19 juni 2026
101 films voor het leven. Een beter leven door levenslessen uit films
De achterflap van Gawie Keysers nieuwe boek ‘101 films voor het leven’ kondigt het aan als 'Het witte doek als levenscoach', en bij die formulering gaat bij een vrije denker als vanzelf een lichte alarmbel af. Levenscoach is een woord uit het vocabulaire van de eigentijdse zelfhulpindustrie, en wie gewend is zelf te oordelen, voelt van nature weerstand tegen iemand die zich tussen hem en zijn eigen leven plaatst.
Toch is Keyser, filmcriticus voor onder meer De Groene Amsterdammer en NRC en initiatiefnemer van de literaire filmavonden Cinema Literair in de OBA, niet nieuw in dit vak: eerder publiceerde hij Kijken maakt gelukkig, en ook in dit kloeke nieuwe boek, dat hij in mei van dit jaar bij Luitingh-Sijthoff publiceerde, gaat hij geduldig op zoek naar films die houvast kunnen bieden bij de prangende levensvragen waarmee lezers al jaren bij hem aankloppen.
Zo klinkt het in de openingspagina's van het boek:
Het boek is voor iedereen, van filmnerd tot casual kijker. Het gaat over ons bestaan van dag tot dag. Om maar iets te noemen: je staat op een feestje en je voelt je aangetrokken tot iemand. Je wéét dat hij of zij getrouwd is of een partner heeft. En toch loop je op die persoon af. Begint een gesprek. Je flirt. Het verleidingsspel. Van het een komt het ander; jullie belanden in bed; je raakt verliefd. Wat dan? Of misschien overkomt je juist het tegenovergestelde: je bent iemand die nooit risico's neemt. Altijd binnen de lijntjes kleuren. Opeens sta je voor de keuze nu eens wél heel 'foute' dingen te doen.
Dit zijn levenservaringen die we vaak terugzien in filmverhalen. Een van mijn grote helden, de Amerikaanse filmcritica Pauline Kael, zei: 'Wie films kijkt, ziet stukjes van zichzelf.' Zo is het: films houden ons een spiegel voor. Ze vormen een brug tussen verbeelding en werkelijkheid.
[Welkom in mijn Stokkiesdraai, pagina's 17-18]
In dit boek van tweehonderdtweeënzeventig pagina's brengt Keyser dat rijke materiaal onder in brede thema's als obsessie, liefde, empathie, wraak, het geweten, het lot en de hartstocht, met als oudste titel het sombere Frankenstein uit 1931 en als jongste het recente One Battle After Another uit 2025.
Van die honderd-en-een films wil ik er hier drie wat uitvoeriger bekijken, omdat de dilemma's die Keyser erin herkent zo opvallend verschillend van aard zijn.
Van die honderd-en-een films wil ik er hier drie wat uitvoeriger bekijken, omdat de dilemma's die Keyser erin herkent zo opvallend verschillend van aard zijn.
The Matrix uit 1999 is geschreven en geregisseerd door de gezusters Wachowski, die drie jaar eerder al de aandacht trokken met hun vlotte debuutfilm Bound. Met The Matrix maakten ze een film waarin de klassieke actiefilm botste met de filosofisch geladen sciencefictionfilm. Keanu Reeves speelt de wat onzekere computerprogrammeur Thomas Anderson, die onder de schimmige naam Neo bekendstaat in de hackerswereld. Geleidelijk ontdekt hij dat de werkelijkheid waarin hij leeft eigenlijk een door machines opgewekte simulatie is, bedoeld om de mensheid in bedwang te houden terwijl haar lichamen ondertussen als energiebron dienen.
De film combineert moeiteloos invloeden uit de cyberpunkliteratuur, met name het invloedrijke werk van William Gibson, met de adembenemende vechtchoreografie van de Hongkongse actiefilm. Onder die spectaculaire actie schuilt een diepere filosofische laag die teruggaat tot Plato's beroemde grot, en die door bewuste verwijzingen naar het prikkelende werk van Jean Baudrillard over simulatie nog wordt verdiept.
De fameuze keuze die Neo op een gegeven moment krijgt voorgelegd, tussen een pil die hem in een geruststellende illusie laat en een andere die hem de onverbloemde werkelijkheid toont, is sindsdien een vast referentiepunt geworden wanneer het gaat over dat fundamentele dilemma tussen comfortabele onwetendheid en een ongemakkelijke waarheid.
Zo klinkt het wanneer Keyser The Matrix bespreekt:
Zoek een mentor
'Don't think. Feel.' Niet nadenken. Voelen. Het is als een vinger die naar de maan wijst. Concentreer je niet op de vinger, anders mis je al die hemelse glorie.' Dit advies krijgt een jonge kungfu-leerling van de legendarische vechtmeester Bruce Lee aan het begin van Enter the Dragon (1973).
Nu snel over naar The Matrix, waarin de scène sterk echoot, als Morpheus (Laurence Fishburne) cruciaal advies geeft aan een jongeling, Neo (Keanu Reeves): 'Je hebt het je leven lang al gevoeld: dat er iets mis is met de wereld. Je kunt je vinger er niet op leggen, maar het is er, als een splinter in je ziel, gekmakend. Dit gevoel heeft mij naar jou gebracht.' Morpheus is een goeroe. Neo is 'The One'. Maar eerst is hij een jonge volgeling die moet zien door te dringen tot wie hij werkelijk is.
Zo'n goeroe, mentor of meester verschijnt opvallend vaak in verhalen waarin jonge helden op reis gaan om hun ware zelf te ontdekken. Behalve Bruce Lee en Morpheus kun je ook denken aan Gandalf en Frodo in The Lord of the Rings, V en Evie in V for Vendetta, Yoda en Luke in Star Wars of aan Clint Eastwood en Hilary Swank in de boksfilm Million Dollar Baby. Nog verder terug: Socrates die zijn leerling, Plato, de weg wees. Gemene deler is dat de leerling zoekende is en nog niet weet welke plaats hij of zij moet innemen in de wereld.
[The Matrix (1999, Lana en Lilly Wachowski), pagina 103]
Belle de jour uit 1967 is het broeierige werk van de Spaanse regisseur Luis Buñuel, die in Frankrijk samen met de scenarist Jean-Claude Carrière het verhaal schreef naar de gelijknamige roman van Joseph Kessel uit 1928. In de hoofdrol van de ontoegankelijke Séverine zien we een ijzig mooie Catherine Deneuve, een jonge, welgestelde Parijse vrouw die in haar huwelijk met de keurige arts Pierre, gespeeld door Jean Sorel, geen enkele bevrediging vindt. Zonder dat haar onwetende omgeving daar ook maar het geringste vermoeden van heeft, brengt ze haar middagen stiekem door in een chic bordeel, geleid door een geraffineerde madam, vertolkt door Geneviève Page.
Buñuel laat voortdurend listig in het midden waar de werkelijkheid stopt en waar Séverines geheime fantasie begint, met beklemmende beelden van dwang en vernedering die zich naadloos afwisselen met scènes uit haar keurige burgerlijke alledag. Die voortdurende onzekerheid maakt de film tot een van de meest verontrustende films over verlangen die ik kan noemen. Belle de jour werd in 1967 terecht bekroond met de 'Gouden Leeuw' van het filmfestival van Venetië en behoort tot het meest bekeken werk van een regisseur die zijn hele oeuvre lang met onverholen genoegen de hypocrisie van de gegoede burgerij heeft blootgelegd.
Keyser beschrijft het zo:
Wat wil je minnaar nou écht in bed?
Dirty little secrets. De diepste, erotische begeerte die mensen kunnen voelen. Seksuele hunkeringen waarvan we het bestaan zelfs tegenover onszelf zouden willen ontkennen. Kortom, wat wil je minnaar nou écht in bed? Kun je dat ooit weten zonder dat die daar openlijk over vertelt? Het antwoord is: ja, en dit is hoe dat in zijn werk gaat.
Bondage. Zweepslagen. En wat al niet meer in Luis Buñuels klassieker over de jonge huisvrouw Séverine (Catherine Deneuve) die overdag in het geheim in een bordeel in Parijs werkt. De film begint met een letterlijke verbeelding van Séverine's seksuele fantasie: vastgebonden aan een boom waar twee koetsiers haar met een zweep bewerken terwijl haar man Pierre (Jean Sorel) toekijkt.
Dit is Belle de Jour: een film waarin wij direct toegang krijgen tot Séverine's innerlijke wereld. Kunnen we met haar mee? Kunnen we voelen wat zij voelt, meegaan met haar angsten, haar dromen? Séverine hunkert naar het 'verbodene', kink, naar gedomineerd te worden door een man. Ze heeft geen bevredigende seks met haar echtgenoot, maar het gaat nog verder: hij heeft geen idee wat er écht in haar omgaat.
[Belle de Jour (1967, Luis Buñuel), pagina 121]
The Seventh Seal, in 1957 geschreven en geregisseerd door de Zweedse meester Ingmar Bergman, ontleent zijn beladen titel aan het bijbel-boek Openbaring, waarin sprake is van een diepe stilte in de hemel na het openen van het zevende zegel. Max von Sydow speelt de vermoeide ridder Antonius Block, die met zijn nuchtere schildknaap Jöns terugkeert van de kruistochten naar een Zweden dat in de wurggreep van de pest verkeert, en die op het kale strand plotseling de Dood ontmoet, in de onheilspellende gedaante van een gesluierde, doodsbleke figuur.
Block daagt de Dood vastberaden uit voor een partij schaak, in de wat wanhopige hoop daarmee tijd te winnen om eindelijk antwoord te krijgen op zijn nijpende vragen over het bestaan van God en de zin van zijn eigen leven, en ontmoet onderweg een troep vrolijke, rondtrekkende toneelspelers die, in schril contrast met hem, nog wel in staat lijken tot een onbevangen levensvreugde. Met deze film begon de lange periode waarin Bergman zich met opmerkelijke koppigheid zou wijden aan vragen van geloof, twijfel en sterfelijkheid.
Zo noteert Keyser het:
Wat als God in geen velden of wegen te bekennen is?
'Ik ben de dood,' zegt de man in het zwarte gewaad en met het spierwitte gezicht, 'ben jij er klaar voor?'
'Geen sprake van... Oké, misschien toch wel,' antwoordt de gedesillusioneerde ridder Antonius Blok (Max von Sydow), 'maar laten we een partijtje schaken. Win ik, blijf ik in leven. Verlies ik, mag je je gang gaan.'
Blok en zijn schildknaap Jöns zijn net teruggekeerd van de kruistochten. Nu reizen ze door het middeleeuwse Zweden waar de pest heerst. Onderweg ontmoeten ze rondreizende circusartiesten, onder wie Jof, Mia en hun kindje. Jof heeft in het bos een visioen van de Maagd Maria.
'Kijk, Mia!' roept hij.
Mia ziet helemaal niets.
Even later arriveren Blok en Jöns in een stadje waar een man in de kerk een muurschildering maakt van de Danse Macabre, de dodendans. Waarom schilder je de dood? wil de schildknaap weten. Om mensen eraan te herinneren dat ze zullen doodgaan, luidt het antwoord.
Dit brengt Blok in verwarring. Jöns en hij hebben jarenlang oorlog gevoerd. Uit naam van God. Maar wat hebben ze daarmee bereikt? Blok weet het niet.
'Ik wil weten, ik wil kennis,' zegt hij. 'Ik wil dat God Zijn hand uitreikt. Als God er niet is – dan is het leven niets anders dan zinloze horror.'
[The Seventh Seal (1957, Ingmar Bergman), pagina 238]
Als ik deze drie films naast elkaar leg, valt me op dat de keuzes waar het in elk van die films om draait, weinig met elkaar te maken hebben. Neo kiest tussen geruststellende onwetendheid en een waarheid die hem alleen ontbering belooft. Séverine leeft een dubbelleven omdat haar verstikkende omgeving geen ruimte laat voor wat ze werkelijk voelt. Antonius Block gaat een wanhopige onderhandeling aan met de dood zelf, in de hoop nog iets van zin te vinden in een wereld waarin God hardnekkig zwijgt. Precies die afstand tussen een film uit 1957, een film uit 1967 en een film uit 1999 laat naar mijn aanvoelen zien hoe ver Keyser buiten zijn eigen tijd zoekt naar antwoorden op vragen die niet aan een tijdvak gebonden zijn.
Daarmee kom ik terug bij de vraag waarmee ik deze recensie begon: waarom zou een vrije denker, iemand die gewend is zelf te oordelen en geen pasklare waarheden van hogerhand accepteert, die eerste weerstand opzijzetten en dit boek toch lezen? Het antwoord ligt mijns inziens in de aard van het materiaal zelf. Keyser put niet uit een catechismus of een heilige tekst, maar uit honderd-en-een verhalen die ieder voor zich, op hun eigen onnavolgbare manier, een mens in een onmogelijke positie plaatsen en laten zien wat die mens daarmee doet.
Dat is precies het soort denkoefening waarmee van God-lossen al vertrouwd zijn: niet de leer volgen, maar het geval bekijken, wikken, wegen en uiteindelijk zelf een afweging maken.
Maar er schuilt ook een addertje onder het gras, en daarom zou diezelfde vrije denker het boek met enige gezonde argwaan moeten lezen. Wie zijn lezers, zoals Keyser al jaren doet, voorhoudt welke film bij welk dilemma past, neemt onvermijdelijk ook een beetje de rol van orakel op zich, hoe sympathiek en hoe belezen ook.
Kritische zoekers zullen dat aanbod overigens dankbaar aannemen, het boek met plezier doorbladeren, en bij elke film die hij zelf ooit heeft gezien voor zichzelf nagaan of hij het wel met Keyser eens is. Net die wrijving, tussen wat Keyser in een film leest en wat ik er zelf in herken, maakt 101 films voor het leven mijns inziens tot een boek waarmee elke vrije denker, instemmend of mopperend, met plezier aan de slag kan.
Al moeten we oppassen niet te veel toewijding te tonen. Wie na het lezen toch op zoek gaat naar een rode pil, een geheim leven in een Parijs bordeel begint, of Magere Hein uitdaagt voor een partijtje schaak, heeft mijns inziens de clou enigszins gemist.
Benny Madalijns