1 februari 2026
Wat we kunnen weten
Ik zou deze recensie graag willen beginnen met de epigraaf en drie korte passages uit het eerste boekdeel, samen markeren ze meteen het spanningsveld.
Het betreft de soort menselijke waarheid, ergens tussen feit en fictie in, die een biograaf kan creëren wanneer hij andermans levensgeschiedenis vertelt, waardoor hij haar zowel tot zijn eigen geschiedenis maakt (zoals bij een vriendschap) als tot die van zijn lezers (als een daad van verraad). Ze stelt de vraag naar wat we kunnen weten, wat we kunnen geloven en uiteindelijk naar wat we kunnen liefhebben.”
— Richard Holmes, Dr Johnson & Mr Savage (1993)
— Richard Holmes, Dr Johnson & Mr Savage (1993)
“Die nacht sliep ik voortreffelijk in mijn kamer, die veel weg had van een cel, en het stoorde me niet, zoals het dat bij mijn eerste bezoek wél had gedaan, dat ik een badkamer moest delen met zeven anderen. Na het ontbijt bracht een van de assistent-archivarissen, Donald Drummond, me naar mijn studieplek. Zijn afdeling behelsde mijn tijdvak, 1990–2030, en hij had veel belangstelling voor mijn onderwerp, het ten onrechte zo genoemde ‘Tweede Gastmaal der Onsterflijken’ en het beroemde verloren gegane gedicht ‘A Corona for Vivien’ (Een lauwerkrans voor Vivien) van Francis Blundy.” (pagina 9)
“En zo is de discussie blijven voortsukkelen en is de roem van die avond bij de Blundy’s door de jaren heen gegroeid, terwijl steden, landschappen en instellingen zijn ondergelopen of weggekwijnd. Maar heel veel gegevens, het ene nog onbenulliger dan het andere, hebben de tands des tijds weerstaan. We zouden eronder bedolven raken. Veel onderzoekers zijn bezweken onder het gewicht van triviale feitjes.” (pagina 21)
“Vorig jaar wees een alom gerespecteerde literatuurwetenschapper er ten overvloede op dat Vivien en Francis Blundy even ver in tijd van ons verwijderd zijn als Oscar Wilde dat was van de Blundy’s.” (pagina 26)
Ziezo.
Wat we kunnen weten speelt zich af in 2119, in een wereld die is gevormd door wat in de roman de Omwrichting en de Overstroming heet. Grote delen van Engeland zijn verdwenen onder water; het land bestaat nog uit een halfvergeten archipel. De wereldbevolking is sterk afgenomen na decennia van tsunami’s, tactische kernoorlogen, pandemieën en hongersnoden. Die omstandigheden worden niet uitgesponnen. Ze vormen de achtergrond waartegen het verhaal zich afspeelt. De samenleving functioneert, maar met beperkte middelen en met een sterk verarmde toegang tot het verleden. Archieven zijn fragmentarisch. Documenten zijn incompleet. Wat men weet over vroegere tijden circuleert via secundaire bronnen, herinneringen en reconstructies. Internet bestaat nog, maar is afhankelijk van datacenters buiten Europa. Informatie is beschikbaar, maar zelden controleerbaar.
Tegen die achtergrond volgt de roman Tom Metcalfe, literatuurwetenschapper aan de Universiteit van de South Downs. Metcalfe houdt zich bezig met een tekst uit het begin van de eenentwintigste eeuw: een sonnettenkrans van de dichter Francis Blandy, in 2014 één keer mondeling voorgedragen en daarna spoorloos verdwenen. Er bestaan geen manuscripten en geen opnames. Wat rest zijn verwijzingen, getuigenissen en commentaren. Metcalfe noemt zijn zoektocht zelf “de biografie van een niet-bestaand werk, waarvan de reputatie was blijven voortbestaan”. Hij weet dat zijn onderzoek rust op aannames en vermoedens, maar hij blijft ervan overtuigd dat de tekst ergens moet bestaan. Die overtuiging wordt nooit bevestigd. Ze wordt ook niet ontkracht.
De roman laat zien hoe interpretaties ontstaan wanneer bronnen ontbreken. Wat niet meer beschikbaar is, wordt gewoonweg aangevuld. Wat onduidelijk is, krijgt betekenis toegeschreven. Reputaties circuleren zonder tekst. Verhalen blijven bestaan zonder grond. De lezer krijgt geen houvast aangereikt om dat proces te corrigeren. Wat eenmaal is geïnterpreteerd, blijft circuleren. De toekomst maakt het mogelijk om met afstand naar onze tijd te kijken. Studenten van Metcalfe spreken over het begin van de eenentwintigste eeuw als een periode van “stompzinnige hebzucht” en “smakeloze kunst”. Metcalfe zelf kijkt genuanceerder. Hij ziet naast de vernietiging ook de prestaties: de beschrijving van het menselijk genoom, de uitvinding van het internet, de lancering van een gouden telescoop diep de ruimte in. Hij is niet blind voor de desastreuze gevolgen van onze levensstijl, maar weigert om het verleden tot karikatuur te reduceren.
De roman besteedt weinig aandacht aan politieke structuren of technologische ontwikkelingen. Die blijven op de achtergrond. Wat centraal staat, is de omgang met informatie, herinnering en onzekerheid. De toekomst wordt niet gebruikt om vooruitgang of verval te illustreren, maar om zichtbaar te maken hoe kennis functioneert wanneer verificatie beperkt is. De roman laat zien hoe interpretaties ontstaan wanneer bronnen ontbreken. Wat niet meer beschikbaar is, wordt aangevuld. Wat onduidelijk is, krijgt betekenis toegeschreven.
Halverwege verschuift het perspectief naar Vivien Blundy, de vrouw van de dichter. Haar verhaal ondergraaft eerdere aannames. Wat vast leek te staan, wordt opnieuw onzeker. Die verschuiving corrigeert niet één specifieke lezing, maar laat zien hoe afhankelijk kennis is van perspectief en bron. Waarheid verschijnt niet als geheel, maar als iets gefragmenteerds. De lezer krijgt geen houvast aangereikt om dat proces te corrigeren. Wat eenmaal is geïnterpreteerd, blijft circuleren.
In verschillende passages kijkt McEwan met ironie naar onze omgang met technologie. Wie zijn geheimen wil bewaren, zo luidt een van de observaties, doet er goed aan ze niet toe te vertrouwen aan toetsenbord en scherm. Elders wordt opgemerkt dat “we het verleden van zijn privacy hebben beroofd”. Zulke zinnen passen in een bredere reflectie op informatie, controle en transparantie.
De roman bevat ook kritiek op academische en culturele ontwikkelingen van onze tijd. Er wordt gesproken over universiteiten die hun positie verliezen, over disciplines die gemarginaliseerd raken, over interne twisten die meer energie opslokken dan ze opleveren. Die passages zijn herkenbaar en soms scherp, maar blijven ingebed in het verhaal.
Literatuur verschijnt in Wat we kunnen weten niet als verheven domein, maar als iets dat afhankelijk is van overdracht en zorg. Teksten bestaan alleen zolang ze worden gelezen, bewaard en doorgegeven. Wanneer die keten wordt onderbroken, blijven er fragmenten over. Poëzie wordt genoemd als een vorm die de mens lang heeft gediend, maar niet onaantastbaar is. Ook hier geen nostalgie, geen pleidooi, alleen vaststelling. De roman laat zien hoe interpretaties ontstaan wanneer bronnen ontbreken.
De stijl van de roman is helder en gecontroleerd. McEwan schrijft zonder opsmuk en zonder experimenteerdrift. Ironie en humor zijn aanwezig, maar spaarzaam. De toon blijft beheerst, soms afstandelijk. De roman vermijdt grote gebaren en laat conclusies aan de lezer.
Helemaal aan het einde van het boek wordt Albert Camus genoemd, de Franse existentialistische schrijver van onder meer L’Étranger en La Peste.
“Maar voor ik daaraan begon, pakte ik Martha’s inleiding bij de door haar bezorgde wetenschappelijke uitgave van de non-fictie van Albert Camus. (…) Ze richtte zich met name op ‘De kunstenaar en zijn tijd’, een lezing die Camus in 1957 in Uppsala had gegeven, kort nadat hij de Nobelsprijs had ontvangen. Daarin haalde Camus met instemming een uitspraak van Gide aan: ‘L’art vit de contrainte et meurt de liberté.’ Kunst leeft door beperking en sterft door vrijheid, waarbij werd gedoeld op de beperkingen die de kunstenaar zichzelf oplegt. (…) Even verderop de pagina haalt Martha zijn reactie aan: ‘L’art le plus libre, et le plus révolté, sera ainsi le plus classique.’ De meest vrije, revolutionaire kunst zal daarom de meest… klassieke zijn.” (pagina’s 255-256)
Die verwijzing naar Camus wordt niet verder uitgewerkt en krijgt eigenlijk ook geen verklarende functie. Al is het opmerkelijk hoe dicht McEwan op stilistisch vlak naar mijn aanvoelen soms in Camus’ buurt komt — in de precisie van zinnen, in de heldere stijl of in de terughoudende toon en door het uitblijven van al te grote gebaren. Tegelijk hanteert hij steeds weer opnieuw zijn eigen bodemloze registers. Deze referentie werkt dus perfect als een doelbewuste stijlverwijzing, niet als een alles oplossende passe-partout.
De roman eindigt dan ook zonder synthese, zonder besluit. Wat we kunnen weten kijkt per slot van rekening vanuit een denkbeeldige toekomst onverbloemd terug naar onze tijd. Het boek toont ons hoe kwetsbaar kennis is wanneer archieven verdwijnen en overdracht faalt, en hoe gemakkelijk interpretaties zich verankeren wanneer controle ontbreekt. Zonder moralisme en zonder programmatische uitspraken laat McEwan zien wat er op het spel staat wanneer zekerheid niet langer vanzelfsprekend is.
Mijn conclusie
In Wat we kunnen weten verplaatst Ian McEwan het perspectief naar het jaar 2119, niet om futuristische zekerheden te bieden, maar om afstand te scheppen tot onze eigen tijd. Vanuit die afstand onderzoekt hij wat er overblijft van herinnering, literatuur en betekenis wanneer archieven verdwijnen en kennis fragmentarisch wordt. De roman stelt geen geruststellende vragen: wat weten we werkelijk van het verleden, en hoeveel daarvan is reconstructie, verlangen of projectie?
McEwan kiest bewust voor een bedachtzaam tempo en een intellectueel geladen vertelling. De zoektocht naar een verloren gedicht fungeert minder als klassieke intrige dan als denkoefening over interpretatie, verlies en de kwetsbaarheid van cultuur. Niet alles is emotioneel even scherp uitgewerkt, maar juist die koele beheersing past bij de thematiek: inzicht is voorlopig, waarheid nooit volledig.
Deze roman vraagt om aandachtig lezen. Wie bereid is mee te denken in plaats van meegesleept te worden, vindt hier een boek dat kritisch reflecteert op vooruitgang, geheugen en menselijke maat — zonder moraal, maar ook zonder ironische vlucht. openlaat en verantwoordelijkheid niet uitbesteedt. In die zin sluit Wat we kunnen weten naadloos aan bij een humanistische leeshouding die vragen openlaat en verantwoordelijkheid niet wegneemt, maar zichtbaar maakt. Het is een roman die vraagt om lezing, niet om samenvatting.
Zelden las ik een roman die zo lang bleef doorwerken. Ik geef hem dan ook graag vijf welverdiende sterren mee...
Benny Madalijns