Judith Butler
Nick De Clippel
Non-fictie
  • 158 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

12 juni 2024 Wie is er bang voor gender?
Wie is er bang voor Butler? Judith Butler heeft zichzelf non-binair verklaard. Nagenoeg alle recensenten verwijzen dus naar haar met genderneutrale voornaamwoorden, maar uw dienaar vertikt het zich aan die leiband te laten leggen en weigert de taal geweld aan te doen omdat een paar zonderlingen dat zo geweldig vinden. Het weze me vergeven. Of ook niet.
Butler (1956) is een Amerikaanse filosofe en toonaangevend gendertheoreticus. Haar Gender Trouble’(1990) is de heilige schrift van en een absolute referentie voor de genderstudies. In dit (en later) werk propageert de filosofe het radicale standpunt dat gender géén biologische basis heeft. Zelfs sekse heeft die volgens haar niet. Het zijn allemaal sociale constructen of – in haar parler – ‘performances’ die ons opgedrongen worden. Van daaruit pleit ze met betrekking tot identiteit voor volledige zelfbeschikking, fluïditeit en diversiteit. ‘Gender Trouble’ citeert vlot namen als Luce Irigaray, Julia Kristeva, Michel Foucault, Jacques Laplanche, Freud, Lacan, Derrida…  Butler is met andere woorden gepokt en gemazeld in ‘French Theory’. Dat moet kunnen, maar helaas heeft ze daar ook leren schrijven. Wie Butler wil lezen, kan best langzaam met de wijsvinger de lijntjes volgen, want de vreemde gedachtesprongen die gevat zitten in eindeloze neven- en ondergeschikte bijzinnen, zijn vaak nog lastiger dan de Chinese telefoonboeken van een Althusser of Deleuze. Gelukkig werd voor deze uitgave een grote inspanning gedaan en is de tekst vrij leesbaar, in tegenstelling tot wat de recensente van De Standaard afdrukte. Toch staat er hier en daar nog altijd wartaal, maar “misschien is elke taal op zich een vreemde taal, wat zou inhouden dat er eigenlijk geen talen bestaan die niet vreemd zijn.” (blz. 262)
“Ik denk dat we moeten streven naar een wereld waarin de vele relaties die er tot sociale belichaming bestaan leefbaarder worden en waarin mensen in het algemeen meer openstaan voor manieren om gender zonder oordeel, angst of haat te kunnen beleven.” (blz. 268) Met dit standpunt zijn normale mensen het volmondig eens, maar daarmee is voor Butler de kous niet af, want het boek telt 350 bladzijden, waarvan er 30 nodig zijn voor de voetnoten. Vrij academisch dus, al wordt er weinig doorverwezen naar bekende filosofen of main stream wetenschap. Nagenoeg alle geciteerde auteurs zijn feministen of gendertheoretici. Wie is er bang voor gender is dus een boek met een duidelijke kleur.
Bij mijn weten wagen slechts een paar witte raven zich aan een deconstructie van de lgbtqia+-constructie, maar persoonlijk ken ik weinig of geen volk dat nog een probleem heeft met holebi’s, intersekse of zelfs queer. Anders is het gesteld met de opinies over transmensen en non-binairen. Of liever: met het dubbele fenomeen, niet met de belichaamde personen zelf. Maar trans en non-binair zijn nu net de twee issues waar het eigenlijk om gaat, ook in Wie is er bang voor gender al doet Butler alsof dat niet zo is. Allicht is dat een tactiek om meer gehoor te krijgen, maar het is tegelijk haver voor conservatieve en reactionaire krachten die van de weeromstuit de hele letterreeks moeten aanvallen, waardoor het vreemde amalgaam aan beide kanten van de tafel het debat blijft vertroebelen.
Trans en non-binair zijn de twee enige letters die over een radicale antropologische paradigmashift gaan, een shift die gelooft in zowel absolute zelfbeschikking als in de maakbaarheid van de mens. Voor trans is dat laatste letterlijk, voor non-binair gaat het om letters, of beter taal. Sinds J.L. Austin (1911-1960, die Butler enkel in een voetnoot vermeldt) weten we immers dat taal ook een performatieve functie heeft, wat wil zeggen dat men met woorden werkelijkheid kan creëren (bijvoorbeeld: “ik verklaar u man en vrouw,” waarmee we hier refereren aan het huwelijk). Taal heeft uiteraard andere functies, zoals de descriptieve, maar dat lijkt voor Butler compleet irrelevant. Ze breidt de taalfilosofische insteek en het concept ‘gender’ uit naar het antropologische, het sociale en het politieke. Vervolgens koppelt ze dat aan de totale vrijheid van het individu, dat volgens haar gedefinieerd wordt door zelfbepaling, dewelke op haar beurt volledig is ingekleurd door ‘wat men zich voelt’. Vanuit die premissen is het recht op transoperaties een logisch gevolg. Toch beseft Butler impliciet dat zo’n recht alleen zin heeft in een sociale context. Daarom heeft ze het herhaaldelijk over het recht op (terugbetaalbare) ‘medische zorg’ voor transmensen, meebetaald door de gemeenschap, terwijl er helemaal geen medische (!) reden is voor transities.
Er bestaan, als we het over ‘geslacht’ hebben en uitzonderlijke afwijkingen niet meetellen, alleen maar mannen en vrouwen. We zijn, net als andere zoogdieren, een geseksueerde soort. Hebben we het over ‘gender’, dan is er veel meer ‘in heaven and earth, Horatio’ dan past in de filosofie van meneer pastoor. Je kan alleen maar knikken als Butler het opneemt voor een zo groot mogelijke vrijheid, inclusie en gelijkberechtiging en schimpt op haat, geweld en vooroordelen. Alleen gaat haar betoog dus verder dan dat. Waar ‘gender’ terecht opgang maakte als feministisch alternatief voor een patriarchaal, biologisch determinisme en een vrije seksuele beleving, gaat de term bij Butler vooraf aan ‘geslacht’ en wordt de laatste term volstrekt betekenisloos, ofwel een instrument van patriarchale verdrukking. De vrije genderkeuze is het alfa en omega van haar pleidooi. Ze heeft het dan ook rücksichtslos over “vrouwen en andere zwangere mensen.” (blz. 34) Of “vrouwen die vanwege hun penis angst inboezemen”. (blz. 184) Cruciaal in haar betoog is de bepaling van sekse en/of gender bij de geboorte. Sekse wordt niet vastgesteld, maar toegewezen, waarbij andermaal “ […] gender voorafgaat aan de seksetoewijzing (215).” Het is allemaal performatief. “Ex opere operato” zou de katholieke liturgist daarvan maken.
“Gezien het scala aan vermogens, verlangens en genderidentiteiten is het onlogisch om een specifieke (biologische, ndc) aanleg als maatstaf voor gender aan te wijzen. Die aanleg zou nooit mogen dienen als enige of fundamentele criterium voor het vaststellen van gender.” (blz. 197) Wat Butler er niet van weerhoudt die aanleg helemaal van tafel te vegen en zelfbeschikking, “de geleefde realiteit” (blz. 212) of “de intiem lichamelijk ervaring” (blz. 287) als enig en fundamenteel criterium naar voor te schuiven.
Wie hier niet in meegaat, volgt volgens Butler een fascistische antigenderideologie gebaseerd op het overtrokken fantasma (sic) van een monsterlijk gevaar voor de samenleving. De term ‘ideologie’ met negatieve connotatie is gereserveerd voor de a priori extreemrechtse contra’s, terwijl de eigen genderideologie wordt opgetuigd als categorische imperatief.
Wie is er bang voor gender telt 10 hoofdstukken, een inleiding en een conclusie. Een eerste hoofdstuk schetst het wereldtoneel met betrekking tot het genderdebat: het gaat slecht, want een bedriegend en bedreigend antigenderfascisme roert overal de trom. Dan volgt een aanval op de positie van het Vaticaan waaruit blijkt dat Rome conservatief en zelfs reactionair is. “Is de paus katholiek?” vraagt de lezer zich af. Omwille van de nationale trots vertel ik er graag bij dat Butler in dit hoofdstuk twee Belgische sleutelfiguren (sic) – Marguerite Peeters en Michel Schooyans – vermeldt. Die kennen we hier allemaal.
Hoofdstukken drie en vier focussen op de Verenigde Staten en meer bepaald (maar niet exclusief) op de Trump-administratie. Lectuur maakt duidelijk dat het debat zich over de plas in grote mate concentreert op de transproblematiek en de officialisering van de vrije genderkeuze. Zoals gezegd wordt dit verhuld door het steevast over lgbtq-ers te hebben. Die zouden volgens het boek geen recht hebben op juridische bescherming, wat uiteraard niet waar is, tenzij juridische bescherming betekent dat wetten op maat van de genderideologie geschreven worden. Of dat gebeurt hangt af van het stemhokje en soms van het Hooggerechtshof. Dat laatste is inderdaad erg conservatief sinds ‘the Donald’ het naar zijn hand zette en het verdient alleen al daarom een flinke veeg uit de pan. Drie en vier zijn, net als Butler, erg Amerikaans. Dat neemt niet weg dat er veel gelijkenissen zijn, maar de uitgewerkte details zijn voor de Europese lezer niet altijd relevant.
Hoofdstuk 5 rekent af met ‘terfs’ (trans-exclusionary radical feminist), zoals J.K. Rowling of Kathleen Stock. Terfs argumenteren dat transvrouwen nooit echte vrouwen zijn en daarom beter geen toegang mogen krijgen tot vrouwentoiletten en dat ze niet thuishoren in de feministische gelederen. Verder lijkt me dat Butler de opinies van de tegenpartij niet altijd correct weergeeft en valt het op dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen transmensen die wel of niet chirurgisch ‘genderbevestigd’ zijn. Als Stock argumenteert dat neurowetenschappers aannemen dat het brein vanzelf twee seksen onderscheidt, is het enige tegenargument van Butler een sarcastisch: “Daar sta ik van te kijken.” (blz. 172)
Hoofdstukken 6 en 7 gaan respectievelijk over sekse en gender. Dat zou informatief moeten zijn, maar het gaat geregeld uit de bocht. Op blz. 196 stelt de auteur dat sommigen “het bestaan van intersekse ontkennen”. Is dat zo? Een paar bladzijden verder worden het recht op abortus en het recht op sekseaanpassing gelijkgesteld. Die twee debatten hebben wel wat raakpunten, maar verschillen op essentiële punten. Op blz. 216 lezen we dat Anne Fausto-Sterling hoogleraar biologie, celbiologie en biochemie is, maar een blik op Wiki leert dat ze toch vooral bekend staat als seksuologe en genderactiviste en dat ze onder biologen weinig krediet heeft. Toch heeft Butler het over een “groot aantal wetenschappers” die aan haar kant zouden staan.
Speciale aandacht gaat naar transvrouwen in de sport. “De angst dat transvrouwen alles zullen winnen” strookt niet met de feiten, vertelt de schrijfster, maar “transvrouwen domineren niet, want ze zijn ondervertegenwoordigd”. Principes en actualiteiten van plaats te verwisselen is niet helemaal eerlijk, maar erger is dat de vrije genderkeuze hier wel degelijk specifieke problemen oplevert die door haar straal worden genegeerd.
Om het nature/nurture-debat te beslechten, introduceert hoofdstuk 8 het concept van co-constructie, maar dit wordt nauwelijks ontwikkeld. Waarschijnlijk omdat met het samenspel van natuur en cultuur vooral een open deur wordt ingetrapt.
De volgende brok heeft als titel ‘Raciale en koloniale erfenissen van genderdimorfie’. Dat wordt een verplicht nummer, want jawel “het dimorfe ideaalbeeld van gender is teruggevoerd op koloniale macht en slavernij.” (blz. 242) Genderongelijkheid is in Afrika ingevoerd door missionarissen. (blz.256) ‘Le noble sauvage’ van Rousseau was misschien geen non-binair, maar hij zal er zeker niets op tegen hebben gehad. Hier en elders leert Butler ons dat gendergelijkheid, dekolonisering, BLM, Critical Race Theorie, de strijd tegen klimaatopwarming, neo-liberalisme en fascisme allemaal samen horen. Ze besluit daarom met een pleidooi voor een breed front dat vecht voor een betere wereld waarin iedereen met betrekking tot gender haar mening deelt.
We vergeten bijna Hoofdstuk 10. Dat is geïnspireerd op Derrida en zal graag (?) gelezen worden door vertalers en tolken. ‘Gender’ is immers een Engels woord dat niet altijd restloos te vertalen valt. Bovendien heeft Engels als imperiale taal (sic) een geschiedenis van “binnendringen”. (blz. 263) Er is dus nood aan meertalige, alternatieve epistemologieën om lokale talen te behouden.
Na de conclusie is duidelijk dat de zwakke punten van extreemrechtse en andere opponenten gemakkelijk te weerleggen zijn (al illustreert Butler dat moeilijk altijd een optie blijft). Lastiger wordt het als men op zoek gaat naar de sterke argumenten van de tegenpartij. Die laat Butler dus onaangeroerd. Dat een doorgedreven gendertheorie haar eigen aporieën creëert, lijkt niet tot haar door te dringen. De relativiteit van alles maakt onvermijdelijk ook dat standpunt relatief. Dat verandert niet als je dat ‘performativiteit’ noemt. Als er geen essentie is achter of onder gender dan heeft ook de vrije keuze geen enkele grond, behalve de vrijheid van het luchtfietsen. Dat kan best fijn zijn voor het individu, maar het maakt een stabiele consensus over wat het is een mens te zijn wel wat lastiger en daarom ook het samenleven, de sociale relaties en traditionele verbanden. Het ontgaat de filosofe ook dat een performatieve daad, zoals het huwelijk, pas realiteit wordt als de gemeenschap die draagt. Dat een meerderheid of een breed gedragen consensus ook een stem in het kapittel heeft, is onbelangrijk.
Wat mij betreft zijn er ultiem evenveel genders als mensen en beleeft iedereen zichzelf zo vrij en vrolijk als mogelijk, maar de vraag is niet hoeveel genders er zijn, maar wat het antwoord wel of niet impliceert. Welk getal heeft een draagvlak? Impliceert het antwoord een recht of een verbod op transbevestigende operaties? Heeft alleen het individu of de gemeenschap baat bij de officiële erkenning van een derde geslacht. Is dat überhaupt ergens voor nodig? Hoever spring je met iets dat volgens Butler zelf geen essentie heeft?
Het hele debat doet soms denken aan de strijd tussen nominalisten en realisten in de middeleeuwen, of die tussen realisten en idealisten in de 18e eeuw. Zoals het spreekwoord zegt, gaat elke vergelijking mank, maar het gaat toch weer over hoe overtuigingen zich tot de realiteit verhouden, waarbij de realiteit steeds weerbarstiger blijkt dan Horatio zou willen.
Judith Butlers eruditie is groot en haar argumenten tegen genderfobie zijn vaak scherp, net als haar kritiek op rechts. Toch is haar betoog eenzijdig en niet altijd even fair. Wie is er bang voor gender is vooral een lijvig, moeilijk en onverzettelijk pamflet tegen al wie het niet eens is met extreem gendergeloof. Ondanks veel intellectuele panache en geredeneer zijn de voornaamste argumenten niet veel meer dan de ranzigheid van extreemrechts enerzijds en de stellige overtuiging van het eigen gelijk anderzijds.

Nick De Clippel
Dit boek werd eveneens gerecenseerd door Karel D'huyvetters.
Judith Butler
Nick De Clippel
Non-fictie
Nick De Clippel is master in de filosofie (KULeuven). Hij is auteur van het boek 'Waarom Jezus van school werd gestuurd (en Mohammed ook)', dat onlangs verscheen in de publicatiereeks van Kwintessens. Hier kan u een recensie lezen.
_Nick De Clippel -
Meer van Nick De Clippel

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies