21 september 2026
Tegen het Westen. In gesprek met onze vijanden
In ‘Tegen het Westen’ gaat auteur Frédéric Martel op zoek naar opposanten van dat Westen in verschillende culturen om aldus ook een beter beeld te krijgen van wat onder het Westen wordt verstaan. Hij was met dit project acht jaar bezig, interviewde ervoor zowat 1900 mensen in totaal 52 landen. Dit werk heeft een kanjer van een boek opgeleverd, dat meer dan gewoon interessant mag genoemd worden.
De auteur, Frédéric Martel, is niet de eerste de beste. Hij is geboren in Frankrijk in 1967, heeft meerdere diploma’s en een curriculum om U tegen te zeggen. Momenteel is hij professor creatieve economieën aan de universiteit van Zurich. Hij werkt ook als journalist en presenteert het wekelijkse radioprogramma Soft power voor Radio France, over media, cultuur en digitale technologieën. Hij schreef verschillende boeken waaronder de bestseller Sodoma over homonetwerken in het Vaticaan als bekendste boek.
Het is van belang hem even te duiden omdat dit vooral een boek over ideeën is en het van belang is zijn uitgangspositie te kennen. In de proloog omschrijft hij zich kort als “democraat en pluralist” en verder als “een linkse Franse schrijver en Europese liberaal”. Dit is immers een boek over ideeën, over ideologieën, narratieven en waar het Westen voor staat. Hij stelt vast dat het Westen geen geografische aanduiding kan zijn. Volgens hem gaat het begrip het Westen vooral terug op de periode van de koude oorlog waarbij een aantal Oost-Europese landen tot de invloedssfeer van de Sovjetunie behoorden. Het Westen bestond dan uit de West-Europese landen en de VS.
Omdat het Westen meer een begrip dan een goed omschreven geografische realiteit is, gaat hij op zoek naar een precieze omschrijving van waar dat Westen voor staat. Hij doet dit door te praten met de vijanden van het Westen om aldus te begrijpen wat hun bezwaren zijn. “Bovenal vind ik geen houvast meer in deze ‘ideeënwerelden’. Hebben de Chinezen een punt met hun kritiek op ons, ‘westerlingen’? En de Arabieren als ze ons arrogantie verwijten? Zijn de argumenten die de Russen inbrengen tegen ons politieke model en onze ideeën terecht? Is het Westen een schurk die terecht verwijten krijgt van de deugdzamere ‘rest van de wereld’?” (p. 21)
Martel behandelt vooral de hedendaagse kritiek, maar gaat soms terug in het recente verleden, van de laatste zestig jaar, wanneer hij regimes behandelt die het Westen niet goed gezind zijn. Het verst in verleden gaat hij wanneer hij de conferentie van Bandung (1955) in herinnering brengt, een conferentie waaruit de beweging van niet Gebonden Landen ontsproot.
Hij bezocht voor dit project talrijke landen en regio’s verspreid over de hele wereld: Rusland, Hong Kong en China, Taiwan, Egypte, Libanon, Algerije, Israël en de Palestijnse gebieden, Cuba, Venezuela, Nicaragua, Brazilië, Zuid-Afrika en de VS om slechts de belangrijkste te noemen. “Ik ben ervan overtuigd dat ik – en met mij de lezer – de huidige chaos en verwarring alleen kan begrijpen door ter plekke de ideologen en intellectuelen uit ‘de rest van de wereld’ te ontmoeten en te interviewen.” (p.23-24). Frédéric Martel laat ook zien dat thema's als geschiedenis, cultuur, religie, economie en geopolitiek met elkaar verbonden zijn. Hij besteedt dus niet alleen aandacht aan de staatsvorm van landen, maar ook aan andere thema’s.
Dat doet hij dan in afzonderlijke hoofdstukken die telkens een gebied behandelen. Zo schrijft hij over het Rusland van Poetin en spreekt hij met iemand als de ideoloog Aleksandr Doegin die zeer duidelijk anti-westers is en de invasie in Oekraïne verdedigt. Vooral het liberalisme van het Westen moet het in diens ogen ontgelden. Voor dat Rusland is het Westen decadent en moet vooral de Europese Unie ondermijnd worden. In een hoofdstuk over China, Hongkong en Taiwan leert Martel dat de Chinezen zich omschrijven als “een democratie die werkt”, de economie heeft dan weer “Chinese karakteristieken”. Maar wat dat precies inhoudt is moeilijk te omschrijven, behalve dat ze zich afzetten tegen de liberale democratieën, de mensenrechten, de rechtsstaat. Ik kan in deze bespreking niet op elk hoofdstuk ingaan: ze verdienen alle als het ware een eigen bespreking.
In het bijzonder is Martel ook kritisch voor de uiterst linkse flank, die het communisme aanhangt. Hij bespreekt Cuba, dat zich als een alternatief voor het Westen presenteert. Maar van de legende van ‘commandante’ Che Guevara en de ‘lider maximo’ Fidel Castro blijft na lezing van dit hoofdstuk niets over. Hij is kritisch over het eenpartijsysteem, het gebrek aan vrije meningsuiting, de talrijke dissidenten die in de gevangenis belanden. Ook het gratis onderwijs en de gratis gezondheidszorg, twee zaken waarmee het regime graag uitpakt, zijn in zijn ogen slechts schijn. Er blijft geen spaander heel van deze mythe, die zoveel (ook westerse) intelligentsia koesteren. Ook over het Chavisme en het regime van Maduro in Venezuela is Martel niet te spreken. Deze regimes vormen in zijn ogen geen alternatief voor het Westen. Volgens hem stemmen de mensen ‘met hun voeten’: zij verlaten deze landen en masse als het maar mogelijk is.
In dit boek komen vele namen ter sprake. Martel heeft het onder meer over Aleksandr Solzjenitsyn en zijn beruchte Harvard-lezing (1978) waarin hij de VS (waar hij toen leefde) bekritiseeerde, verder over Steve Bannon, Jawaharlar Nehru (oud-premier van India), Franz Fanon, Edward Said, Mao en de andere Chinese leiders uit die tijd, Nasser, Che Guevara en Fidel Castro, Allende, Pinochet, Chavez en Maduro (het boek is zo actueel dat zelfs de arrestatie van Maduro door de VS van januari 2026 wordt vermeld). Edward Saids boek Orientalism (1978) wordt uitgebreid besproken omdat de Palestijnse-Amerikaanse auteur hierin een kritiek op het westers denken over de Oriënt weergaf. Ook besteedt Martel veel aandacht aan de kritieken op dat boek. In zekere zin was het ook een inspiratiebron voor Martels boek: “Het idee voor dit boek heb ik voor een deel te danken aan Edward Said. Door zijn werken te lezen en langdurig een groot aantal hedendaagse tegenstanders van het Westen te ontmoeten, heb ik zoveel vooroordelen en clichés ontdekt, zoveel gemeenplaatsen, scheefgetrokken, verdraaide voorstellingen, ideologische constructies waarbij zinsbegoocheling en illusie niet ver weg zijn, dat ik het plan opvatte om zelf een Occidentalisme te schrijven. Die hersenspinsels en karikaturen brachten me op het idee om ter plaatse te gaan luisteren naar het narratief van Hamas en Hezbollah, van Chinese autoriteiten, van Poetins propagandisten, van castroïsten en van talloze andere ‘occidentalisten’, om vervolgens nader onderzoek te kunnen doen en de kloof tussen hun woorden en de westerse realiteit in te schatten.” (p. 459-460).
Martel merkt tevens de toenadering van de extremen op: uiterst rechts en uiterst links bestrijden elkaar op nationale thema’s maar hebben vaak dezelfde standpunten over internationale zaken, zoals de steun aan het regime van Poetin of de afkeer van de Europese Unie. Hij noemt dit de U-bocht: sommige extreem linksen worden extreem rechts. Zijn stelling is verwant met de theorie van het hoefijzer: de extremen neigen naar elkaar toe.
De auteur onderscheidt verder twee soorten van kritiek op het Westen en noemt die het Westen-plus en het Westen-min. In het eerste geval, bijvoorbeeld bij iemand als Steve Bannon, gaat het om het streven naar meer Westen. Steve Bannon wil het Westen redden. Daar tegenover staan diegenen die minder van het Westen willen. Het is vooral die laatste groep die in het boek aan bod komt: zij die zich afzetten tegen de westerse democratie en vrijheden, tegen de ‘open’ samenleving (om de term van Karl Popper even te gebruiken).
Tegen het Westen is een uiterst interessant boek. Het is van groot belang om dit te lezen om iets meer te begrijpen van de geopolitiek van deze tijd en van de verschillende ideologieën die daarmee gepaard gaan. Het boek is vooral interessant voor lezers die meer willen begrijpen van internationale politiek en de verhouding tussen westerse en niet-westerse landen. Je hoeft het niet met alle analyses van Martel eens te zijn om iets aan het boek te hebben: het geeft vooral aanleiding om na te denken over de plaats van Europa en het Westen in een veranderende wereld. Ik zou haast zeggen: het is een boek dat je moet gelezen hebben.
Fons Mariën
Vertaald door Alexander van Kesteren en Jan Pieter van der Sterre