14 augustus 2026
De contingentie van tolerantie (deel 2)
Het 'Freedom of Thought Report' bewijst mét cijfers dat de vrijheid van niet-gelovigen wereldwijd afkalft; maar cijfers verklaren geen mechanismen. Daarvoor moet je inzoomen: in de VS lopen religieus-conservatieve invloed en de afbraak van rechten gelijk op. Europa oogt op het eerste gezicht veiliger, seculierder, vooruitstrevender, maar die zelfperceptie verhult hoe uiteenlopend en tegenstrijdig de lidstaten in de praktijk handelen en ze voedt bovendien een soort zelfgenoegzaamheid die kritische zelfreflectie overbodig maakt. Deze zelfgenoegzaamheid is geen neutraal gegeven maar een keuze en daarmee ligt de verklaring uiteindelijk niet in de cijfers zelf, maar in de politieke wil, onwil of alertheid en assertiviteit om vrijheid van gedachte ook daadwerkelijk na te leven.
_De Verenigde Staten
Ook de Verenigde Staten worden expliciet genoemd, met zorgen over een groeiende alliantie tussen de regering-Trump en christelijk-nationalistische bewegingen.
Dat uit zich onder meer in meer religieuze vrijstellingen en accommodatie in zorg en onderwijs, publieke financiering van religieuze scholen en meer religieuze symboliek binnen de overheid – ontwikkelingen die critici zien als een uitholling van de scheiding tussen kerk en staat.
In diezelfde periode beperkte de regering-Trump vanaf januari 2025 via presidentiële decreten ook de federale erkenning van genderidentiteit: de federale overheid definieert geslacht sindsdien uitsluitend als mannelijk of vrouwelijk op basis van het geboortegeslacht, eerdere antidiscriminatierichtlijnen inzake genderidentiteit en seksuele oriëntatie werden ingetrokken, en geslachtsneutrale vermeldingen op federale identiteitsdocumenten zijn niet langer toegestaan.
Geen van beide ontwikkelingen raakt rechtstreeks aan de positie van niet-gelovigen. Samen illustreren ze echter een patroon dat elders in dit stuk terugkeert: waar religieus-conservatieve agenda's terrein winnen, verliezen doorgaans meerdere minderheden tegelijk ruimte, lgbtq-personen net zo goed als afvalligen en vrijdenkers. Dat is geen wetmatigheid, maar in dit geval wel een veelzeggend gelijktijdig patroon.
_Europa
Het gekendste voorbeeld is wellicht Hongarije. De grondwet verplicht er staatsinstellingen de ‘christelijke cultuur’ van het land te beschermen; in 2025 werden Pride-optochten feitelijk verboden en werden kerkelijke scholen fors bevoordeeld boven openbare scholen. In dit verband merkte de Speciale Rapporteur van de Verenigde Naties in 2025 op dat niet-religieuze personen, atheïsten en humanisten er geconfronteerd worden met systemische discriminatie door overheidsfunctionarissen, publieke instellingen, de rechterlijke macht, evenals door niet-statelijke actoren. Afwachten hoe na de regimewissel dit alles evolueert.
Dat regionale patroon kent ook uitzonderingen. Malta erkent in zijn grondwet nog steeds het rooms-katholicisme als staatsgodsdienst. Deze religieuze voorkeurspositie is zichtbaar in de erkenning van kerkelijke huwelijken en de aanwezigheid van crucifixen in openbare gebouwen. Tezelfdertijd behoort Malta tot de meest vooruitstrevende landen op het gebied van lgbtq-rechten. Dat weerlegt de eerdere vaststelling niet, gemiddeld scoren seculiere regio's inderdaad hoger op holebi- en transrechten, maar het relativeert ze wel: een grondwettelijke staatsgodsdienst en progressieve lgbtq-wetgeving sluiten elkaar dus niet automatisch uit. De bevoorrechting van één groep zegt met andere woorden niet altijd iets over de positie van andere minderheden binnen datzelfde land.
In het Verenigd Koninkrijk is apostasie (het verlaten van een religie) niet strafbaar. Iedereen heeft wettelijk het recht om van geloof te veranderen of geen religie te volgen, beschermd door mensenrechtenwetten. Hoewel er geen wettelijke vervolging plaatsvindt wegens geloofsafval, kunnen ex-moslims en andere voormalige gelovigen in sommige gemeenschappen wel sociale en persoonlijke problemen ervaren. Dit kan leiden tot verstoting door familie of gemeenschap, verlies van steun, bedreigingen, online haat, eergerelateerd geweld of soms gedwongen huwelijken. Organisaties zoals Council of Ex-Muslims of Britain en Faith to Faithless bieden hulp aan mensen die hiermee te maken krijgen. De Britse overheid ziet zulke situaties niet als straf voor apostasie, maar behandelt ze als gewone strafbare feiten, zoals bedreiging, geweld of dwang. Verontrustender zijn de pogingen om niet-wettelijke religieuze rechtbanken in de Britse wetgeving op te nemen. De kerkelijke rechtbanken van de Church of England zijn de enige religieuze rechtbanken die opereren binnen het Engelse juridische kader. Andere religieuze rechtbanken, met name sharia-raden, Joodse beth din, rooms-katholieke kerkelijke autoriteiten en het Sikh-hof, verschillen in hun status in het Britse recht. Ze fungeren momenteel als informele arbitrage- of adviesorganen, zonder wettelijke rechtsmacht.
In België zijn geen spraakmakende incidenten van geweld naar aanleiding van geloofsafval bekend. Dat betekent echter niet dat het probleem afwezig is, het blijft eerder onzichtbaar dan onbestaand. Zo stelde toenmalige minister Bart Somers, in antwoord op een parlementaire vraag, dat de problematiek van mensen die hun religie verlaten of van religie veranderen wel degelijk bestaat, maar vaak onder de radar blijft en dat onderzoek nodig is. Ook België, ondanks zijn institutionele voorbeeldpositie op het vlak van erkenning van levensbeschouwingen, is dus niet vrij van dit onderbelichte probleem.
_De blinde vlek
Om te begrijpen waarom deze onverdraagzaamheid zo hardnekkig is, moet je onder andere terug naar de tekst van artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens zelf. Zoals eerder aangehaald wees Cliteur erop dat artikel 18 niet één, maar drie rechten bundelt. Decennialang ging alle aandacht naar het tweede: de vrijheid om een geloof te belijden. Wat Cliteur de ‘apostasie-clausule’ noemt – het derde recht – bleef grotendeels onderbelicht.
Ook artikel 19 verdient aandacht. Het waarborgt de vrijheid van mening en meningsuiting, een pijler van democratie en publieke verantwoording. Zelfs in West-Europa staat dit recht steeds meer onder druk: SLAPP-procedures tegen journalisten, politieke polarisatie, concentratie van media-eigendom en banalisering verkleinen geleidelijk de ruimte voor een open en pluralistisch debat. Vooral twee domeinen zijn kwetsbaar: berichtgeving over migratie, gender en extremisme, waar aanhoudende haatcampagnes journalisten tot zelfcensuur kunnen aanzetten, en berichtgeving over nationale veiligheid.
Ook hier raakt de druk op de persvrijheid, het uiten van een mening, rechtstreeks aan het recht om een geloof te bekritiseren of te verlaten of om op bepaalde ongemakken te wijzen: wie daarover bericht, ondervindt vaak dezelfde intimidatie als wie het zelf doet.
Artikel 18 en artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens versterken elkaar in de bescherming van de rechten van niet-gelovigen. Samen waarborgen deze artikelen dus zowel de vrijheid om niet te geloven als de vrijheid om die levensbeschouwelijke keuze openlijk te uiten.
Religiekritiek leidt vooral tot fysieke veiligheidsdreigingen en soms juridische herinvoering van regelgeving (Denemarken) tegen ongepaste behandeling van religieuze geschriften, terwijl gendergerelateerde onderwerpen vooral leiden tot online haatcampagnes met zelfcensuur als gevolg – beide vormen van ‘chilling effect’ zonder dat er sprake is van een formeel verbod.
Na de aanslag op het Pride-evenement in Berlijn (25 juli 2026) laaide in Duitsland een discussie op over de beschermingsplicht van de staat. Critici hekelen het minimaliseren van groeiende haat jegens andersdenkenden en wijzen erop dat de officiële reactie – regenboogverlichting, solidariteitsverklaringen – vooral symbolisch oogt; of en welke structurele vervolgmaatregelen (wetgevend, in beveiligingsbeleid of vervolging) hierop volgen, is op het moment van schrijven nog niet duidelijk.
_Geen natuurwet, maar een keuze
Malta laat zien dat bevoorrechting van één religie niet automatisch andere vrijheden verdringt. De Verenigde Staten laten zien dat het omgekeerde evenmin vaststaat, dat het terugdringen van de ene vrijheid vaak gepaard gaat met druk op de andere.
Beide voorbeelden bevestigen hetzelfde: er bestaat geen vaste, voorspelbare volgorde waarin vrijheden samen op- of neergaan. Met andere woorden: het is niet de religieuze bevoorrechting zelf die vrijheid elders bedreigt, maar de politieke keuze om haar zo in te zetten. Net dáárom is de uitkomst geen natuurwet, maar een keuze.
Deze voorbeelden, apostasiewetten, blasfemiewetgeving, terreurgeweld tegen critici, sociale stigmatisering van ex-gelovigen, staatsreligie, en druk op lgbtq-rechten, zijn dus geen uitingen van één identiek mechanisme, maar van verschillende, deels samenhangende manieren waarop vrije meningsuiting, geloofsafval en zelfbeschikking onder druk komen te staan. Precies omdat de mechanismen verschillen, verdient niet alleen de vrijheid om te geloven, maar ook het recht om een geloof te bekritiseren, te verlaten of af te wijzen, een centrale plaats in de liberaal-democratische rechtsstaat.
Zodra een samenleving geweld tegen één groep andersdenkenden normaliseert, tast ze het recht van iedereen aan om vrij te zijn in wat men gelooft of denkt. Ook West-Europa, met zijn zwaarbevochten traditie van tolerantie, kan zich dit hellend vlak niet meer permitteren.
Dat verschil tussen een samenleving waarin vrijheid gewaarborgd blijft en één waarin ze kan eroderen, is geen natuurwet maar het resultaat van politieke keuzes, van alertheid, van politieke wil.
(Lees hier deel 1 van dit essay.)