Connie Palmen
Benny Madalijns
fictie
  • 6 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

18 september 2026 Johnnie Walker
Terwijl ik las, moest ik voortdurend denken aan Robert Frosts beroemde gedicht ‘The Road Not Taken’. De slotregels worden doorgaans gelezen als een lofzang op het non-conformisme, op de wandelaar die welbewust het minder bewandelde pad koos en daardoor zijn leven een andere wending gaf.
Wie het gedicht aandachtig herleest, ontdekt iets anders: de twee paden lopen er nagenoeg gelijk, even begaanbaar, even goed. Pas de verteller maakt er, achteraf, een lotsbestemming van. Dat mechanisme, het weven van een uniek en betekenisvol verhaal rond een op het moment zelf haast willekeurige afslag, is naar mijn aanvoelen de kern van Connie Palmens nieuwe roman.
Johnnie Walker is haar zevende roman, elf jaar na Jij zegt het uit 2015. Palmen opent niet in de vertrouwde ik-vorm van De wetten, maar in de wij-vorm: het gezin uit Sint-Odiliënberg in Limburg, vader, moeder, drie broers en Connie als enige dochter. Pas gaandeweg maakt die wij plaats voor een ik, en precies die verschuiving vormt de eigenlijke architectuur van het boek.
Toch zat er een scheur in die hechtheid. Als kind bestudeerde Connie er al de mechaniek van het gezag: wie in een gezin de plak zwaait en wie zich daarnaar voegt. Haar moeder was de figuur rond wie het hele gezin leek te draaien, degene die het meeste leed en daarmee ook het meest bepaalde. In zo'n verhouding is nabijheid nooit vanzelfsprekend gelijkwaardig: wie het dichtst bij het lijden staat, wordt er ook het eerst door opgeëist.
Het leven leek me te moeilijk voor mijn ouders, mijn broers, eigenlijk voor alle mensen op aarde, behalve voor mijzelf. Ik heb later in mijn leven Schopenhauer, Nietzsche en een psychiater nodig gehad om meer inzicht te krijgen in de dubbelzinnigheid van het medelijden, maar zolang ik nog thuis woonde was het de schaduwzijde van het idee sterker te zijn dan de anderen, de enige die gezegend was met de kracht van onze helden, Ivanhoe, Superman en Johnny Weissmuller.

Niks 'You Tarzan, me Jane'.

Me Tarzan.
 

(pagina 9)
Erbij horen en er tegelijk nooit helemaal in passen: dat is de eenzaamheid waaruit de roman Johnnie Walker groeit.
Twee wegen dus, of liever: twee kanten van eenzelfde breuk. De ene weg is die van het gezin, waaruit Palmen zich, om schrijver te kunnen worden, moest losmaken. De andere is die van de whisky, waaraan ze de titel van het boek ontleende en die ze op haar zestiende, over de Maas gereden op haar Vespa, leerde kennen in het grensdorpscafé De Vriendschap. Veertig jaar bleef Johnnie Walker haar onafscheidelijke metgezel, tot ze bij de dood van haar moeder in 2018 de drank afzwoer.
De twee-wegenmetafoor zelf is uiteraard veel ouder dan Frosts gedicht: al in de bijbelse traditie, van de smalle en de brede poort in het Matteüsevangelie tot de twee wegen uit de eerste psalm, wordt het leven voorgesteld als een vroege keuze tussen ondergang en behoud. Palmens verdienste is dat ze die moraliserende lading omzeilt. Bij haar is geen van beide wegen, gezin of drank, eenduidig goed of kwaad: het gezin is er tegelijk geborgenheid en verstikking, de whisky tegelijk bevrijding en vernietiging.
Het beeld van het verlaten van het huis waarin je opgroeide of dat van de splitsing op een pad, de keuze tussen de smalle of de brede weg uit de Bergrede in de Bijbel, laat de belangrijkste vraag onbeantwoord, die naar het waarom, naar iets dat waardoor iemand door de achter- of voordeur naar buiten gaat , de ene of ander afslag kiest, het iets dat maakt dat de een de beroemde schrijver wordt en de ander een tot de strop veroordeelde moordenaar.

(pagina’s 99-100)
Die paradox, niet de ambiguïteit oplossen maar ermee leren leven, is uiteindelijk de eigenlijke proef van volwassenheid die het boek beschrijft.
Wie een boek verwacht in de traditie van Hans Falladas Der Trinker, de dagboekkroniek van een man die dag na dag verder afglijdt in de alcohol, komt bedrogen uit. Johnnie Walker is welbewust geen kroniek van dronkenschap: de roes zelf komt nauwelijks aan bod. Waar Fallada de roes van binnenuit registreert, benadert Palmen haar verslaving van buitenaf, als structuurprincipe eerder dan als onderwerp.
Dichter bij Johnnie Walker staat, denk ik, Malcolm Lowry's Under the Volcano. Niet om het middel zelf: bij Lowry draait alcohol, net als bij Palmen, vooral om de toegang tot een verborgen zelf. Lowry's Britse consul Geoffrey Firmin zoekt en vreest er zijn eigen schaduwzelf, tegen de achtergrond van de barranca die het stadje in tweeën snijdt. Ook bij Palmen is er die schaduwfiguur, Johnnie Walker zelf, en explicieter nog Ulrike Meinhof, de RAF-terroriste die ze haar schaduwzus noemt. Waar Firmin aan zijn schaduw ten onder gaat, zet Palmen de hare in als hefboom voor haar eigen ontwikkeling als schrijfster.
“Christendom en communisme zijn een gevaarlijke combinatie,” besloot Leo. 

Toen ik vroeg waarom, zei hij dat christenen en communisten volgelingen waren van een leer, de wereld wilden verbeteren en zich, als alle volgelingen van alle andere bewegingen, eerlijker, rechtschapener, deugdzamer en beter voelden dan de rest van de wereld. Ik kon er niks op zeggen, ik was aan onze kant van de grens nog nooit iemand tegengekomen die aan dat profiel voldeed.

“Ulrike is een puritein,' zei hij daarop ongevraagd, 'en puriteinen verdragen geen twijfel.”

(pagina 109)
Dat brengt me bij het derde motief: het opgaan van het individu in de groep. Palmens fascinatie voor sekteleiders en massazelfmoord, van Jim Jones' Peoples Temple tot de radicalisering van Meinhof, wortelt in een oudere vraag: wat drijft een mens ertoe zichzelf op te geven aan een geheel? Nietzsche noemde dat in De geboorte van de tragedie de Dionysische roes, waarin het principium individuationis wegvalt en de eenling oplost in de extase van de menigte. Palmens eigen weg loopt echter omgekeerd: haar wij, het gezin, gaat aan haar ik vooraf, en de whisky is niet de roes die haar in een massa doet opgaan, maar de metgezel die haar toelaat zich van die eerste wij los te maken.
Die vertrouwelijkheid tussen drinker en drank is wat de titel Johnnie Walker zelf zo raak maakt: het merk wordt er een persoon, geen product. Bij Palmen houdt die verhouding het uiteindelijk veertig jaar vol, minstens zo lang als een huwelijk.
Stilistisch blijft Palmen zichzelf trouw: aforistisch, compromisloos, zonder ironie of twijfel. Elke alinea is dicht en afgewogen, zonder vulling. Dat maakt de leestocht intens, maar laat weinig ruimte om zelf te aarzelen.
Ik heb tijdens mijn studie vaak teruggedacht aan de middag in de grensbarak waarop Leo me aan de hand van twee woorden leerde dat taalgebruik nooit onschuldig is, woorden de smet van een verleden meedragen, verraden welke ideeën een gebruiker erop na houdt en dat de taal het machtigste middel is waarmee je van mensen moordenaars kunt maken. Wat ik nooit vergat, was dat de minieme verschuiving van 'ik' naar 'wij' onthulde hoe Ulrike Meinhof in een terrorist was veranderd, dat het verlaten van de eerste persoon enkelvoud hetzelfde was als het verraden van je autonomie, je zelfstandig denken en je eigen verantwoordelijkheid. 
 
(pagina’s 106-107)
Wat Johnnie Walker mijns inziens tot een heus vrijdenkersboek maakt, is niet de openhartigheid over de verslaving, die overigens minder centraal staat dan de titel doet vermoeden, maar de weigering om er een verlossingsverhaal van te maken. Van therapeutische winst of een morele les is nauwelijks sprake, laat staan van een bekering die zich netjes laat navertellen. 
Niet de vermeende waarheid achter de herinnering interesseert hier, maar de bewerking ervan: het eigenlijke materiaal van de roman is de manier waarop het geheugen zich altijd al herschrijft. Daarmee schrijft Palmen zich in een humanistische, on-dogmatische traditie in, die de mens niet herleidt tot slachtoffer of overwinnaar van zijn verslaving, maar tot iemand die, net als de wandelaar bij Frost, na de afslag een verhaal bouwt waarvan ze zelf niet meer kan navertellen of de andere weg iets anders had opgeleverd.
Terug naar het gele woud van Frost. 

Ook bij Palmen liggen de twee wegen, gezin en whisky, dichter bij elkaar dan de titel doet vermoeden. Pas het verhaal zelf, geschreven door een auteur die haar eigen leven voluit als grondstof durft te gebruiken, maakt het verschil onherroepelijk. Precies in die spanning tussen toeval en betekenis ligt de kracht van Johnnie Walker
Wie dat zelf wil ondervinden, leest gewoon het boek: een verbluffend geschreven inkijk in hoe een leven zich pas achteraf, schrijvend, tot verhaal laat samenballen. 

Zelf las ik het in amper twee teugen uit, zoals ik ook mijn whisky het liefst savoureer, met een blokje ijs, net als Palmen. Niet druppelsgewijs, maar in een paar ferme slokken.
 
Slàinte!

Benny Madalijns

Connie Palmen
Benny Madalijns
fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies