13 oktober 2026
Tegen het Westen: in gesprek met onze vijanden
Frédéric Martel is een internationaal bekend journalist/schrijver. In Frankrijk is hij in zijn vroege loopbaan nabije medewerker geweest van vooraanstaande politici van socialistische signatuur (o.a. Michel Rocard en Martine Aubry). Hij is in eerste instantie bekend geworden door zijn ophefmakend boek ‘Le rose et le noir’, een geschiedenis van de lgbt-beweging in Frankrijk sinds de jaren ‘60. Vandaag verkoopt zijn boek ‘Tegen het Westen’, dat ik hieronder bespreek, ook weer goed.
Frédéric Martel brak internationaal door met het boek Sodoma: enquête au cœur du Vatican. Inmiddels meer dan 20 keer vertaald, zou het aantonen dat een aanzienlijke meerderheid van priesters en bisschoppen in het Vaticaan homoseksueel (zouden) zijn en dat sommigen niettemin virulente anti-homo prietpraat niet schuwen. Zoals Mark Eyskens het zei: zij beoefenen de achtste deugd, die van de hypocrisie. Steve Bannon zou een poging ondernomen hebben het boek te laten verfilmen met ene Jeffrey Epstein als executive producer, noblesse oblige. Het was de bedoeling paus Franciscus tot aftreden te dwingen. Martel heeft nooit met het project ingestemd.
Zijn nieuwste boek Tegen het Westen, boeiend en leesbaar, is vooral een stoet van moordzuchtige, kleptomane tegenstanders/vijanden/haters van het vrije, het beschaafde, het verlichte "Westen", precies wat er op de verpakking staat. Zowel dat "Westen" als haar "Antagonisten" blijven ongedefinieerd, wellicht omwille van de complexiteit en verscheidenheid die in beide begrippen besloten liggen, inclusief schaamteloos opportunistische "deals" zoals die tussen Poetin en Trump. Ook hieronder zullen we het dus moeten zien te rooien met wat het "buikgevoel" ons zegt over links en over rechts, over het Westen en over de rest.
Het boek gaat alvast uit van een deels valse premisse, namelijk dat onze vijanden/tegenstanders zich tegen ons hebben gekeerd. In werkelijkheid hebben wij er een flink aantal zelf tegen ons in het harnas gejaagd. Gekwetste nationale trots van vergane koloniale gloriën en particuliere financiële belangen speelden hierin vaak een hoofdrol. Hier en daar stonden ook nog historische rekeningen open, doorgaans gelieerd aan ons weinig verlicht (post)-koloniaal beleid. Wij hebben zeker een aantal landen afgestoten die zich communistisch durfden te noemen (of die wij meenden van dat etiket te moeten voorzien).
Het zegt beslist iets over onze eigen "voorbeeldige" sociaaleconomische machtsverhoudingen dat wij ons oh toch zo bedreigd moesten/wilden voelen door die aanzienlijk armere landen met hun kreupele economieën. Het Castro-Cuba, maar ook het Ho-Vietnam, zijn voorbeelden van landen waarmee het Westen best ordentelijke relaties had kunnen onderhouden, indien we dat zelf hadden gewild, zoals we min of meer normale relaties bleven en blijven onderhouden met minstens even schaamteloze rechtse dictaturen. Hoe de relatie China-Westen evolueerde eens het ijs tussen Nixon en Mao brak voelen we elke dag meer, positief en negatief.
Over veel overwegend islamitische landen van het Midden-Oosten kunnen we gerust zeggen dat we hen zelf de middelen en de motieven gegeven hebben om zich van ons af te keren. Een eeuwenlang sudderende religieus-politieke rancune was er een vruchtbare bodem voor, verrijkt door een zeer ondoordachte opdeling van het ex-Ottomaanse rijk na WO I. De middelen kwamen uit onze mateloze en corrumperende verslaving aan het opstoken van hun olie, waarmee, enigszins door dat toeval gediend, fanatiek religieuze strekkingen herleefden en politiek her en der de bovenhand kregen. De motieven, tegelijk gemakkelijke excuses voor hun eigen intern politiek falen, vonden deze landen in onze onvoorwaardelijke door-dik-en-dun verdediging van Israël, dat we dan bovendien ook nog in onze etalage zetten als onze "unsinkable aircraft carrier" in de regio.
Indien niet uit hemzelf, maar dan toch via de gesprekspartners van de schrijver, klinkt doorheen het hele hoofdstuk over het Midden-Oosten de roep om de niet aflatende misère daar zoveel mogelijk aan de deur van de Islam en de islamisten te leggen. De islamitische wereld slaagt er keer op keer wel degelijk in leiderschap te ontwikkelen dat hoog scoort op de schaal van schijnheiligheid en boosaardigheid. Verschilt dat van de tirannie die "christelijk" geïnspireerde westerse leiders eeuwenlang op de wereld hebben losgelaten? Modern is het zeker niet.
Maar treft dat even slecht, zeg, dat uitgerekend de Palestijnse bevolking nog steeds één van de minst religieus geobsedeerde in de regio is, zelfs in acht genomen de deels religieus deels nationalistisch gemotiveerde wandaden van Hamas, tegen Israëli's en tegen Palestijnse medeburgers tegelijk. En passant worden verdedigers van de Palestijnen, Edward Saïd (voor zijn ideeën) en Yasser Arafat (voor zijn leiderschap), nogal unfair afgehandeld. Er wordt wel aan toegevoegd dat diverse gesprekspartners suggereren dat Israël zich de facto en op een complexe en onzekere manier ook van het Westen aan het losmaken is, daartoe aangezet door haar drang haar zionistische singulariteit te beleven in territoriale uitbreiding. Dat kan op steeds minder bijval rekenen in het Westen. Zo vertoont het hoofdstuk ook de beklemmende ambiguïteit die de situatie daar kenmerkt.
Het hoofdstuk over Venezuela illustreert nog maar eens dat "power tends to corrupt and absolute power corrupts absolutely. Great men are almost always bad men", zoals Lord Acton het al in de 19de eeuw samenvatte. Er is heel weinig twijfel over dat eerst Chavez en daarna vooral Maduro niet per se gehandeld hebben in het belang van het land en al helemaal niet van het volk, wiens mening ze eigenlijk nooit ordentelijk gevraagd hebben. Latijns-Amerika heeft trouwens een lange geschiedenis van leiders die onder die definitie vallen. Chavez is in elk geval een lange tijd wel bijzonder populair geweest en is dat zichtbaar nog steeds. Maar zoals in de aanvallen op Castro en C° eerder in het boek moet de auteur ook hier weer vertrouwen op getuigenissen van oorspronkelijke medestanders van die leiders waarmee ze op één of andere manier later gebrouilleerd zijn geraakt, gekoppeld aan de persoonlijke observatie in situ dat het economisch wel heel bar slecht gaat met Cuba. Een revelatie! Prominente gesprekspartners ontkennen bij hoog en bij laag dat de strenge en langdurige economische en financiële boycot door de USA hierbij een voorname speelde en speelt. Daarover zijn er legio andere meningen, maar niet in het boek.
Waarom wordt Le Monde Diplomatique uitgerekend hier bladzijden lang weggezet als naïeve extreem-linkse dweperij? Zou het zijn omdat het internationaal hooggewaardeerd maandblad voor internationale politiek meer dan gemiddeld standpunten inneemt vanuit de optiek van armere landen en zo dus eerder de kant schijnt te kiezen van de "linkse" figuren die er soms aan de macht komen? Ik ben geen courant lezer van "Diplo". Misschien doen ze dat dan wel te lang en te kritiekloos nadat die, zoals Castro en Chavez/Maduro, uiteindelijk ontsporen in hun economische politiek en respect voor fundamentele mensenrechten. Journalisten zijn mensen en dus net als supporters in de sport: het is moeilijk afscheid te nemen van je idolen ook wanneer blijkt dat ze toch ook aan de verboden middelen hebben gezeten.
Het geval Venezuela bevestigt ook onze volkswijsheid dat het dragen van weelde sterke schouders behoeft. Het is heus niet het enige land dat de "rente", die een wereldwijd gegeerde grondstof opbrengt, moeiteloos weet te verkwanselen, inclusief om zich heen grijpende corruptie. Er zijn maar weinig Noorwegens die de moed hebben hun "onverdiende" minerale bonus politiek en economisch te steriliseren. Voormalige koloniën zijn bovendien nog steeds veel kwetsbaarder in hun zwakke politiek structuren, die al te vaak in handen zijn gevallen van een minuscule lokale scrupuleloze elite, om Congo niet te noemen. Die kliekjes maken nog steeds dankbaar gebruik van de structuren en systemen die de kolonie heeft achtergelaten en die waren, per definitie, geheel gericht op de behoeften van de toenmalige even minuscule buitenlandse bovenlaag. Dat geldt voor linkse en rechtse regimes ongeveer in gelijke mate.
Samengevat: er is een elkaar argwanende symbiose tussen hun en onze elites. Het beleid van Trump is daar een kwalijke illustratie van. "Trump heeft de vrije wereld ten grave gedragen met zijn protectionistische obsessie", zoals M. Ignatieff het correct stelde in een recente bijdrage in De Morgen. Deze mogelijkheid wordt nergens in het boek van dichterbij bekeken.
't Is waar, in het Westen hebben de meeste landen, met vallen en opstaan, blijkbaar een middel gevonden om absolutisme zo niet te vermijden dan toch aan de leiband te houden, en respecteren ze min of meer de verschillende ronkende internationale verklaringen die op ons initiatief zijn tot stand zijn gekomen na WO II. We weten (en beseffen?) dat de westerse democratische politieke organisatie en haar markteconomisch systeem, en daardoor haar sociale systemen, kwetsbaar zijn voor aanvallen, zowel van buiten- als van binnenuit, door zij die niet volgens "die regels" willen spelen. Een afdoende bescherming wordt langs alle kanten gezocht maar is vooralsnog blijkbaar niet gevonden. Wordt "het Westen" straks één grote Weimar-republiek?
We denken niettemin van onszelf blijkbaar nog steeds dat we onze zaakjes nog altijd keurig voor mekaar hebben. Dat schijnt ons de moed en het recht te geven met de vinger te zwaaien en anderen de levieten te lezen. In dit geval met een dikke knuppel van een boek in de hand. Maar als één "van de onzen" op korte tijd in een apartheidsstaat verandert met duidelijke koloniale en zelfs genocidaire kenmerken dan is het toch nog gauw vooral "oogjes dicht en snaveltjes toe". Dit soort halfslachtige hypocrisie is een bedreiging, ook voor onszelf.
Als er al een besluit te trekken valt uit het boek dan wel dat de "westerse" waarden, zoals neergelegd in, al bij al zeer recente, internationale conventies ongeveer wereldwijd als vuurtoren aanvaard worden, helaas vaak meer met woorden dan met daden. Maar moeten we dat daarom systematisch als hoeksteen van internationale politiek naar voor schuiven? Eigenlijk hoeven we niet zo pessimistisch te zijn als het boek suggereert: ondanks de afgrijselijke misstanden die er her en der nog steeds zijn is er sinds WO II onmiskenbaar enorme vooruitgang geboekt in het respect voor die mensenrechten, precies zoals wij die zien. Maar met vallen en opstaan, dat wel en waakzaamheid is weer steeds meer geboden.
Wat doorheen het hele boek uiteindelijk serieus op de zenuwen werkt is dat de auteur hoofdzakelijk verder vertelt wat hij zegt gehoord te hebben wat anderen, doorgaans tegenstanders, menen te zeggen te hebben over de persoon/regime/staat op het hakblok. Traditioneel historisch onderzoek is geen deel van de methodiek. Zelf fysiek van hot naar her flitsen is het dat wel, in die mate zelfs dat de auteur verdacht kan worden over de gave van de multilocatie te beschikken. Althans zo kan men het in annex meegeleverde reisschema interpreteren.
Er valt, terzijde, ook flink wat af te dingen op de vertaalde titel van het boek. Het boek gaat geen gesprek aan met "onze vijanden" maar, doorgaans, met de vijanden/tegenstanders van onze vijanden, enfin van die leiders die het domweg niet met ons eens willen zijn. Dat de gesprekspartners zelf ook niet altijd onze vrienden blijken te zijn, verandert daar niets aan. De Franse titel weerspiegelt de inhoud dus veel beter: Occidents: Enquête sur nos ennemis, maar dan wel met enkel "témoins à charge". Let ook op de meervoudsvorm "occidents" in de titel.
Stefaan Reel
Meer van Stefaan Reel