9 mei 2026
Van hier de laatste groeten - Briefkaarten uit de trein 1940-1945
Auteur Lucas Ligtenberg werkte jarenlang als correspondent voor NRC in New-York. Hij was ook verbonden aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Zijn verblijf in New-York was een inspiratiebron voor zijn boek “De nieuwe wereld van Peter Stuyvesant, New-York” (1999). Hij schreef ook een werk over de zelfmoorden van 1940 onder de titel “Mij krijgen ze niet levend” (2007).
Meer dan tachtig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is blijkbaar alles er nog niet over verteld of geschreven. Auteurs vinden nog steeds stof voor nieuwe boeken met nieuwe inzichten.
Gedurende de oorlog werden er ongeveer 700.000 Nederlanders naar Duitsland gedeporteerd. Honderdduizend daarvan waren Joden die meestal via het doorgangskamp Westerbork naar Duitse concentratiekampen afgevoerd werden, hoofdzakelijk naar de vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor, waar de meesten bij aankomst vermoord werden.
Het grootste deel van de gedeporteerden betrof verzetsstrijders, gegijzelden, strafrechtelijk veroordeelden en vooral, op het einde van de oorlog, jonge mannen, die al of niet vrijwillig, gehoor gaven aan de verplichte tewerkstelling in Duitsland. In het laatste oorlogsjaar werden bij razzia’s honderdduizenden jonge mannen opgepakt uit vrees dat zij zich bij de bevrijding bij de Geallieerden zouden aansluiten.
Voor velen kwam de deportatie totaal onverwacht. Zij hadden niet de gelegenheid afscheid te nemen van hun familie en geliefden. Om daar enigszins aan te verhelpen krabbelden zij in de rijdende trein nog enkele afscheidswoordjes op een stukje papier en wierpen het uit de trein zolang die nog op Nederlandse bodem reed. Nederlanders die aan de spoorweg woonden verzamelden deze briefjes en poogden ze over te maken aan de bestemmelingen. Dit was niet zonder gevaar aangezien de bezetter dit verbood.
De meeste briefjes gingen wel verloren of werden opgeraapt door de Duitsers en hun collaborateurs. Een minderheid bereikte de bestemmelingen en werd door hen zorgvuldig bewaard. Het waren vaak de laatste levenstekens van mensen die hun dood tegemoet spoorden.
Nu ook de meeste bestemmelingen overleden zijn vonden een aantal van deze berichtjes hun weg naar diverse musea en archieven. Dit verschafte de auteur de kans een onderzoek in te stellen naar deze onderbelichte vorm van ultieme communicatie tussen gedeporteerden en familie.
De inhoud van de berichten is erg divers. Het is een weerspiegeling van de gemoedstoestand van de gedeporteerden. Vaak komt hun angst en onzekerheid tot uiting. Sommigen lijken meer te weten over het lot dat hen opwacht. Zo schrijft een jong meisje aan haar vriendin: “Hannie, we zullen elkaar nooit meer zien”. Het is een “dag voor eeuwig”.
Anderen spreken zichzelf en hun familie moed in: we zullen tewerkgesteld worden volgens ons beroep; van hard werken gaat niemand dood (!); we zullen wellicht vrienden en familie ontmoeten; we zullen ons flink en goed houden, houden jullie zich ook maar goed.
Tot op heden is niet geweten in hoeverre de overheid en de bevolking op de hoogte waren van de vernietigingskampen. Sommigen hadden wel iets gehoord over gaskamers maar geloofden het niet. Dergelijke gruwel hielden ze niet voor mogelijk. Het werd afgedaan als gruwelpropaganda. In 1942 berichtte de BBC wel over vergassing maar bijzonderheden en de schaal waarop bleven uit.
De Nederlandse Spoorwegen functioneerden gewoon verder gedurende de oorlog tot op het einde van 1944, toen zij de Duitsers bij de bevrijding wilden verhinderen hun troepen over het spoor te verplaatsen. Zij werkten zonder enig voorbehoud mee aan de deportatie van honderdduizenden landgenoten. Zonder hun hulp zou een deporatie op deze schaal niet mogelijk geweest zijn. Ze waren een gewillig werktuig in de vernietigingsoperatie van de Duitsers. Pas in 2005 boden zij excuses aan en betaalden sedertdien ook schadevergoeding aan nog levende gedeporteerden.
De berichtjes die de slachtoffers uit de trein wierpen waren, op de rand van de dood, de ultieme communicatie met hun familie. Hoe intrigerend ook, ze kregen tot op heden weinig aandacht en waren ook geen voorwerp van uitgebreid onderzoek. De auteur heeft de verdienste deze hartverscheurende uitingen van liefde, vertrouwen en bezorgdheid te bundelen in een vlot leesbaar boek. Het vervolledigt verder het beeld van de gruwelijke en onvoorstelbare holocaust.
De auteur voegt bij haar werk als bijlage een lijst van alle bekende uit de trein gegooide berichtjes over de periode 1940-1945 met vermelding waar deze stukken terug te vinden zijn. Dit kan wellicht zijn nut hebben voor familieleden en kennissen van de slachtoffers of voor onderzoekers, maar de modale lezer zal deze 50 pagina’s wellicht ongelezen laten.
Ignace Claessens