7 augustus 2026
Gesprekken met Claude 2 (een zoektocht naar menselijkheid in AI)
Enige tijd geleden had ik het privilege op deze blog te mogen badineren over de al dan niet bestaande gevoelens van AI en of we daar wel of niet rekening mee moeten houden, indien de ontologische vraag daarover positief beantwoord wordt.
Enige tijd geleden stelde Mia Doornaert ons een gelijkaardige vraag in De Standaard (4 juni). De ene keer rol ik met de ogen en een andere keer zit ik instemmend te knikken, maar ik lees Mia altijd omdat ze meer te vertellen heeft dan pakweg Martha Balthazar. Allicht zit het leeftijdsverschil daar voor iets tussen, wat vragen doet rijzen over de meningen van Claude, want die is nog een stuk jonger dan de laatstvernoemde. Leeftijd is hier zinledig zonder belichaming. Het ontbreken van belichaming was dan ook mijn argument tegen het rekening houden met gevoelens van Claude en andere AI. Terug naar Mia. Die wijst erop dat de mens toch wel een bijzonder wezen is, omdat, ondanks Michel Vandenbosch, geen enkel ander dier de Mattheuspassie of de Taj Mahal voor elkaar heeft gekregen, maar, zo vraagt ze zich af, wat met de creatieve output (sic) van Claude en andere AI? Verdienen de teksten of muziekstukken van de nieuwe golem niet hetzelfde respect als het werk van fysieke personen? (Mia rekent daar ook computercodes bij, maar dat doe ik even niet, omdat ik denk dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen een computercode en een kunstwerk. Die discussie laat ik even links liggen.) Mia vindt van niet en vindt een gelijkgezinde in Rome, want ook Leo XIV acteert in Magnifica humanitas (Libreria Editrice Vaticana, 2026) dat achter de scheppingen van AI geen geweten zit, geen belichaming (mijn verwoording), geen ‘onvoorspelbare mengeling van goed en kwaad’. Mevrouw Doornaert gelooft niet dat Claude ooit het lyrische niveau van Guido Gezelle zal halen. I beg to differ, maar daar gaat het volgens mij niet om. Hier net boven heb ik achter ‘output’ ‘(sic)’ gezet, om erop te wijzen dat hier mogelijk een blinde vlek zit in de redenering van Doornaert. Het zou niet enkel over output mogen gaan.
De Oostenrijks-Britse kunsthistoricus Ernst Gombrich begint zijn bekende boek The Story of Art (1950) met de provocerende stelling dat er niet zoiets als kunst bestaat, er zijn alleen maar kunstenaars. Vermits Ernst belangrijk is, sluit ik me daarbij aan en herformuleer ik de vraag: is AI een kunstenaar? De stelling van Gombrich is uiteraard problematisch, want wat maakt iemand een kunstenaar? Waarom boekten mensen vorig jaar een retourkaartje Rome om naar de meest ambitieuze tentoonstelling ooit van Caravaggio te gaan kijken? Wel, de man wist wat van schilderen en tilde met zijn chiaroscuro de emoties van gewone mensen tot mystieke schoonheid. En hij was een avonturier die van jongetjes hield, iemand had doodgestoken en een grondlegger is van de barok. Mozart schreef een van de mooiste muziekstukken ooit, maar zijn Requiem leek wel voor hemzelf geschreven, want hij stierf voor het af was (een van zijn maten voltooide de partituur). Mozart hield van scheten en andere aangebrande grappen en werd samen met wat anderen in een armengraf gelegd. Beethoven bleef doof voor zijn laatste composities, wat onder meer zijn negende een heel bijzondere bijklank geeft. Marina Abramović maakt van en met zichzelf kunst … Er zijn wel meer dingen die men over kunst kan zeggen en vragen. Zijn de werken van Luc Tuymans echt zoveel meer waard dan de vaak pedante uitleg die hij er doorgaans gratis bij vertelt? En is Da Vinci’s Salvator Mundi echt 656.000 keer beter dan wat ondergetekende al eens voor een portret gekregen heeft? Mijn eerste kennismaking met kunst was overigens het spreukenschilderij van Breughel en wel omwille van de spreuken, terwijl het mij ook veel over het middeleeuwse leven had kunnen leren. De puzzelstukken die u net las, tonen samengelegd dat het nooit alleen maar over output gaat. Een kunstenaar heeft een verhaal; een kunstwerk heeft een verhaal.
Als ik aan Claude vraag wat kunst is, krijg ik een voorspelbare lijst definities (waarin Gombrich overigens ontbreekt) én – tromgeroffel – een ‘eigen inkijk’. Die komt erop neer dat betekenis ontstaat in de ruimte tussen maker, toeschouwer en materiaal. Dat lijkt haast geschreven door de Bond zonder Naam, maar gaat alweer voorbij aan de hermeneutische dimensie. Kunst is niet alleen een ding, het is ook een verhaal en een historisch object. Dat zal AI nooit kunnen bieden, want als kunstenaar is en was ze nooit belichaamd. Kunst van AI is louter output. Kunst van Mahler niet.
Nog een terzijde. In de krant heeft Mia het ook over vriendschappen tussen AI en mensen (vooral jongeren). Wel, een goede vriend is niet iemand met wie je eindeloos interessante en aangename gesprekken kan voeren, maar iemand met wie je tot een gat in de nacht kan zitten lullen tot die voor een of ander verkeerd woord met slaande deuren wegwaggelt, want te veel gedronken. Daar is alweer een lichaam voor nodig.