Kwintessens
Geschreven door Lieven Pauwels en Ann De Buck
  • 76 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

11 augustus 2026 De dwaling van het etnisch nationalisme
Aanleiding voor deze tekst is een artikel van journalist Tex Van Berlaer dat op 21 juni 2026 verscheen in het weekblad Knack met de titel 'Vlaanderen Vlaams: hoe het Vlaams Belang opnieuw flirt met etnisch nationalisme'. Hij schrijft hoe begrippen als etniciteit, omvolking en remigratie opnieuw een prominente plaats innemen in het discours van delen van de radicale rechterzijde.
In dit artikel leggen we uit hoe weinig informatief een genetisch, raciaal en etnisch discours eigenlijk is. Etnisch nationalisten gaan ervan uit dat afkomst, etniciteit en afstamming bepalend zijn voor de identiteit van een natie. Daarmee verschillen zij van civiele nationalisten, voor wie in principe iedereen deel kan uitmaken van de natie, ongeacht zijn of haar etnische achtergrond, zolang men de wetten, instellingen en fundamentele waarden van die samenleving respecteert.
Begrippen als ras, etniciteit en afstamming hebben veel minder betekenis dan doorgaans wordt verondersteld. De geschiedenis van bevolkingen is veel complexer. Het idee dat er zoiets bestaat als een oorspronkelijke, homogene bevolking die sinds mensenheugenis een bepaald grondgebied bewoont, valt moeilijk te rijmen met wat we vandaag weten over migratie, vermenging en de voortdurende veranderingen die menselijke samenlevingen doorheen de geschiedenis hebben gekenmerkt.
Achter het idee van een gedeelde afkomst schuilt doorgaans de overtuiging dat sommige groepen meer aanspraak kunnen maken op een bepaald grondgebied dan andere omdat zij er al langer aanwezig zouden zijn. Etnisch nationalisme is onvermijdelijk verbonden met het idee van een gedeelde biogeografische afkomst, ook wel ancestry genoemd. Met andere woorden: sommige mensen zouden behoren tot de groep die hier oorspronkelijk was, terwijl anderen nieuwkomers zijn.
Mensen met een gedeelde biogeografische afkomst hebben inderdaad vaak meer genetische kenmerken gemeenschappelijk dan mensen zonder een recente gemeenschappelijke afstamming. Die vaststelling moeten we echter onmiddellijk relativeren. Het gaat om verschillen in een beperkte hoeveelheid genetische variatie, voornamelijk zogenaamde SNP-variaties, binnen een soort waarvan alle mensen meer dan 99,9 procent van hun genetisch materiaal delen.
Hedendaagse vormen van etnisch nationalisme proberen zich over het algemeen wel te onderscheiden van het biologische determinisme en racisme van de negentiende eeuw, toch slagen zij er niet altijd in die historische erfenis volledig achter zich te laten. Voor sommige aanhangers ervan komt de onderliggende gedachte uiteindelijk nog steeds dicht in de buurt van dezelfde redenering. Ideeën over witte superioriteit worden tegenwoordig nog zelden openlijk verdedigd, maar ze duiken wel nog op in een subtielere vorm. Ze worden dan verpakt als een pleidooi voor separatisme of voor het gescheiden houden van bevolkingsgroepen. Openlijke uitspraken over vermeende morele of intellectuele superioriteit worden in het publieke debat misschien wel vermeden, op sommige plaatsen op het internet klinkt de boodschap behoorlijk explicieter.
Het belangrijkste punt dat we hier willen maken, is echter iets anders. Ook de term oorspronkelijke bewoners wordt vaak gebruikt alsof het om een duidelijke en wetenschappelijk onderbouwde categorie gaat. Dat is niet het geval. Het begrip suggereert dat bevolkingen statische en onveranderlijke groepen zijn die al sinds mensenheugenis op dezelfde plaats wonen. In werkelijkheid strookt dat beeld slecht met de dynamische geschiedenis van menselijke populaties. De term oorspronkelijke bewoners is daarom grotendeels een fictieve categorie. Het gebruik ervan getuigt van een gebrek aan kennis van zaken over hoe bevolkingen zich doorheen de tijd ontwikkelden.  Toch blijft het begrip aantrekkelijk omdat het een eenvoudige en herkenbare identiteit aanbiedt. Juist daardoor is het een bijzonder catchy begrip voor wie op zoek is naar een gevoel van verbondenheid en een duidelijke afbakening tussen 'wij' en 'zij'.
Het idee dat nieuwkomers de zogenaamde oorspronkelijke bevolking zouden verdringen, spreekt een diepgewortelde menselijke emotie aan: angst voor de buitenstaander. Het raakt aan het bekende onderscheid tussen de eigen groep en andere groepen, ook het ingroep-uitgroepsyndroom genoemd. Evolutionair gezien is dat helemaal niet nieuw.  Wanneer we het hebben over wie als oorspronkelijke bewoner kan worden beschouwd, moeten we ons eerst afvragen over welke tijdschaal we spreken. Zelfs wanneer we in relatief recente evolutionaire termen denken, hanteren we een veel langer tijdsperspectief dan gewoonlijk wordt bedoeld wanneer in het politieke debat naar de 'oorspronkelijke bevolking' wordt verwezen.
_Lessen uit moderne genetica
De moderne genetica leert ons dat menselijke populaties wel degelijk subtiele genetische verschillen vertonen. Groepen die een langere gemeenschappelijke voorgeschiedenis delen, hebben gemiddeld meer genetische kenmerken gemeenschappelijk dan groepen die gedurende lange tijd van elkaar gescheiden leefden. Dat komt onder meer tot uiting in verschillen in allelenfrequenties, dat wil zeggen de mate waarin bepaalde genetische varianten voorkomen binnen een bevolking.
Onderzoekers hebben ook vastgesteld dat genetische patronen vaak gedeeltelijk samenvallen met geografische regio's en taalgebieden. Dat hoeft niet te verbazen. Mensen leefden doorheen de geschiedenis immers niet willekeurig verspreid over de aarde, maar vormden gedurende lange perioden lokale gemeenschappen.
Veel van onze kennis hierover is te danken aan het pionierswerk van de Italiaanse geneticus Luigi Cavalli-Sforza en zijn onderzoeksteam. Zij gebruikten genetische gegevens om de migratiegeschiedenis en onderlinge verwantschap van menselijke populaties in kaart te brengen. Het zou vreemd zijn mocht er helemaal geen verband zijn tussen genetische verschillen, geografie en historische migratiepatronen. Het werk van Cavalli-Sforza wordt echter regelmatig misbruikt door mensen die willen aantonen dat menselijke rassen meer zijn dan een sociale constructie. Dat was niet de conclusie van Cavalli-Sforza zelf. 
_Lessen uit archeogenetica
Intussen zijn we enkele decennia verder en heeft vooral de archeogenetica ons begrip van de menselijke geschiedenis grondig veranderd. Archeogenetica combineert archeologie met DNA-onderzoek op menselijke resten uit het verleden. In relatief korte tijd leverde dit onderzoeksveld een schat aan nieuwe kennis op over migratie, verwantschap en bevolkingsgeschiedenis. Heel wat ideeën die lange tijd als vanzelfsprekend werden beschouwd, zijn grondig herzien. De bevindingen uit de archeogenetica staan haaks op de voorstelling dat er zoiets zou bestaan als duidelijk afgebakende en onveranderlijke "oorspronkelijke bewoners"
Cavalli-Sforza had gelijk toen hij stelde dat migratie haar sporen nalaat in genetische patronen. Archeogenetica daarentegen toonde aan dat hedendaagse bevolkingen geen rechtstreekse vensters vormen op een ver verleden. De mensen die vandaag ergens wonen, blijken zelden uitsluitend af te stammen van de mensen die duizenden jaren geleden op dezelfde plaats leefden.
Om te bepalen wie de oorspronkelijke bewoners van een gebied zouden zijn, volstaat het immers niet om naar de huidige wereldbevolking te kijken. De geschiedenis van de mensheid is veel complexer dan dat. We weten vandaag dat onze soort, Homo sapiens, haar oorsprong vindt in Afrika. We weten ook dat menselijke groepen zich voortdurend hebben verplaatst, opgesplitst en opnieuw met elkaar hebben vermengd. In de genetica spreekt men van admixture: de uitwisseling van genetisch materiaal tussen verschillende bevolkingsgroepen.
Dankzij de analyse van oud DNA worden onderzoekers steeds opnieuw met die complexe geschiedenis van migratie en vermenging geconfronteerd. Tot de belangrijkste pioniers van dit onderzoek behoren onder meer David Reich, Svante Pääbo en Johannes Krause. Hun werk heeft niet alleen ons inzicht in het verleden vergroot, maar heeft ook belangrijke maatschappelijke implicaties. Hun bevindingen ondergraven het idee dat menselijke bevolkingen kunnen worden opgevat als eeuwenoude, zuiver afgebakende groepen. Zij benadrukten herhaaldelijk dat hun onderzoek de menselijke neiging om mensen in vaste categorieën onder te brengen eerder tegenspreekt dan bevestigt. Intuïtieve opvattingen over zogenaamde oorspronkelijke bevolkingen komen daardoor onder druk te staan.
Toch dringen deze inzichten slechts langzaam door tot het brede publiek. Veel mensen vinden maar moeilijk hun weg in de hedendaagse wetenschappelijke literatuur. Bovendien leven we in een tijd waarin wetenschappelijke kennis vaak moet concurreren met vereenvoudigde verhalen, politieke slogans en hardnekkige overtuigingen. Die zijn gemakkelijker te begrijpen dan de complexe werkelijkheid die door de archeogenetica aan het licht wordt gebracht.
_Disruptive events zijn eerder regel, geen uitzondering
Migratiebewegingen en disruptieve gebeurtenissen zijn in de menselijke geschiedenis eerder regel dan uitzondering. Met disruptieve gebeurtenissen bedoelen we ingrijpende veranderingen die de samenstelling van een bevolking sterk beïnvloeden, bijvoorbeeld door grootschalige migratie, oorlogen, epidemieën, technologische vernieuwingen of de verspreiding van nieuwe levenswijzen zoals de landbouw. Volgens David Reich en andere archeogenetici blijken dergelijke gebeurtenissen veel vaker voor te komen dan lange periodes van genetische stabiliteit.
Wanneer archeogenetische studies keer op keer grote genetische verschuivingen of genetische turnover aantonen, wordt het stilaan hoog tijd om onze ideeën over 'oorspronkelijke bewoners’ kritisch te herbekijken. Wie vandaag spreekt over oorspronkelijke bewoners, heeft het in werkelijkheid vaak over bevolkingsgroepen die hoogstens enkele honderden of enkele duizenden jaren in een bepaald gebied aanwezig waren. Vanuit een evolutionair perspectief is dat een bijzonder korte periode.
Bovendien weerspiegelen de genetische verschillen tussen bevolkingsgroepen vooral verschillen in allelenfrequenties. Die zijn de basis van lokale aanpassingen aan uiteenlopende omgevingen, zoals blootstelling aan UV-straling, leven op grote hoogte of weerstand tegen bepaalde ziekteverwekkers. Ze tonen enkel aan dat de menselijke soort zich voortdurend blijft aanpassen aan veranderende omstandigheden. Evolutie is geen afgesloten hoofdstuk uit het verleden, maar een proces dat vandaag nog steeds doorgaat. We spreken dan over micro-evolutie.
Voor de meeste mensen, en vaak ook voor de doorsnee etnisch nationalist, volstaat een tijdsperiode van enkele honderden jaren om over oorspronkelijke bewoners te spreken. Dat is begrijpelijk. Mensen hebben nu eenmaal moeite om zich ontwikkelingen over zeer lange tijdsschalen voor te stellen. Net daarom botsen intuïtieve ideeën over afkomst en identiteit vaak met de bevindingen van de moderne evolutiebiologie en archeogenetica. Het bestaan van zulke grote genetische verschuivingen (genetic disruptive events) blijkt keer op keer uit onderzoek op archeogenetisch materiaal. De zogenaamde oorspronkelijke ancestrale bevolkingen zijn veel minder stabiel dan vaak wordt aangenomen. Diversiteit is geen recent verschijnsel, het was er altijd al, zij het in sommige perioden zichtbaarder dan in andere.
We geven een voorbeeld. We weten dat Homo sapiens uit Afrika afkomstig is en zich ongeveer 30.000 jaar geleden op het Europese continent begon te vestigen. Maar wat weten we eigenlijk over de genetische samenstelling van de bevolking zo'n 8.000 jaar geleden, toen landbouw zich, als belangrijke culturele innovatie, definitief begon te verspreiden en een sedentaire levenswijze steeds gebruikelijker werd?
De huidige inzichten zijn opmerkelijk. Archeogenetisch onderzoek toont aan dat er sprake was van een aanzienlijke genetische turnover. Het genetische profiel van de ancestrale Europese jagers-verzamelaars verschilde sterk van dat van de eerste landbouwers die zich later over Europa verspreidden. De komst van die landbouwers was een typisch voorbeeld van een disruptieve gebeurtenis: niet alleen veranderde de cultuur, maar ook de genetische samenstelling van de bevolking.
Nog een interessante kanttekening gaat over de witte huidskleur, die vaak impliciet wordt geassocieerd met de oorspronkelijke Europese bevolking. Vanuit evolutionair perspectief blijkt een lichte huid echter een relatief recent verschijnsel te zijn. Sommige genetische varianten die verantwoordelijk zijn voor minder pigmentatie werden waarschijnlijk verspreid door landbouwers uit Anatolië, terwijl andere werden meegebracht door latere migratiegolven vanuit de Euraziatische steppe. Er zijn zelfs aanwijzingen dat bepaalde genetische varianten afkomstig kunnen zijn van Neanderthalers, waarmee onze voorouders zich gedeeltelijk vermengden. De genetische varianten die vandaag bijdragen aan een lichtere huidkleur hebben zich vooral tijdens de laatste duizenden jaren sterk verspreid in Europese populaties.
Als dit geen nieuwe kijk werpt op het begrip oorspronkelijke bewoners, dan weten we het ook niet meer. Een aanzienlijk deel van het genetische materiaal van de huidige Europese bevolking is immers afkomstig van groepen die zelf ooit migreerden. Europa is niet gevormd door één oorspronkelijke bevolking, maar door opeenvolgende processen van migratie, vermenging, en gene flow. Die gene flow beperkte zich overigens niet tot verschillende menselijke populaties. Vandaag weten we dat er ook genetische uitwisseling plaatsvond tussen verschillende mensensoorten, waaronder Homo sapiens, Neanderthalers en Denisovanen.
Biogeografische ancestrale populaties blijken dan ook veel minder stabiel en langdurig te bestaan. En toch blijft het idee van eeuwenoude, genetisch homogene bevolkingen hardnekkig voortleven in romantische voorstellingen van het etnisch nationalisme. Commerciële DNA-bedrijven zoals 23andMe wekken soms de indruk dat afkomst eenvoudig en duidelijk af te bakenen is, terwijl de wetenschappelijke werkelijkheid aanzienlijk complexer is.
Een handelsmerk van delen van extreemrechts is het toenemende gebruik van begrippen als omvolking en remigratie. Die termen worden dan gebruikt in een discours waarin de Europese bevolking, of specifieker de blanke Europeaan, wordt voorgesteld als een groep die onder druk staat door immigratie en multiculturalisme. In het artikel van Knack wordt erop gewezen dat de term omvolking soms wordt gebruikt als synoniem voor superdiversiteit. Evolutiebiologisch zijn beide begrippen echter niet hetzelfde. Superdiversiteit verwijst naar een samenleving waarin mensen met uiteenlopende achtergronden samenleven. Dat betekent niet automatisch dat de ene genetische populatie de andere genetisch vervangt. Zelfs in de superdiverse samenlevingen die we vandaag kennen, is van volledige genetische vervanging helemaal geen sprake. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de term omvolking politiek bijzonder krachtig kan zijn. Het begrip roept sterke emoties op zoals angst voor verlies van identiteit, status en groepslidmaatschap. Precies daarom is het begrip zo krachtig.
Wie is eigenlijk die oorspronkelijke bevolking van België of Nederland? Wanneer we slechts enkele honderden jaren teruggaan, kunnen we daar nog een relatief eenvoudig antwoord op formuleren. Maar zodra we enkele duizenden jaren teruggaan, wordt het beeld veel complexer. Dezelfde processen van migratie, vermenging en bevolkingsverplaatsing die we vandaag observeren, vonden ook in het verleden plaats. Het idee van een onveranderde oorspronkelijke groep houdt geen stand wanneer we kijken naar de genetische geschiedenis van de mens. Dat sommige mensen zich zorgen maken over superdiversiteit of vermeende omvolking is echter niet moeilijk te begrijpen wanneer we rekening houden met onze evolutionaire geschiedenis.
Gedurende het grootste deel van onze geschiedenis leefden mensen in relatief kleine en vaak vrij homogene groepen. Als Homo sapiens doen we dat al honderdduizenden jaren. Kijken we naar het bredere genus Homo, dan gaat het zelfs om een geschiedenis van ongeveer twee miljoen jaar.
Die evolutionaire erfenis heeft ons uitgerust met twee ogenschijnlijk tegenstrijdige vermogens. Enerzijds zijn we gevoelig voor het onderscheid tussen de eigen groep en andere groepen en kunnen we wantrouwig reageren op onbekenden, vooral in omstandigheden van schaarste. Anderzijds zijn mensen ook uitzonderlijk goed in samenwerking, handel, wederkerigheid en het opbouwen van netwerken met vreemden. Beide neigingen maken deel uit van onze ambigue evolutionaire psychologie.
Wat is dan een zinvolle reactie op dergelijke discoursen? Het louter bestrijden ervan lijkt weinig effect te hebben. Meer zelfs, wie al overtuigd is, ervaart een tegendiscours soms juist als een bevestiging van zijn eigen overtuigingen. Meer perspectief biedt een alternatief verhaal dat enerzijds rekening houdt met reële bezorgdheden van burgers en anderzijds duidelijke, toegankelijke en wetenschappelijk onderbouwde informatie verstrekt over onderwerpen als migratie, genetica en omvolking. Veel meer mensen zouden vertrouwd moeten zijn met wat de huidige wetenschap werkelijk zegt en, minstens even belangrijk, met wat zij niet zegt.
Vroeger werd binnen bepaalde stromingen vaak verwezen naar biologische of intellectuele superioriteit. Dergelijke ideeën worden binnen het hedendaagse wetenschappelijke intelligentieonderzoek al lang als pseudowetenschappelijke vereenvoudigingen beschouwd. Naarmate genetisch onderzoek verder vooruitgaat, wordt het steeds moeilijker om biologische superioriteitsclaims vol te houden. Het selectief kersenplukken van genetische en biologische gegevens om ideologische standpunten te ondersteunen wordt steeds minder overtuigend. 
_De uitdagingen van de toekomst
Misbruik van wetenschap is van alle tijden, maar bij genetica moeten we extra waakzaam zijn. Toch lijkt klassiek biologisch racisme steeds moeilijker vol te houden naarmate onze kennis over de menselijke genetica toeneemt. Vandaag weten we immers dat de genetische verschillen binnen de menselijke soort opvallend klein zijn. Er bestaat zelfs meer genetische diversiteit binnen sommige groepen wilde chimpansees dan binnen de volledige menselijke populatie. Dat laat weinig ruimte voor het idee dat de mensheid kan worden opgedeeld in scherp afgebakende biologische rassen.
Het valt te verwachten dat etno-nationalistische discoursen zich steeds minder zullen beroepen op biologische argumenten en steeds vaker op culturele argumenten. Wanneer genetische verklaringen minder overtuigend worden, verschuift de aandacht naar cultuur. Het debat gaat dan niet langer over vermeende genetische verschillen, maar over culturele superioriteit, culturele incompatibiliteit of culturele praktijken die als onwenselijk worden beschouwd.
Dat betekent echter niet dat de uitdagingen verdwijnen. Ook cultuur is voortdurend in verandering en onderhevig aan wat we culturele evolutie kunnen noemen. Samenlevingen staan voor de moeilijke opdracht om te gaan met culturele verschillen, zeker wanneer bepaalde culturele opvattingen of gedragingen botsen met democratische waarden, individuele vrijheden of het harmonieus samenleven van verschillende groepen.
Het feit dat ook culturele kenmerken evolueren, kan tegelijk een vertrekpunt vormen om na te denken over hoe we cultureel racisme het best aanpakken. De grote uitdaging van de toekomst zal waarschijnlijk minder liggen in het weerleggen van biologische superioriteitsclaims en meer in het omgaan met conflicten rond cultuur, identiteit en maatschappelijke integratie.
Een werkelijk panhumanistische moraal, waarin mensen zichzelf in de eerste plaats zien als leden van één menselijke gemeenschap, blijft voorlopig een bijzonder ambitieuze doelstelling. Ons tribale brein laat zich immers nog altijd gemakkelijk verleiden tot een denken in termen van 'wij’ en 'zij’. Vragen over identiteit, groepsvorming en culturele verschillen zullen ons waarschijnlijk nog lang bezighouden. 
De moderne genetica en archeogenetica wijzen op een ongemakkelijke waarheid voor wie zoekt naar oorspronkelijke bevolkingen. Huidige populaties zijn mengvormen van vroegere populaties, die zelf opnieuw mengvormen waren van nog oudere populaties. De oorspronkelijke bewoner is daarmee een geïdealiseerde, maar onbestaande figuur uit de verbeelding van het etnisch nationalisme.
_Referenties
- Armit, I., & Reich, D. (2021). The return of the Beaker folk? Rethinking migration and population change in British prehistory. Antiquity, 95(384), 1464-1477.
- Cavalli-Sforza, L. L. (1997). Genes, peoples, and languages. Proceedings of the National Academy of Sciences, 94(15), 7719-7724.
- Cavalli-Sforza, L. L., Menozzi, P., & Piazza, A. (1994). The history and geography of human genes. Princeton University Press.
- Fischer, M. S., Hoßfeld, U., Krause, J., & Richter, S. (2020). Jena, Haeckel und die Frage nach den Menschenrassen oder der Rassismus macht Rassen [Preprint]. Zoologie: Mitteilungen der Deutschen Zoologischen Gesellschaft, 2020, 7-32.
- Krause, J., & Trappe, T. (2019). Die Reise unserer Gene: eine Geschichte über uns und unsere Vorfahren. Ullstein Buchverlage.
- Krause, J., & Trappe, T. (2021). Hybris: Die Reise der Menschheit zwischen Aufbruch und Scheitern. Ullstein Buchverlage.
- Olalde, I., Altena, E., Bourgeois, Q., Fokkens, H., Amkreutz, L., Deguilloux, M. F., ... & Reich, D. (2025). Long-term hunter-gatherer continuity in the Rhine-Meuse region was disrupted by local formation of expansive Bell Beaker groups. bioRxiv.
- Reich, D. (2018). Who we are and how we got here: Ancient DNA and the new science of the human past. Oxford University Press.
Kwintessens
-
_Lieven Pauwels en Ann De Buck -
Meer van Lieven Pauwels en Ann De Buck

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws