Het Vrije Woord
Geschreven door Johan Swinnen
  • 58 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

14 augustus 2026 Panorama van Aotearoa #22: Geen afscheid, wel een puntkomma
Dit is de laatste aflevering in de reeks blogs over Aotearoa door Johan Swinnen. Op 6 september 2026 verschijnt een rijk geïllustreerd boek 'Panorama van Aotearoa. Kunst, natuur en humanisme in Nieuw-Zeeland' dat gedeeltelijk gebaseerd is op deze blogreeks, maar met aangepaste, uitgebreide én nieuwe teksten (uitgave Humanistisch Verbond en Best in Books).
Op 1 januari 2026 vertrok ik. Op 1 april keerde ik terug. Precies negentig dagen, het maximum van mijn reisvisum. Alleen al dat heeft iets licht komisch: alsof een land van deze schoonheid, omvang en complexiteit zich netjes binnen drie maanden laat benaderen. Alsof verwondering zich aan visa houdt. En toch was die begrenzing misschien niet eens zo slecht. Zij gaf de reis vorm, concentratie en discipline. Zij maakte van deze maanden geen uitdeinende droom, maar een echte onderneming: een roadtrip, een onderzoek, een reeks ontmoetingen, een oefening in aandacht.
Na zowat 6.500 kilometer in een camper, maar ook met trampingtochten, ferries, gondels, fietsen, jetboats en binnenlandse vluchten, door bergen en langs kusten, via dorpen, steden, campings, musea en eindeloze wegen, is deze reis door Aotearoa voorbij. Alleen al die veelheid van verplaatsingen zegt iets over dit land. Nieuw-Zeeland laat zich niet lineair lezen. Men moet oversteken, wachten, inschepen, afdalen, opstijgen, omrijden en opnieuw vertrekken. Men beweegt er niet alleen door het landschap, maar ook door verschillende ritmes van tijd en ruimte. Misschien is reizen precies dat: aanvaarden dat begrip niet in een rechte lijn ontstaat, maar in overtochten, onderbrekingen en omwegen.
Ook deze reeks bereikt haar natuurlijke grens. Niet omdat er niets meer te zeggen valt. Integendeel. Maar omdat er een moment komt waarop men moet aanvaarden dat een land zich niet laat samenvatten, zelfs niet in tweeëntwintig hoofdstukken, zelfs niet wanneer men het met discipline, nieuwsgierigheid en enige beroepsmatige koppigheid heeft proberen te benaderen. Wat ik hier schreef, was nooit bedoeld als een totaalportret van Nieuw-Zeeland. Daarvoor is dit land te gelaagd, te uitgestrekt en te tegenstrijdig. Wat ik wel heb geprobeerd, is iets bescheidener en misschien juister: een reeks aandachtige benaderingen. Een landschap, een kunstenaar, een dorp, een ritueel, een stad, een gesprek, een spanning tussen geschiedenis en heden. Geen afgerond systeem, wel fragmenten die samen iets van een essentie konden laten oplichten.
Reizen doet iets merkwaardigs met een mens. Men vertrekt vaak met het geruststellende idee dat men de wereld zal bekijken, maar keert terug met het bescheidener besef dat de wereld intussen ook naar u heeft gekeken. Cultuur is dan niet langer iets wat men consumeert of classificeert, maar iets waarin men zich tijdelijk leert verplaatsen, met de nodige voorzichtigheid en zonder de illusie dat men haar ooit volledig bezit. Misschien is dat een van de mooiste opbrengsten van reizen: niet dat men alles begrijpt, maar dat men preciezer leert zien waar begrip begint. Niet bij bezit, maar bij aandacht. Niet bij snelle meningen, maar bij aanwezigheid.
En juist daarom is het goed hier te stoppen.
Ik wil niet vanuit Antwerpen verder schrijven over een land dat mij juist zoveel leerde doordat ik er werkelijk was. Deze teksten konden alleen ontstaan omdat ik rondreisde, keek, luisterde en soms aarzelde. Omdat ik de wegen reed, de regen voelde, de zee rook, de stilte zag en de stemmen hoorde, en sommige avonden liet uitdeinen met een glas sauvignon blanc van Craggy Range. Omdat een land zich niet alleen toont in zijn grote symbolen, maar ook in zijn kleine omgangsvormen, in zijn praktische ethiek en in zijn alledaagse manieren van samenleven. In de manier waarop men aan een zebrapad al meters op voorhand stopt. In de vriendelijkheid zonder theater. In de hulpvaardigheid die niet sentimenteel wordt opgevoerd, maar eenvoudig deel lijkt van het dagelijks verkeer tussen mensen.
Een van de meest indrukwekkende momenten van deze reis was Waitangi Day, op vrijdag 6 februari. Daar, op die historisch geladen plek in de Bay of Islands, waar de wording van het moderne Nieuw-Zeeland nog altijd tastbaar in de lucht hangt, werd voor mij iets zichtbaar wat geen boek en geen analyse volledig kunnen vervangen: de levende aanwezigheid van de Māori-wereld, niet als folklore, niet als voetnoot, maar als dragende werkelijkheid. De ceremonie, de intensiteit, de waardigheid en de gelaagdheid van herinnering en hedendaags debat waren adembenemend. Niet omdat alles er eenduidig of harmonieus zou zijn, maar juist omdat men er voelde hoe geschiedenis, identiteit, pijn, trots en toekomst in één ruimte samenkomen.
Misschien is er één woord dat ik uit de Māori-woordenschat graag wil blijven meenemen: ‘whakapapa’. Het is zo’n woord dat zich niet netjes laat vertalen, omdat het meer doet dan benoemen. Het verwijst naar afstamming, herkomst, genealogie en verbondenheid, maar ook naar de manier waarop mensen, plaatsen, voorouders en verhalen in elkaar grijpen. Niet als losse gegevens, maar als een levend verband. Wie ben ik, waar kom ik vandaan, met wie en met wat ben ik verbonden: dat alles resoneert in dat ene woord. Misschien trof het mij daarom zo sterk. Zoals ik in het Nederlands graag het woord ‘goesting’ gebruik, zo is ‘whakapapa’ voor mij een nieuw geliefd woord geworden. Het draagt niet alleen betekenis, maar ook een levenshouding.
Eerlijk gezegd zou ik het best in de Vlaamse woordenschat willen smokkelen. Wij hebben al woorden genoeg voor administratie, gemopper en halfslachtige intenties. Een woord dat ons herinnert aan oorsprong, verbondenheid en relationele ernst zou geen kwaad kunnen. Stel u voor dat men hier en daar in Vlaanderen, tussen een subsidiedossier, een familiefeest en een discussie aan de keukentafel, plots zou vragen naar iemands whakapapa. Dat zou het gesprek meteen verdiepen, al vermoed ik dat wij er ook in zouden slagen het vroeg of laat met groot zelfvertrouwen verkeerd uit te spreken en vervolgens nog zelfverzekerder verkeerd te gebruiken. Maar zelfs dan nog zou het winst zijn.
Tegelijk is dit geen paradijs zonder barsten. Ook dat heb ik onderweg geleerd. Achter de schoonheid en de rust zitten spanningen die men als reiziger maar geleidelijk begint te begrijpen: economische druk, een hoge kost van leven, onzekerheid, talent dat wegtrekt, en ook de wildheid en onvoorspelbaarheid van de natuur zelf. Juist daarom is Nieuw-Zeeland voor mij interessanter geworden: niet als idyllisch tegenbeeld van Europa, maar als een samenleving die zichtbaar zoekt naar evenwicht tussen geschiedenis, identiteit, economie en toekomst.
Panorama van Aotearoa #22: Geen afscheid, wel een puntkomma
Nieuw-Zeeland oogt vaak stabieler dan veel Europese landen, maar ook hier schuift van alles. De algemene verkiezingen zijn vastgelegd op zaterdag 7 november 2026. Onder die bestuurlijke rust leeft tegelijk beweging. Niet luid, niet hysterisch, maar wel reëel. In het jaar tot juni 2025 verloor Nieuw-Zeeland per saldo 29.100 mensen aan Australië. Dat is geen detail. Het zegt iets over lonen, schaal, kansen en aantrekkingskracht. Zelfs een vriendelijk, ordelijk en bewonderenswaardig land houdt zijn mensen dus niet vanzelfsprekend allemaal thuis.
Misschien werd dat voor mij nog tastbaarder door het nieuws rond MP Jacinda Ardern. Buiten Nieuw-Zeeland bleef zij voor velen het bijna vanzelfsprekende gezicht van empathie, morele rust en bestuurlijke waardigheid. In eigen land lag dat complexer. Haar premierschap viel samen met een opeenstapeling van crisissen: de aanslag in Christchurch, White Island, de covidjaren en de vermoeidheid die zulke opeenvolging nalaat. Toen in februari 2026 bekend raakte dat zij en haar gezin zich voorlopig in Australië zouden vestigen, raakte dat daarom aan meer dan een privébeslissing. Het werd, hoe onbillijk dat misschien ook is, haast onvermijdelijk gelezen tegen de achtergrond van een land waar zovelen zelf over de Tasmanzee heen kijken. Alsof zelfs een van de bekendste symbolen van de natie niet helemaal buiten die logica van vertrek en heroriëntatie bleef staan. Juist daarom bleef dat bericht hier nazinderen: niet als roddel, maar als een kleine schok in het nationale zelfbeeld. 
Ook cultureel beweegt er iets. Een oorspronkelijk Māori-moment als Matariki groeit verder uit tot een breder nationaal ritueel van herinneren, danken, vooruitkijken en samenhorigheid. Tegelijk keert het internationale toerisme krachtig terug. Dat alles geeft Aotearoa uitstraling, maar legt ook druk op een land dat zichzelf tegelijk sociaal, economisch en symbolisch in evenwicht moet houden. Onder de beleefde orde blijft dus ook de vraag voelbaar hoe een klein land zich staande houdt in een wereld van migratie, concurrentie en projectie. Misschien maakt precies die spanning Nieuw-Zeeland vandaag zo boeiend: het is geen paradijs buiten de geschiedenis, maar een democratie die zichtbaar onderhandelt tussen wortels en vertrek, tussen geheugen en markt, tussen lokale trouw en mondiale verleiding. De officiële cijfers tonen trouwens tegelijk ook een bredere netto-instroom in 2025. Juist die dubbele beweging maakt het beeld complexer dan het cliché.
En ja, het verkeer bracht mij nog iets anders bij: dat Nieuw-Zeeland zonder twijfel een van de mooiste roadtriplanden ter wereld is, maar ook het land van de oranje verkeerskegel. Na enige tijd wordt die hier bijna een medereiziger, een hardnekkige sculptuur van het alledaagse, soms nuttig, soms ronduit absurd, vaak opduikend op plekken waar geen mens nog werkmannen of machines vermoedt. Hij hoort bij het land zoals de wind, de flat white en de onwaarschijnlijke vergezichten dat doen. Misschien is dat wel een van de stillere lessen van reizen: dat men na verloop van tijd zelfs met hinderpalen een relatie opbouwt. Tegen het einde voelt men bijna affectie voor wat men aanvankelijk alleen maar vervloekte. Alleen lijken de Nieuw-Zeelanders er intussen zelf ook genoeg van te hebben. Men zou bijna spreken van een road cone war, een verkeerskegeloorlog op mensenmaat. En dan is er nog die charmant baldadige hobby, vooral onder jongeren, om zo’n kegel in de top van een hoge boom te werpen. Geen revolutie van historische betekenis, wel een klein en geestig verzet tegen een land dat dol is op regeling, orde en tijdelijke afzettingen.
Juist daarom wil ik eindigen met dankbaarheid.
Dank aan de Nederlandse en Belgische ambassadeurs, en aan de twee ereconsuls van België, voor hun steun, openheid en bereidheid om mee bruggen te slaan. Dank aan de kunstenaars, academici, denkers en gesprekspartners die mij ontvingen, tijd maakten en hun inzichten deelden. Dank aan wie zich liet interviewen, aan wie een deur opende, een atelier toonde, een geschiedenis nuanceerde of een gedachte aanscherpte. Dank ook aan de Nederlandse meester-fotografe Patricia Steur, wier morele betrokkenheid ik met grote waardering vermeld. Maar evenzeer dank aan de vele onbekenden: de gesprekken op campings, in musea, onderweg, aan een koffietoog, bij een flat white, op een parking, in een dorp waar men niets hoefde te bewijzen en het gesprek daarom vaak des te waardevoller werd.
Mijn bijzondere dank gaat naar mijn zoon, die hier al meer dan tien jaar zijn leven en werk heeft opgebouwd. Zonder hem was deze reis er eenvoudigweg nooit gekomen. Hij gaf ons niet alleen een aanleiding om te komen, maar ook een ander soort toegang tot dit land: minder toeristisch, minder oppervlakkig, menselijker, trager, nauwkeuriger. Een week samen met hem staat mij bijzonder helder voor de geest. Daarin zat ook ons bezoek aan Opua, in de Bay of Islands, de plek waar hij destijds met zijn zeilboot vanuit Antwerpen Nieuw-Zeeland binnenvoer om er aan te meren. Dat wij daar samen konden staan, aan precies die plek van aankomst, had iets ontroerends. Alsof een persoonlijke geschiedenis zich heel even liet teruglezen in het landschap zelf. En dan was er ook nog dat weekend samen in Martinborough. Het kreeg in deze reeks misschien niet de statuur van een afzonderlijk hoofdstuk, wat achteraf gezien bijna een komisch understatement is. Sommige momenten zijn eenvoudigweg te rijk, te warm en te persoonlijk om ze nog netjes tot columnmateriaal te reduceren. Juist daarom zal ik ze meedragen.
En natuurlijk is er ook mijn vrouw, die deze roadtrip niet alleen heeft meegemaakt, maar werkelijk mee heeft gedragen. Zij verdroeg mijn nieuwsgierigheid, mijn neiging tot omwegen, mijn hardnekkige verlangen om alweer ergens te stoppen omdat er misschien toch nog iets interessants te zien viel. Zij was niet alleen een trouwe reisgenoot, maar ook een bron van ideeën, en het licht beschamende voor mij is dat die onderweg opvallend vaak de juiste bleken. Men leert op reis dus niet alleen een land beter kennen, maar soms ook de stille strategische superioriteit van degene die naast u zit. Vijfenzestighonderd kilometer samen in een camper afleggen, op wegen waar men bovendien links rijdt, is op zichzelf al een relationeel experiment van niet geringe omvang. Alleen al het dagelijks juist inschatten van bochten, rotondes, tegenliggers en rijstroken volstaat om een huwelijk óf te verdiepen, óf aan een niet geheel vrijblijvende stresstest te onderwerpen. Laat ons zeggen dat de culturele missie de echtelijke harmonie in hoge mate heeft geholpen. Zonder kunst, erfgoed, interviews, omwegen en haar vaak trefzekere ingevingen hadden wij elkaar misschien ergens halverwege, nog altijd correct en beschaafd, maar toch met enige overtuiging, tussen twee verkeerskegels achtergelaten.
Dank ook aan mijn trouwe camera, die met haar digitale geheugen van één terabyte niet alleen beelden opsloeg, maar als het ware ook tijd conserveerde. Zij werd onderweg meer dan een toestel. Zij was een stille reisgenoot, een tweede blik, een geheugen buiten mijzelf. Wat mijn ogen niet volledig konden vasthouden, nam zij voorlopig in bewaring: licht op water, wolken boven gravelwegen, gezichten, gevels, rituelen, details, die merkwaardige mengeling van groot landschap en kleine menselijke aanwezigheid.
Panorama van Aotearoa #22: Geen afscheid, wel een puntkomma
Maar dat archief zal nog een tweede reis beginnen. Ik kijk ernaar uit mij daar thuis op te sluiten, bijna als een Magnum-fotograaf zonder redactionele deadline, om de beelden te herbekijken, te selecteren, te schrappen, te ordenen, en uiteindelijk te delen met mijn omgeving en met mijn lezers. Niet alles wat men fotografeert verdient een tweede leven. Maar sommige beelden hebben tijd nodig om hun werkelijke gewicht prijs te geven. Misschien begint het echte kijken soms pas nadat men al is teruggekeerd.
En tussen al dat digitale bewaren zit ook één beeld dat zich daaraan bijna onttrekt: het tintype-portret dat Adrian Cook van mij maakte. Dat kleine, donkere, bijna archaïsche object zal ik koesteren als een uniek document in mijn persoonlijke fotogeschiedenis. Niet alleen omdat het mooi is, of zeldzaam, of technisch intrigerend, maar omdat het iets vasthoudt wat digitale overvloed niet kan vervangen: traagheid, materiaal, kwetsbaarheid, aanwezigheid. Alsof de reis zichzelf daar heel even in metaal heeft vastgezet. Ook dat beeld zal ik, op het juiste moment, delen met de getrouwen. Niet als souvenir, maar als een bewijs dat sommige ontmoetingen zich niet laten reduceren tot snelheid of bestandsgrootte.
Dank aan bezieler Gert De Nutte, die dit project van bij het begin heeft gesteund, begrepen en met grote scherpte als eindredacteur heeft begeleid. Dat vertrouwen was van grote waarde. En dank aan de lezers, van wie ik onderweg en nadien zoveel warme, geïnteresseerde en soms ontroerende reacties mocht ontvangen. Ook dat gaf deze reeks betekenis.
En dan is er nog die merkwaardige laatste knipoog van de geschiedenis: op vrijdag 26 juni 2026 speelt Nieuw-Zeeland tegen België op het WK in Vancouver, in BC Place, om 20 uur lokale tijd. België en Aotearoa dus nog één keer tegenover elkaar, niet in theorie maar op een voetbalveld. Alleen al dat beeld maakt het afscheid iets lichter. Alsof het land nog even zegt dat het niet helemaal uit beeld verdwijnt. Alsof de reis nog één laatste echo krijgt in een andere arena.
Dit laatste hoofdstuk schrijf ik dus in The Lookout Lounge van Auckland Airport. Een betere plek voor een afscheid is er nauwelijks: niet meer in het land, nog niet erbuiten. Rondom mij schuiven koffers, schermen, paspoorten, vermoeidheid en verlangen voorbij. Alles is hier tijdelijk, wachtend, losgeraakt. Precies daarom is dit de juiste plek. Ook deze reeks kon alleen zo eindigen. Niet met een brave conclusie, alsof een land zich laat opbergen in een paar keurige inzichten. Wel met frictie. Met restwarmte. Met iets dat nog schuurt. Sommige reizen eindigen niet wanneer men vertrekt, maar wanneer men beseft wat zich onderweg onder de huid heeft gewerkt en daar niet meer weg wil. En soms weet men heel precies waarom een land blijft nazinderen: omdat er niet alleen iets van uzelf achterblijft, maar ook iemand van uzelf.
Na drieëndertig uur onderweg zal ik de herfst van Nieuw-Zeeland achter mij laten. Dat klinkt eenvoudiger dan het voelt. Alsof men een seizoen kan uitdoen zoals een jas. En toch zal ik, letterlijk, iets van dit land meedragen. Gekleed in merken die hier bijna deel van het landschap zijn geworden – Icebreaker, Kathmandu, Macpac – met op het hoofd een pet van Untouched World en met een reep Whittaker’s in mijn tas, alsof zelfs de meest ernstige reiziger toch nog een klein, eetbaar restant van zijn omzwervingen nodig heeft. Dat is natuurlijk het oppervlakkige niveau van de zaak. Wol, een pet, chocolade. Dingen. Maar reizen werkt vreemd. Soms hecht een land zich eerst aan een mens via de kleinste objecten, om daarna pas dieper in hoofd en geheugen door te dringen.
Niet mijn kleren maken de man. Dat weet ik uiteraard ook wel. Maar mijn hoofd heeft mij hier de voorbije maanden wel jonger gemaakt. Of misschien juister: helderder, lichter, beweeglijker, aandachtiger. De zuivere lucht hielp. De wonderlijke natuur hielp. Maar nog sterker waren wellicht de gesprekken. De heerlijke gesprekken. Met kunstenaars, academici, ambachtslieden, diplomaten, onbekenden aan een koffietoog, op een camping, in een dorp waar niets hoefde te worden bewezen en het gesprek daarom juist des te waardevoller werd. Ik heb hier niet alleen anders leren kijken. Ik heb hier vooral opnieuw leren luisteren.
Dat is minder vanzelfsprekend dan het klinkt. Kijken kan nog altijd een vorm van beheersen zijn. Een land bekijken, een cultuur bekijken, een kunstwerk bekijken: daar zit nog iets in van afstand, van classificatie, van het oude Europese voorrecht om de wereld voor zich te laten verschijnen. Luisteren is moeilijker. Wie echt luistert, moet zijn haast opschorten. Zijn gelijk temperen. Zijn begrippen laten wachten. Misschien is dat een van de voornaamste lessen van deze maanden geweest: dat begrip niet begint bij scherp formuleren, maar bij aandachtig toelaten. Niet bij bezit, maar bij ontvankelijkheid. Niet bij de snelheid waarmee men iets benoemt, maar bij de traagheid waarmee men iets laat binnenkomen.
Misschien is dat ook waarom ik, nu ik naar Antwerpen terugkeer, niet alleen uitkijk naar vertrouwde plekken, maar naar een andere manier van thuiskomen. Naar de lente. Naar de bloei van de Japanse kerselaars aan het oude gerechtshof. Naar de verrassingen van de terrasjes, die mij na zoveel weken camper, gravel, wind en baaien vermoedelijk opnieuw zullen overvallen met een bijna vergeten vorm van stedelijke lichtheid. Naar een flat white bij Andy op de Amerikalei, die ongetwijfeld anders zal smaken dan in Māpua, minder oceaan in de lucht, minder lange afstand in de kop, maar misschien juist meer thuis in de nasmaak. Ik kijk ook uit, als oud-directeur van KASKA en HISK, naar de tentoonstelling over de Antwerpse Zes in MoMu. Ook dat vooruitzicht voelt niet als een terugkeer naar routine, maar als een hernieuwde afspraak met een stad die haar eigen verbeelding nog altijd ernstig neemt.
En natuurlijk kijk ik ook uit naar mijn werk als kunstexpert, juist omdat dat werk mij telkens opnieuw herinnert aan iets wat met deze reis verwant is: dat de beeldende kunst, hoe vertrouwd of onderzocht zij soms ook lijkt, nog altijd grote verrassingen in petto heeft. Achter een object, een doek, een archief, een onderschat werk, een verkeerd gelezen naam, een betwiste toeschrijving of een vergeten herkomst kan nog steeds een onverwachte waarheid schuilgaan. Soms verschuilt die zich in een detail dat jarenlang over het hoofd werd gezien. Soms in een provenance die anders moet worden gelezen. Soms in de kwaliteit van de hand, soms in de stilte van een document, soms in een blik die eindelijk nauwkeurig genoeg wordt.
Misschien is ook dat een vorm van reizen, zij het zonder camper en zonder ferry: dat men zich in zijn professionele leven telkens opnieuw laat onderbreken door iets wat groter, ouder, subtieler of raadselachtiger blijkt dan men vooraf had gedacht. Wie lang genoeg in de kunst werkt, weet dat het werkelijk nieuwe zelden schreeuwt. Het komt niet altijd als sensatie binnen. Het dient zich vaker aan als een correctie van de blik, als een verschuiving van inzicht, als het moment waarop een werk zich onttrekt aan de routine van de eerste indruk en zijn werkelijke gewicht begint te tonen.
Juist daarin ligt voor mij nog altijd de aantrekkingskracht van het vak. Niet in de oppervlakkige opwinding van het spektakel, maar in de intellectuele en morele discipline die nodig blijft om een object werkelijk recht te doen. Goede expertise is niet alleen een kwestie van kennis of marktinzicht, maar van aandacht, terughoudendheid, geheugen en durf. De durf om niet te snel te besluiten. De durf ook om, waar nodig, een gevestigde lezing te herzien. Want soms ligt de waarheid in de kunst niet in wat het luidst wordt beweerd, maar in wat lang genoeg weerstand biedt om uiteindelijk overtuigend te worden.
En misschien heeft Aotearoa mij juist daarin opnieuw gesterkt: in het besef dat kijken nooit genoeg is zonder geduld, en dat een geoefend oog alleen werkelijk vruchtbaar wordt wanneer het ook kan wachten, luisteren en zichzelf corrigeren. Dat is in de kunst niet anders dan op reis. Wat zich het diepst openbaart, doet dat zelden meteen.
Daarom voelt dit slot ook niet als een punt, maar als een puntkomma. Niet als voltooiing, maar als een verplaatsing van ritme. Aotearoa is niet af. Het zal dat ook niet worden. Daarvoor is het land te gelaagd, te tegenstrijdig, te mooi en te weerbarstig. Maar misschien hoeft een land ook niet af te zijn om van betekenis te worden. Misschien is het genoeg dat het iets in u heeft losgemaakt wat thuis nog verder zal werken. Een nieuwe manier van kijken, ja. Maar nog meer een nieuwe manier van luisteren.
De roadtrip is voorbij. De tweeëntwintig hoofdstukken stoppen hier. Maar Aotearoa reist mee. In het oog. In het lichaam. In het geheugen. En misschien ook in de manier waarop ik voortaan opnieuw naar Antwerpen, naar kunst, naar mensen en naar stilte zal kijken.
Ik wil deze reeks eindigen met twee fotobeelden die zich gaandeweg in elkaar hebben geschoven.
Eerst was er Taranaki. In het vallende licht lag de berg daar niet alleen als natuur, maar als aanwezigheid. Donker aan de voet, wit op de top, half in wolken gehuld. Tijdens een wandeling vertelde een Māori-vrouw mij haar versie van het verhaal. Pīhanga, zei ze, was de berg om wie alles draaide. Tongariro hield van haar. Taranaki ook. Tongariro won. Taranaki verloor. Gekwetst trok hij weg, westwaarts, tot waar hij vandaag nog altijd staat. Alleen.
Wat mij misschien nog het meest trof, was niet alleen het verhaal zelf. Het was dat zij mij vroeg het mee te nemen. Naar mijn vrienden. Naar mijn familie. Helemaal tot in België. Dat was een vreemde ervaring. Ook een bijzondere. Alsof mij, heel even, iets werd toevertrouwd dat groter was dan een mooi verhaal. Niet om te bewaren als souvenir, wel om het met zorg verder te dragen.
Later hoorde ik dat er verschillende versies van deze geschiedenis bestaan. Misschien is juist dat betekenisvol. Sommige verhalen leven niet doordat ze vastliggen, maar doordat ze worden doorgegeven. Van stem tot stem. Van generatie op generatie. Soms zelfs van een berg in Aotearoa tot een luisterend oor aan de andere kant van de wereld.
Sindsdien kon ik Taranaki niet meer zien als louter een berg. Hij werd ook drager van herinnering. Van verlies, waardigheid en afstand. Van een stilte die niet leeg is.
En dan was er, later, die jongen. Hij vroeg zelf om gefotografeerd te worden op Waitangi Day. Dat alleen al gaf iets bijzonders aan het moment. Alsof hij niet alleen in beeld kwam, maar ook zelf even naar voren stapte. Zijn open blik. Zijn rustige glimlach. Zijn vanzelfsprekende aanwezigheid. Ook hij droeg iets mee. Niet als last. Niet als folklore. Maar als iets levends. Alsof verleden en toekomst in hem niet tegenover elkaar stonden. Alsof wat oud is hier niet verdwijnt, maar in een nieuw gezicht verdergaat.
Misschien raakten die twee beelden mij daarom zo diep. De berg bewaart het verhaal. De jongen opent de tijd. Tussen die twee ligt voor mij iets wezenlijks van Aotearoa: dat de toekomst hier niet begint met vergeten, maar met dragen.
Na drie maanden reizen zou het aanmatigend zijn te denken dat men een land begrijpt. Maar sommige beelden zeggen meer dan een conclusie ooit kan. Een berg, met zijn legende. Een vrouw, die vroeg dat verhaal mee te nemen. Een jongen, die zelf naar voren stapte en zonder woorden vooruitkeek. Daartussen eindigen voor mij deze blogs.
Niet met een samenvatting.
Wel met een beeld.
Een berg die herinnert. Een jongen die vooruitkijkt. Daartussen: Aotearoa.
En omdat ook dát, op zijn stille manier, een vorm van whakapapa is.
Het Vrije Woord
Kunstexpert
_Johan Swinnen -
Meer van Johan Swinnen

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws