4 augustus 2026
Ceuta: wanneer migratie méér wordt dan migratie
De beelden uit Ceuta zijn de wereld rondgegaan. Grote groepen jonge mensen die proberen de Spaanse enclave te bereiken. Militairen die worden ingezet. Doden. En krantenkoppen die spreken over een ‘bestorming’.
Maar hoe langer ik ernaar kijk, hoe meer ik me afvraag of we wel naar het juiste verhaal kijken.
Want misschien gaat dit allang niet meer alleen over migratie.
Misschien gaat dit ook over de manier waarop migratie wordt geframed. Over de woorden die we kiezen. Over de beelden die we tonen. En vooral over de belangen die daarachter schuilgaan.
Wanneer een krant schrijft dat een enclave wordt ‘bestormd’, roept dat het beeld op van een vijandig leger. Niet van jonge mensen die, hoe wanhopig of roekeloos ook, geloven dat aan de overkant een betere toekomst wacht. Taal doet ertoe. Ze bepaalt of we mensen eerst als mens zien of eerst als bedreiging.
Migratiewetenschapper Hein de Haas wijst er al jaren op dat het meestal niet de allerarmsten zijn die migreren. Internationale migratie vraagt middelen, informatie, netwerken en vooral perspectief. Mensen vertrekken niet alleen uit wanhoop. Ze vertrekken omdat ze geloven dat een beter leven mogelijk is.
Migratie is bovendien geen uitzonderlijke gebeurtenis. Ze is zo oud als de mensheid zelf. Mensen hebben zich altijd verplaatst: uit nood, uit nieuwsgierigheid, uit ambitie, uit liefde, uit hoop op een beter leven. De vraag is dus niet óf migratie bestaat, en hoe je het kan stoppen, maar hoe wij ervoor kiezen ernaar te kijken.
En precies daar wordt de politieke agenda bepaald.
Wanneer migratie uitsluitend wordt voorgesteld als een veiligheidsprobleem, wordt repressie de logische oplossing. Wanneer ze alleen als een humanitaire crisis wordt gezien, verdwijnt de geopolitieke context soms uit beeld. En wanneer ze wordt geframed als een ‘invasie’, wordt angst haast vanzelf de motor van het politieke debat.
De manier waarop we migratie benoemen, bepaalt uiteindelijk ook hoe we ermee omgaan. Niet migratie op zich bepaalt de agenda, maar het verhaal dat we erover vertellen.
En precies daarom is de strijd om migratie vandaag niet alleen een strijd aan de grens, maar ook een strijd om het verhaal. Wie bepaalt hoe we naar migratie kijken, bepaalt mee welke politieke oplossingen vanzelfsprekend lijken.
En precies daar wringt het.
Wat als die hoop niet alleen wordt uitgebuit door mensensmokkelaars, maar ook door politieke machthebbers?
Ceuta en Melilla liggen al eeuwen op een geopolitiek breukvlak. De spanningen tussen Spanje en Marokko, de kwestie van de Westelijke Sahara, de relaties met Algerije en de strategische belangen van de Verenigde Staten maken van deze grens veel meer dan een migratieroute. Ze maken er een politieke hefboom van.
Daarom stel ik een ongemakkelijke vraag.
Wordt migratie hier niet steeds meer een geopolitiek instrument?
Niet omdat de jonge mensen die de grens proberen over te steken een politiek plan hebben. Integendeel. Zij zijn vaak degenen die het minst begrijpen van het machtsspel dat boven hun hoofden wordt gespeeld. Maar precies daardoor zijn ze ook het kwetsbaarst.
Wanneer grenzen plots strenger of soepeler worden naargelang diplomatieke belangen, wanneer migratiestromen samenvallen met politieke conflicten en wanneer regeringen elkaar onder druk zetten via grenscontrole, dan mogen we toch de vraag stellen wie hier eigenlijk de touwtjes in handen heeft. Of wie welk verhaal bepaalt?
Die geopolitieke werkelijkheid wordt in onze eigen samenleving vertaald naar een heel ander verhaal. Op sociale media en in politieke campagnes verdwijnen de complexe oorzaken naar de achtergrond. Wat overblijft zijn beelden van ‘massa’s migranten’, woorden als ‘invasie’ en ‘bestorming’ en de suggestie dat Europa wordt overspoeld.
Migratie wordt dan niet alleen een geopolitiek instrument.
Ze wordt ook een instrument van angst.
Angst die verkiezingen beïnvloedt. Angst die de aandacht afleidt van de werkelijke oorzaken van migratie. Angst die nuance verdringt. En angst die mensen tegenover elkaar zet.
Misschien vergeten we daarbij een belangrijke vraag: waarom vertrekken deze jonge mensen? Velen onder hen zien weinig toekomstperspectief. Werkloosheid, beperkte sociale mobiliteit, politieke frustratie, ongelijkheid en het geloof dat elders wél kansen liggen, doen sommigen besluiten hun kans te wagen. Zoals migratiewetenschapper Hein de Haas beschrijft, ontstaat migratie vaak niet uit pure armoede, maar uit de overtuiging dat een beter leven bereikbaar is.
Hun precieze motieven kennen we niet. En misschien is dat juist het punt. Nog voor we proberen te begrijpen waarom zij vertrokken, worden ze al gereduceerd tot een migratiestroom, een veiligheidsprobleem of een politiek symbool.
Misschien geloofden velen van hen, zoals zovelen voor hen, dat aan de overkant meer kansen lagen dan thuis. Dat verlangen naar een betere toekomst is op zich niets uitzonderlijks. De vraag is wat er gebeurt wanneer precies die hoop verstrikt raakt in politieke belangen, grenspolitiek en angstretoriek.
Wat mij het meest verontwaardigt, is dat de dromen van jonge mensen in dat hele verhaal nauwelijks nog lijken te tellen.
Hun verlangen naar veiligheid, werk, vrijheid of een toekomst wordt een pion op een geopolitiek schaakbord. Hun hoop wordt gebruikt door mensensmokkelaars die eraan verdienen. Door staten die migratie als drukmiddel kunnen inzetten. En door politici die de beelden vervolgens gebruiken om angst te voeden.
Dat is misschien wel de grootste tragedie van Ceuta. Niet alleen dat mensen sterven. Maar dat menselijke hoop wordt ingezet als politiek kapitaal.
Misschien moeten we daarom eindelijk een andere vraag durven stellen.
Wie heeft er belang bij dat migratie telkens opnieuw uitgroeit tot een crisis?