelijke noodzaak en een evenredige, dat wil zeggen proportioneel verantwoorde maatregel. Op elk van die drie punten schiet alvast dit Vlaams voorontwerp tekort. De conclusie in het licht van artikel 9 EVRM is daarom vernietigend: de Vlaamse overheid wil ingrijpen in de organisatorische autonomie van erkende levensbeschouwelijke gemeenschappen, maar slaagt er niet in dat voldoende te verantwoorden, correct te onderbouwen en waar ze maatregelen invoert doet ze dat op disproportionele wijze. 
Artikel 21 GW sluit bovendien staatsinterventie in de interne organisatie van erediensten uit. Hier geldt in principe géén beperkingsbevoegdheid voor de overheid, wat strenger is dan het EVRM-regime.
_Het visum als bewijs van geschiktheid is een belangrijke ingreep
Vandaag dragen erkende instanties zelf leerkrachten voor; het decreet vervangt dat door een visum dat de instantie aflevert. Wordt het visum ingetrokken, dan volgt automatisch ontslag. Een verregaande maatregel. Er is bijvoorbeeld nergens de mogelijkheid om kwaliteitsbewaking te voorzien. De officiële rechtvaardiging zijnde de administratieve vereenvoudiging is geen voldoende geldige grond. 
Pas na bevraging erkende men blijkbaar dat ook de onderwijsvrijheid van schoolbesturen en de bescherming van leerkrachten worden beoogd, maar dat staat nergens uitdrukkelijk in de toelichting. Het enige overgebleven interventiemiddel voor erkende instanties, het intrekken van het visum, is meteen de meest ingrijpende optie. De gevolgen zijn disproportioneel en het optreden van de terzake bevoegde levensbeschouwelijke instanties wordt beperkt. 
_Samenvoegen van lessen
Het groeperen van lestijden lijkt pragmatisch verantwoord en aanvaardbaar. De RvS erkent dat er reële organisatorische problemen bestaan, maar struikelt over de grenzeloosheid, de extreme flexibiliteit, van deze mogelijkheid. Er is bijvoorbeeld niet echt een maximum aan de groepering, wat betekent dat contactmomenten theoretisch kunnen worden teruggebracht tot bijvoorbeeld één keer per maand. Bij levensbeschouwelijk onderwijs – dat bij uitstek gericht is op attitude-ontwikkeling, op het creëren van een vertrouwensband – is regelmatig contact een pedagogische voorwaarde. 
De Raad heeft niet enkel kritiek op het feit dat er geen grenzen zijn gesteld, er ontbreken ook garanties naar de bevoegde instanties. Hierdoor moeten de bevoegde instanties bij het opmaken van leerplannen rekening houden met alle mogelijke situaties en organisatievormen, wat het in de praktijk bijna onmogelijk maakt om werkbare leerplannen op te stellen. 
Er bestaat dan ook een reëel risico, aldus de RvS, dat deze instanties achteraf worden geconfronteerd met uiteenlopende organisatievormen die de ontwikkeling en uitvoering van hun specifieke leerplannen bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken.
_Het aanwenden van lestijden voor een ander levensbeschouwelijk vak
Het aanwenden van lestijden voor een andere levensbeschouwing lijkt een aanvaardbare, rationele oplossing voor scholen met kleine groepen leerlingen met diverse levensbeschouwelijke overtuigingen. Maar het loopt weer fout: de verantwoording ontbreekt. 
De RvS stelt vraagtekens bij de redenering dat de oplossing erin zou bestaan dat omkaderingsmiddelen bestemd voor één levensbeschouwing kunnen worden ingezet voor een andere. Wat de proportionaliteit betreft, acht de Raad de loutere garantie dat het recht op levensbeschouwelijk onderwijs gewaarborgd blijft onvoldoende, aangezien dit een schoolbestuur er niet van weerhoudt een aanzienlijk aantal lestijden toe te wijzen aan een andere levensbeschouwing, op een wijze die niet overeenstemt met de visie van de bevoegde instantie. 
De waarborg dat 'het recht op levensbeschouwelijk onderwijs gegarandeerd blijft’ is immers te vaag: een zinvol aanbod dat strookt met de visie van de bevoegde LBV-instantie kan hierdoor in het gedrang komen. De bevoegde instanties dienen hierbij betrokken te worden.
_Het geheel is meer dan de som der delen
De RvS maakt een zeer kritische kanttekening. De cumulatieve impact op de autonomie van levensbeschouwelijke gemeenschappen kan daarenboven zwaarder uitvallen dan elke maatregel afzonderlijk al doet vermoeden. Met andere woorden: zelfs als elke maatregel op zich nog verdedigbaar zou zijn, kan het totaalpakket nog disproportioneler, nog ingrijpender zijn. 
_De Vlaamse regering staat voor een keuze
Het stevige advies van de RVS (26 blz.) is vernietigend. Het voorontwerp van decreet is juridisch onvoldoende onderbouwd, het raakt aan grondwettelijk beschermde vrijheden en de voorgestelde maatregelen zijn disproportioneel. De RvS maakt ook duidelijk dat een grondwetswijziging alleen niet de oplossing kan zijn om de gewenste hervormingen door te voeren.
_Bredere context
Het principe van de autonomie, van de vrijheid van geloofsgemeenschappen en levensbeschouwelijke organisaties, om zichzelf te organiseren en te besturen is een logisch uitvloeisel van de neutraliteit van de staat en de gewaarborgde levensbeschouwelijke vrijheid. De vrijheid van godsdienst, eredienst en van levensbeschouwing (art. 19 en 21 Grondwet, art. 9 EVRM) omvat ook het recht om hun werking autonoom te regelen. Elke inmenging moet uitzonderlijk zijn en aan strenge voorwaarden voldoen. Dit principe is onmisbaar voor het pluralisme in een democratische samenleving.
Een overheid die grondrechten wil inperken, draagt de bewijslast. Die bewijslast is hier niet gedragen. Dat is niet slechts een juridisch mankement. Is het een politieke keuze dan is die zeker vatbaar voor verder onderzoek.
Kwintessens
-
Alain Vannieuwenburg is ethicus en doctor in de interdisciplinaire studie van het recht. Hij is lid van een atelier dat de relatie overheid en levensbeschouwingen monitort en van de humanistische denktank Kwintessens.
_Alain Vannieuwenburg -
Meer van Alain Vannieuwenburg

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws