Johan Reijmerink
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 15 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

18 juni 2026 Met het oog op het eeuwige. Over de poëzie van Cees Nooteboom
Er is, naar mijn aanvoelen, iets ontroerends gelegen in het feit dat een dichter die gedurende zijn dichterlijke loopbaan van bijna zeventig jaar onvermoeibaar om het eeuwige heeft heengecirkeld, uiteindelijk een geduldige lezer treft die bereid is hem op die lange en kronkelige tocht stap voor stap, bundel na bundel, te vergezellen. Johan Reijmerink doet dat in ‘Met het oog op het eeuwige’ met een toewijding en een geduld die je niet vaak meer tegenkomt. Hij is geen onbekende in dit domein.
Hoe stil moet je zijn
om te beginnen, in wat voor taal
spreek je tegen een vroeger of later
ogenblik dat slijt waar je bij bent,
in een huis onbewoonbaar, een planeet
zo groot als een handschoen
van voor altijd vergeten
tijd.
 
[beginregels van het gedicht Vragen uit de bundel Vos (2022), pagina 276]
Er is, naar mijn aanvoelen, iets ontroerends gelegen in het feit dat een dichter die gedurende zijn dichterlijke loopbaan van bijna zeventig jaar onvermoeibaar om het eeuwige heeft heengecirkeld, uiteindelijk een geduldige lezer treft die bereid is hem op die lange en kronkelige tocht stap voor stap, bundel na bundel, te vergezellen. Johan Reijmerink doet dat in Met het oog op het eeuwige met een toewijding en een geduld die je niet vaak meer tegenkomt. Hij is geen onbekende in dit domein.
Meer dan vijfendertig jaar gaf hij les in de Nederlandse taal- en letterkunde, schreef sinds 2008 honderden poëzierecensies voor Meander Magazine, en bouwde via zijn proefschrift De andere stem (2017, over de invloed van het vertalen op het dichterschap van Bernlef) en de bundel De dans van de dichter (2020) gestaag en geduldig aan een rijk oeuvre waarin hij telkens weer, met merkbaar plezier, op zoek gaat naar wat hij zelf graag omschrijft als 'het mysterie achter de woorden'.
Met dit boek, dat verscheen in het jaar waarin Nooteboom negentig werd en zijn Verzamelde gedichten Zo worden jaren tijd het licht zien, levert Reijmerink het eerste omvattende onderzoek naar het metafysische en mystieke gehalte van Nootebooms poëzie, en dat alleen al maakt het tot een opmerkelijke en welkome aanwinst voor wie zich graag wat langer in een gedicht laat ophouden.
Reijmerinks scherpzinnige aanpak is even eigenzinnig als verhelderend. In plaats van Nootebooms acht belangrijkste bundels, van Aas (1982) tot en met Vos (2022), thematisch op te delen, kiest hij ervoor ze chronologisch te doorlopen, en telkens vanuit vier vensters te bekijken: de metafysica van het wordingsproces, van het waarnemen, van de beleving van tijd en duur, en ten slotte de stilte en leegte van het mystieke.
Die vensters lopen voortdurend in elkaar over, precies omdat ze dat in Nootebooms gedichten zelf ook doen, en juist daarin schuilt naar mijn smaak de kracht van deze opzet: Reijmerink dwingt zichzelf, en daarmee ook de lezer, om een gedicht meermaals te lezen, telkens met een ander vergrootglas in de hand. Wie zijn eerdere werk kent, herkent hier dezelfde leeshouding die hij ooit in een interview verwoordde: een recensie van driehonderd woorden doet een bundel geen recht, en wat hij de lezer wil meegeven is vooral een uitnodiging, een eerste inkijk die de nieuwsgierigheid aanwakkert zonder het laatste woord te willen hebben. Die bescheidenheid, dat zich willen onthouden van een te hard oordeel, typeert ook dit boek door en door.
Binnen de Nederlandse poëzie van de laatste zeventig jaar neemt Nooteboom, zo wordt uit Reijmerinks bespreking overtuigend duidelijk, een buitengewoon eigenzinnige plaats in. Hij liet zich in zijn jonge jaren niet meeslepen door de Vijftigers, bleef onaangeraakt door de op de directe werkelijkheid gerichte poëzie zoals Bernlef die naar Amerikaans voorbeeld schreef, en hield evenmin voeling met de hermetische, sterk talig georiënteerde poëzie van Faverey of de latere Kouwenaar.
Als wereldreiziger, journalist en romancier ontwikkelde hij een poëzie die zich rijkelijk voedt met wat hij overal ter wereld aan kunst, filosofie en religie tegenkwam, van Bashō tot Borges, van Plato tot Juarroz, en die hem bij sommige critici de, mijns inziens onterechte, reputatie van hermetisme en intellectualisme heeft opgeleverd. Reijmerink laat overtuigend en met zichtbaar genoegen zien dat achter die schijnbare ontoegankelijkheid een dichter schuilgaat die in de grond buitengewoon toegankelijke, want universeel menselijke vragen stelt: hoe werkelijk is wat ik waarneem, hoe ervaar ik de tijd, en wat blijft er over van het 'ik' wanneer alle zekerheden wegvallen.
Het is precies op dit punt dat een vraag bij mij naar boven kwam die het boek zelf weliswaar niet met die woorden stelt, maar die er voortdurend onder lijkt te resoneren: was Cees Nooteboom, deze man die zich al op jonge leeftijd van de geïnstitutionaliseerde godsdienst afkeerde, eigenlijk een vrijdenker in de zin waarin wij die term binnen de vrijzinnig-humanistische traditie gebruiken? Reijmerink citeert in zijn inleiding de scherpzinnige Piet Gerbrandy, classicus en gezaghebbend poëziecriticus, die ooit schreef dat wie katholiek geboren is, daar kennelijk nooit meer helemaal vanaf komt, en Reijmerink plaatst daar onmiddellijk, terecht naar mijn aanvoelen, een vraagteken bij.
Het antwoord dat uit zijn onderzoek opdoemt, is bepaald niet eenduidig, en precies die vruchtbare ondoorzichtigheid maakt het voor mij zo de moeite waard. Nooteboom verloor weliswaar al vroeg, na zijn schooljaren bij de paters franciscanen in Venray, het geloof in de geïnstitutionaliseerde kerk, maar wilde zichzelf nooit een atheïst noemen, simpelweg omdat hij weigerde de ene absolute doctrine voor de andere in te ruilen. Als hij katholiek zou zijn, zo liet hij ooit optekenen, dan zou hij dat strikt traditioneel willen zijn, met de getijden 's nachts gezongen in het plechtige Latijn, want zodra dat in het Nederlands zou gebeuren, zou het mysterie weg zijn.
Nooteboom voelde zich, naar eigen zeggen, eerder een sjamaan die het contact tussen hemel en aarde onderhoudt dan een gelovige die naar God op zoek is. Dat maakt hem tot een geheel andere figuur dan de polemische vrijdenker zoals wij die kennen uit de negentiende- en twintigste-eeuwse traditie, iemand die zich strijdbaar tegen kerkelijk gezag afzet. Mijns inziens is Nooteboom ook de interessantere van de twee: geen atheïsme als programma, maar een seculiere, zwervend-monastieke openheid waarin het verlangen naar het eeuwige intact blijft, ontdaan van elk dogma en elke institutie.
Aas
Poëzie kan nooit over mij gaan,
noch ik over poëzie.
Ik ben alleen, het gedicht is alleen,
en de rest is van wormen.
Ik stond aan de straten waar de woorden wonen,
boeken, brieven, berichten,
en wachtte.
Ik heb altijd gewacht.
 
De woorden, in lichte of duistere vormen,
veranderden mij in een duister of lichter iemand.
Gedichten passeerden mij
en herkenden zichzelf als een ding.
Ik kon het zien en me zien.
 
Nooit komt er een einde aan deze verslaving.
Eskaders gedichten zijn op zoek naar hun dichters.
Ze dwalen zonder commando door het grote
district van de woorden
en verwachten het aas van hun volmaakte,
gesloten, gedichte, gemaakte
en onaantastbare
 
vorm.
 
[titelgedicht uit de bundel Aas (1982), pagina 60]
Reijmerink behandelt deze bundel als het beginpunt van Nootebooms onderzoek naar het creatieve proces, waarin de dichter zich verhoudt tot de eigen inspiratie en tot de vraag wie of wat eigenlijk aan het woord is wanneer een gedicht ontstaat. Het titelgedicht toont hoe Nootebooms verlangen naar het eeuwige zich vanaf het begin vertaalt in een werkwijze: niet het opleggen van een betekenis, maar het zich laten vinden door de taal. Daarmee wordt de overgang gemaakt van de biografische en levensbeschouwelijke situering naar Reijmerinks eigenlijke analyse aan de hand van de vier vensters. 
Treffend is ook de slotstrofe, waarin de gedichten hun dichters niet zoeken om gevonden te worden, maar om zichzelf te voltooien tot een 'volmaakte, gesloten, gedichte, gemaakte en onaantastbare vorm' - een formulering die vooruitwijst naar wat Reijmerink later, via Safranski, het 'spelen zonder bal' zal noemen: een creatief proces dat zijn eigen regels en zijn eigen voltooiing in zich draagt, onafhankelijk van de dichter die het in gang zette.
Reijmerinks vier vensters, mystiek, waarneming, tijd en duur, en het creatieve proces, krijgen hun scherpste filosofische onderbouwing in respectievelijk de grote mystici als Eckhart, Hadewijch en Ruusbroec, de fenomenologie van Merleau-Ponty, de tijdsfilosofie van Bergson, en de verbeeldingstheorie van Nootebooms vriend Rüdiger Safranski, die het dichterlijke vertellen ooit omschreef als 'spelen zonder bal'. 
Wat deze vensters delen, en wat Reijmerink met merkbare overtuiging telkens weer aanwijst, is dat onze waarneming nooit rechtstreeks toegang geeft tot de werkelijkheid zelf, maar er steeds al een eigen, onvermijdelijk vervormende laag aan toevoegt. Voor Nooteboom is dat geen reden tot moedeloosheid, integendeel: precies in die voortdurende vertroebeling van het zicht blijft de dichter kijken, en blijft het oog, ook al weet het zich bedrogen, hem aanzetten tot dichten.
Basho III
Nergens in dit helaal heb ik een vaste woonplaats
Schreef hij op zijn hoed van cypressen. De dood nam zijn hoed af,
Dat hoort zo. De zin is gebleven.
Alleen in zijn gedichten kon hij wonen.
Nog even en je ziet de kersenbloesem van Yoshino.
Zet je sandalen maar onder de boom, leg je penselen te rusten.
Berg je stok in je hoed, vervaardig het water in regels.
Het licht is van jou, de nacht ook.
Nog even, cypressehoed, en ook jij zult ze zien,
De sneeuw van Yoshino, de ijsmuts van Sado,
Het eiland dat scheepgaat naar Sorén over grafstenen golven.
 
 
[Basho III, een gedicht uit Het gezicht van het oog (1989), pagina 110]
Dit is Nootebooms touchante gedicht over de zeventiende-eeuwse Japanse dichter Matsuo Bashō, wereldwijd beschouwd als de grondlegger en absolute meester van de haiku. Het toont hoe Nootebooms verlangen naar het eeuwige zich vertaalt in een mystieke vorm van voortbestaan: Bashō "kon alleen in zijn gedichten wonen", en zijn "zin is gebleven" ook nadat de dood hem trof. Daarmee illustreert dit gedicht hoe Reijmerink in zijn slotbeschouwing de vensters mystiek en creatief proces samenbrengt: het dichterlijke woord als de plek waar de dichter, voorbij zijn sterfelijke lichaam, blijft bestaan.
In zijn slotbeschouwing brengt Reijmerink de vier vensters overtuigend samen. Tegen de achtergrond van zijn rooms-katholieke vorming, zo schrijft hij, is en blijft Nooteboom een grensganger, gefascineerd door een werkelijkheid die zich, ondanks alle abstracte denkkracht waarover hij beschikt, voortdurend aan begrip onttrekt. Zijn afscheid van de kerk betekende geenszins een afscheid van de vraag naar het uiteindelijke; integendeel, er bleef bij hem een diep verlangen naar wat voor ons onmogelijk te denken is in de werkelijkheid van alledag.
Het rituele en het theatrale van het rooms-katholicisme zijn hem, zo merkt Reijmerink fijntjes op, blijven inspireren, naast zijn latere, even oprechte affiniteit met het Japanse zenboeddhisme. In het creatieve proces zelf, zo besluit Reijmerink, ligt voor Nooteboom de enige plek waar dat bedrog van het oog niet wordt opgeheven, maar wel verinnerlijkt en omgezet in verrijking: de duur, de mystieke verbeelding en het belichaamde waarnemen vallen daarin samen in het gedicht zelf.
Voor een vrijzinnig-humanistisch lezerspubliek biedt Met het oog op het eeuwige naar mijn aanvoelen iets kostbaars: het bewijs, geleverd aan de hand van een van de grootste Nederlandse dichters van de afgelopen eeuw, dat het verlangen naar het eeuwige, naar zin, naar verbinding met iets dat ons overstijgt, niet vanzelfsprekend aan een godsbeeld of een kerkelijk instituut gebonden is. Nooteboom toont, en Reijmerink legt dat met groot inzicht en merkbaar oprechte liefde voor de tekst bloot, dat men dat verlangen evengoed kan blijven voeden vanuit een houding van permanent, mild en ironisch bevraagd 'niet-weten'. Daarin schuilt mijns inziens de verdienste van dit boek.
 
Benny Madalijns
Johan Reijmerink
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies