Hugo Claus
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 28 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

18 juni 2026 Minnaar tegen elke prijs (Parijs’ dagboek)
In 2021 schreef ik, in het kader van de overzichtstentoonstelling, een tekst bij een aantal foto’s van Roland Minnaert. Een van die foto's toonde Hugo Claus in gesprek met Karel Appel, twee gezette heren van stand, ouwehoerend in de leefkamer van een Parijs’ kunstenaarsappartement met spiegels die wel onbegrensd lijken.
Ik herinner me dat ik bij het bekijken van dat beeld dacht aan de mannen zoals ik ze me voorstelde uit de boeken, de reportages en de interviews van toen, het soort tijdsbeeld waar ik als jongere naar opkeek bij figuren als Jef Geeraerts of Paul Snoeck: mannen van middelbare leeftijd die onbevangen roken en gretig een kleintje rood drinken, mannen voor wie de wereld nog niet was opgedeeld in wat wel en niet getoond mocht worden.
Die foto schoot me weer door het hoofd bij het lezen van Minnaar tegen elke prijs, het Parijse dagboek dat Hugo Claus tussen 1975 en 1976 bijhield over zijn relatie met Sylvia Kristel.
Minnaert kende Claus al langer, en wel op een merkwaardige manier. In 1966 had Claus de roman Goudland van Hendrik Conscience voor het toneel bewerkt, een opvoering in de KNS onder regie van Walter Tillemans. Die vroeg Minnaert om een reeks kunstzinnige promotiefoto’s van de auteur te maken, met een knipoog naar Conscience.
Minnaert trok met de jonge schrijver naar het Conscienceplein, reed met zijn Renault Estafette tot voor het bronzen beeld van de grote Hendrik en installeerde zijn camera op een statief boven op het dak van de bestelwagen. Claus klauterde ondertussen op de arduinen sokkel om naast, en zelfs op de schoot van, zijn illustere voorganger te poseren. Het leverde iconische foto’s op, en zo leerde Minnaert Hugo Claus kennen.
Jaren later kwamen de twee elkaar opnieuw tegen via de kunstscène, deze keer in Parijs, op een privéreceptie waar Claus verscheen in gezelschap van Sylvia Kristel. Zij was op dat moment volop bezig met de opnamen van Emmanuelle II. Minnaert herinnert zich haar als een sympathieke meid, verschrikkelijk fotogeniek, maar niet erg pienter, iemand die vooral beroemd wilde worden en daar veel voor overhad, of ze de toedracht van het scenario nu snapte of niet.
Beiden hielden er een goed gevoel aan over, en weinig later zagen ze elkaar terug op het verjaardagsfeest van beeldhouwer Roel D’Haese, waar Minnaert met haar danste.
Dat beeld, van een sympathieke, wat naïeve jonge vrouw op een feestje, vol van haar pas verworven roem, en van Claus die zich in dat decor zichtbaar op zijn gemak voelde, staat in scherp contrast met wat Minnaar tegen elke prijs van diezelfde periode laat zien. Het dagboek dat Claus toen bijhield toont een heel andere Sylvia, maar ook een heel andere Hugo dan de man die met Karel een kleintje rood drinkt of die zich onbevangen doorheen een feestje wurmt.
Wie Hugo Claus kent uit de overgeleverde beeldvorming, kent vooral de libertijn, de schrijver die met Het verdriet van België (1983) en zijn talloze liefdes de schijnheiligheid van een katholiek Vlaanderen doorprikte, de man die zich nooit liet binden door conventie of moraal. Minnaar tegen elke prijs zet die mythe naar mijn aanvoelen danig op losse schroeven, en precies dat maakt het boek voor mij zo waardevol, ook in het licht van wat Minnaert over die jaren optekende.
Claus was niet aan zijn proefstuk toe wanneer het op het verwerken van een mislukte liefde in geschrift aankwam. Zijn roman Het jaar van de kreeft (1972) was al een afrekening met zijn voormalige minnares Kitty Courbois, gebaseerd op aantekeningen die hij tijdens die relatie had bijgehouden in een schriftje dat hij toen al, onthullend genoeg, zijn klachtenboek noemde.
Met Kristel herhaalde zich dat patroon, met dit verschil dat de inzet veel groter was. Hun verhouding had immers een kind voortgebracht, Arthur, en de buitenwereld zag in hen het ideale paar: de gevierde schrijver en de wereldberoemde filmster, samen in een ruim appartement nabij Saint-Germain-des-Prés, levend met de zwier die het succes van Emmanuelle met zich meebracht, de zwier die Minnaert op feestjes en recepties moet hebben gezien.
Wat er in het dagboek echter naar boven komt, is geen reflectie van een libertaire geest die zijn liefdesleven met enige filosofische afstand bekijkt, maar het relaas van een man die verteerd wordt door jaloezie. Aanleiding was de bekentenis van Kristel dat ze tijdens de opnames van Emmanuelle II, diezelfde opnames waarvoor ze in Parijs verbleef toen Minnaert haar ontmoette, een affaire had gehad met haar tegenspeler Umberto Orsini. Claus, op dat moment 46, zij begin twintig, beschouwde dit als verraad en besloot vanaf oktober 1975 elk detail van haar gedrag vast te leggen, naar eigen zeggen als pense-bête, als voedingsbodem voor een roman die er nooit zou komen.
Wat volgt is, naar mijn aanvoelen, minder een liefdesverhaal dan een ontleding van een man die zijn grip op de werkelijkheid verliest. Claus wil weten waar Kristel naartoe gaat, met wie, hoe laat ze terugkomt. Hij merkt op dat ze de badkamerdeur tegenwoordig steeds sluit, vroeger nooit, en noteert dat als nieuw bewijs in een dossier dat hij tegen haar opbouwt. Wanneer Kristel geen seks wil omdat ze ongesteld is, ervaart hij dat als een persoonlijke krenking en reageert hij met een beledigd “merci madame”.

Midden in de nacht raak ik haar aan. Schrik me rot, zo nat is zij. Schrik en walg. Andere mannen moeten dat appreciëren, denk ik. Ik niet. Waarschijnlijk ook in connotatie met het zaad van een andere man.
Ik: ‘Ik kon me net zo goed niet scheren.’ Zij: ‘Je scheert je toch, ’s morgens? Ik: ‘Nee, ’s namiddags.’ Zij: ‘Ah?’
Aanrakingen bij haar: elektrisch. Ze krijgt aldoor schokjes. Ook als het niet kietelt. ‘Andere vrouwen zouden erom smeken,’ zei ik. ‘Je bent elektrisch geladen.’ zei zij, ‘The man with the touch.’
Ik vrees dat dit dagboek uitsluitend over erotiek of Sylvia gaat, of over onze verhouding in details. So what? (p. 26)
Wanneer ze met anderen openlijk over haar problemen met penetratieseks praat, is hij vooral woedend omdat dat zijn reputatie zou kunnen aantasten. Aan zelfreflectie doet Claus in deze passages weinig, aan projectie des te meer: hij klaagt dat zij niet van hem houdt als persoon, terwijl uit zijn eigen notities blijkt hoezeer hij haar vooral ziet als rolspeelster in een drama dat hij zelf heeft geschreven.
Van de pienterheid die Minnaert haar destijds ontzegde, lijkt in het dagboek weinig sprake, maar van de naïviteit die hij wel bij haar zag, evenmin: wat Claus optekent is een vrouw die op haar eigen manier, gedreven en niet zonder schade, haar plaats in die wereld probeert te veroveren.
Tegelijk moet de lezer, mijns inziens, rekening houden met de zwart-witte bril waardoor Claus naar deze relatie kijkt. Kristels stem ontbreekt volledig, en wat wij te lezen krijgen is uitsluitend zijn constructie van de gebeurtenissen, opgetekend door een man die bekendstond om zijn talent voor overdrijving en fabulering.
Op een gegeven moment zegt Kristel hem dat hij haar die dag erg gelukkig heeft gemaakt, met momenten waarop hij gewoon zat te lezen of met Arthur speelde. Claus registreert haar bijna betraande blik, maar reageert er niet op, en herkent enkel het patroon van eerdere, ongelukkige momenten in hun relatie, een herkenning die voor hem vooral weer bewijsmateriaal wordt in plaats van een aanleiding tot warmte. Dat hij zichzelf evenmin spaart, zijn ziekelijke jaloezie, zijn aanhoudende verlangen ondanks alles, geeft het geheel een schijn van eerlijkheid, maar die eerlijkheid kent haar grenzen.

Toen ik zei dat ik liever niet meeging naar het diner met Vadim om ‘iets moois’ niet te verhinderen, zei zij: ‘Toch niet de eerste keer!’ (Niet: ‘Nooit, hoe kom je erbij’, etcetera.)

Televisie gekeken. Tien uur naar bed. Wat geschermutsel. Zij begreep niet dat ik aandrong om vroeg naar bed te gaan, althans reageerde daar niet anders op dan gewoonlijk. Zei, toen ik vroeg of het ‘draaitijd’ was: ‘Je weet dat ik ’s avonds geen zin heb in acrobatieën.’ Streelde; zij, wat mechanisch. Zei plots: ‘Je hebt me vandaag heel gelukkig gemaakt. Toen je in de keuken zat, toen je zat te lezen, toen je met Arthur speelde.’ Ik herinnerde mij de bijna huilende ogen, het gezicht vertrokken, een trieste glimlach. Ik had er niet op gereageerd. Ook niet toen ze het zei, because herinneringen aan Avenue Montaigne, Berkeley, waar ze exact dezelfde uitdrukking had. (p. 26)
Op donderdag 12 augustus bereikt de rauwheid een hoogtepunt. Kristel vraagt Claus om de puisten op haar billen te tellen, wat hij ook doet, terwijl hij tegelijk vaststelt dat ze er nog meer heeft gekregen. Even later, na de seks, ligt zij roerloos en slaapt, terwijl Claus alleen nog wakker ligt, een sigaret opsteekt en zich afvraagt wat vrouwen er toch in zien om als een stuk vlees behandeld te worden, voor hen “al lekker”. Hij noteert het hele tafereel met de typering “ball-breaker” en sluit af met het woord “ascese”.

Donderdagavond. Belt van bij Jacques. (Waarom ze daar elke dag van de tournage heen moet, wil ik niet eens weten) ‘Ik kom binnen een half uur. Doet je dat vreugd?’ – Als ze komt, meteen naar de slaapkamer, wrijven, pakken. Ik wil met jou gaan slapen.’ ‘Zo’, zeg ik, ‘ga naast me liggen en slapen.’ Een dreadful etentje. Om 11u30 wil ze naar bed. Kom. Ligt in mijn armen. Ik heb afgezegd: een avondje bij Dany, om naar mijn liefste te komen. – Ik dacht dat ze gedronken had, maar zij is stoned. ‘Wat heb je rode ogen,’ zegt ze. In bed helemaal op mijn kant van het bed. 1 kwart seconde over mijn bil geaaid. Zegt dan plots: ‘Wil je de puisten op mijn kont tellen.’ Eén puinhoop, er zijn er minsten zes bijgekomen, een lava-korst. Ik kus, lik. Zij beweegt even haar billen, dan ligt ze d’r roerloos bij en snurkt. (p.p. 208-209)

Dit is naar mijn aanvoelen een passage die niets aan de verbeelding overlaat, en die precies daardoor laat zien hoe ver dit dagboek afstaat van het beeld van het glamoureuze koppel dat de buitenwereld, en ook Minnaert op die receptie, voor ogen had.
Aan het einde van het boek, wanneer de relatie definitief op de klippen loopt, somt Claus haar gebreken op, met als belangrijkste punt haar vermeende gebrek aan moraal. Een verwijt dat des te wranger wordt wanneer men bedenkt dat dezelfde man zijn positie gebruikte om de jonge vrouwen in zijn leven publiekelijk te ontmantelen.
Is Claus dan toch die libertijn die we kennen, de man die naast zijn voorganger Conscience klimt voor een foto, of die zich op een receptie in Parijs zo moeiteloos beweegt dat een fotograaf er een goed gevoel aan overhoudt? Dat valt naar mijn aanvoelen te nuanceren.
De libertaire houding van Claus lag vooral in zijn publieke optreden, in zijn werk, in zijn weigering zich te conformeren aan burgerlijke verwachtingen. Het private dagboek van een man verliefd op een vrouw die een generatie jonger is, toont echter iets anders: iemand die, ondanks zijn reputatie van ongebondenheid, evenzeer ten prooi valt aan de meest klassieke vormen van bezitsdrang en controle.
Misschien is dat wel de eigenlijke ontdekking van dit postuum verschenen dagboek, dat de libertaire pose en de banale menselijke kwetsbaarheid elkaar niet uitsluiten, maar juist naast elkaar bestaan, ook al suggereren de foto’s en de feestjes die Minnaert beschrijft het tegendeel.
Minnaar tegen elke prijs leest daardoor minder als literatuur dan als tijdsdocument, en wel een ongemakkelijk tijdsdocument. Het toont hoezeer de verheerlijking van het vrije, ongrijpbare schrijversgenie in die jaren zeventig een prijs had, een prijs die niet door de schrijver zelf werd betaald, maar door de vrouw die naast hem leefde en wiens versie van de werkelijkheid ons nooit zal bereiken.
Wie, zoals Minnaert en ikzelf, met sympathie naar dat soort beelden van mannen van stand heeft gekeken, naar Claus op een sokkel naast Conscience of dansend met Kristel op een feest, doet er goed aan ook de andere kant van die spiegel te bekijken. Daar dienen spiegels nu eenmaal voor, toch.

Benny Madalijns

Hugo Claus
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies