18 juni 2026
Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman - Een zoektocht naar menselijkheid Deel 2
Dat uit een gesprek tussen twee erudiete vrienden een interessant boek ontstaat, wisten we al van deel 1. We hebben 5 jaar uitgekeken naar het vervolg en het was de moeite waard om te wachten. Het hoofdonderwerp is ook hier: wat maakt van een levend organisme een mens?
Dat lijkt een eenvoudige vraag, maar het antwoord is verpakt in een dik boek met vijf hoofdstukken: is het de taal bijvoorbeeld die ons onderscheidt van de dieren? Is onze menslievendheid typisch of juist het feit dat we tot uitzonderlijke uitingen van geweld in staat zijn? Kunnen we aan onze menselijke natuur iets veranderen, m.a.w. zijn we maakbaar? Hoe zit het met de vrije wil, hebben we die wel? En tot slot: heeft dit leven zin en indien ja, welke?!
Over taal
Behalve dat het onduidelijk is hoe onze taal ontstaan is, zo leidt Verhofstadt het gesprek in, is het verschil in hoe dieren communiceren en hoe mensen dat doen, zeer groot. Ja, er was ooit een bonobo, Kanzi, die het niveau van een driejarig kind haalde en ja, de bijentaal is fenomenaal, maar dat mensen zo ver gevorderd zijn in wetenschap en techniek, hebben ze voor een groot deel aan hun taal te danken. Is cultuur een product van taal? In rond 440 v.o.t. vroeg Herodotus zich al af waar taal vandaan komt, daarna velen na hem en dus nu ook de twee gesprekspartners. Stamt het Nederlands af van het Proto-Indo-Europees? Dat lees je in het boek, want er wordt niet enkel gefilosofeerd, je krijgt feiten, data en bewijzen.
Over geweld
Dit is het minst prettige hoofdstuk om te lezen: is de mens een wolf voor de mens en wie gebruikte die metafoor voor het eerst? Hitler was een massamoordenaar, maar de legendarische Dzjengis Khan was dat ook, Alexander de Grote, Stalin en paus Urbanus II. Zelfs Leopold II is verantwoordelijk voor de dood van miljoenen Congolezen. Vele filosofen hebben zich gebogen over de tweespalt in de menselijke natuur: Durkheim, Spinoza, Wijnberg, Hobbes, Dawkins, Bregman, Beccaria, om er maar enkele te noemen. Waarom waren gewone mensen in staat op bevel Joden koelbloedig te vermoorden en daarna naar huis te gaan om hun kinderen met liefde te omhelzen? Hoe komt een mens ertoe zowel wreedheden te bedrijven als on-dierlijk goed te zijn en is er verbetering of niet? Daarover gaat het gesprek.
Over maakbaarheid
Braeckman vertrekt van het boek Genesis waarin staat dat God ons geschapen heeft naar zijn beeld en gelijkenis. Daaruit moeten we afleiden dat de mens niet maakbaar is, we moeten gewoon de wetten van de Bijbel volgen. Van dit religieus vertrekpunt laten de vrienden niet veel heel: de mens is vrij om aan zijn natuur te beantwoorden en niet vrij. Ik geef een voorbeeld uit de tekst: je kiest je seksuele geaardheid niet, maar een als pedofiel geboren man beschikt over de vrijheid om geen seks te hebben met minderjarigen. Fysieke aantrekkelijkheid kies je niet, maar veel onderzoek wijst uit dat het voordelen geeft, die je kan gebruiken. Dat geldt nog meer voor intelligentie.
Verouderen is een onderdeel van ons mens-zijn, er is niks tegen te doen. Gilgamesj probeerde het en streefde onsterfelijkheid na. Dat weten we uit het legendarische epos, op kleitabletten vastgelegd zo’n 5000 jaar geleden. Is het nuttig je ‘dode zelf’ te laten invriezen? Is de CRISPR-Cas techniek moreel toelaatbaar? Mogen we aan onze genetica sleutelen? Lees de - niet zo eenvoudige - bedenkingen van de twee auteurs in het boek.
De overgang van dit hoofdstuk naar het volgende ligt voor de hand. Vrije wil kwam al verschillende keren ter sprake tijdens overwegingen over hoe maakbaar we zijn.
Over vrije wil
“Het lijkt alsof we niet anders kunnen dan het over het verbijsterend moeilijke probleem van de vrije wil te hebben”, zo leidt Verhofstadt de bespreking in. De mythologische Joodse traditie houdt ons voor dat we die hebben, anders had Eva niet kunnen zondigen, Kaïn zijn broer niet kunnen vermoorden en Abraham zou niet op het punt gestaan hebben zijn zoon te offeren.
Aristoteles, Plato, de stoïcijnen, de epicuristen, allemaal hebben ze een visie op de vrije wil, die door Braeckman op de weegschaal gelegd wordt. Onvermijdelijk komt hij uit bij de verantwoordelijkheid voor onze daden, een antinomie (geen vrees, Braeckman legt uit wat daaronder verstaan wordt) waarop Kant zijn tanden al stuk beet. Volgen al onze handelingen voort uit onderliggende oorzaken waaraan we niets te zeggen hebben? “Veel mensen gaan in tegen de deterministische elementen van cultuur, religie, wetten, enzovoort. Toont dit niet aan dat we vrij kunnen kiezen?” Is een verslaafde helemaal zelf verantwoordelijk voor zijn probleem? En wat als hij dronken in de auto stapt en iemand aanrijdt? Kan iemand met het syndroom van Gilles de la Tourette eraan doen dat hij iemand begint uit te schelden? De twee auteurs zoeken samen naar antwoorden, die zij aan de lezer beter kunnen aanreiken dan ik dat kan.
Over zingeving
Opnieuw vertrekt het antwoord op die vraag vanuit religieuze hoek: “Veel gelovigen, toch in de monotheïstische traditie, denken dat er geen diepe, gefundeerde zingeving kan bestaan zonder religie”, zo leidt Verhofstadt het gesprek in. “Wie in mij gelooft, heeft eeuwig leven”, schrijft Johannes. “Dit is de essentie van het christendom, zoals naar voren gebracht door Paulus, de eigenlijke stichter ervan.” Heeft dit aardse leven zin of is het enkel een voorwaarde om in het hiernamaals eeuwig te genieten of te lijden? Willen we wel een eeuwig leven? Op de boekvoorstelling vertelde Braeckman een grap die wonderbaarlijk illustreerde dat een eeuwig leven onvoorstelbaar is en misschien uiteindelijk neerkomt op extreme verveling.
Ik herinner me de woorden van Epicurus, dikwijls aangehaald door Vermeersch: “De dood is niets voor ons, want als we er zijn, is de dood er niet, en als de dood er is, zijn wij er niet.” Hadden de postmodernisten gelijk, die vonden dat nadenken over zingeving geen zin heeft, of was het Wittgenstein die opmerkte “dat het mysterie niet zozeer is hoe de wereld eruitziet, maar dat hij überhaupt bestaat”.
Misschien heeft het leven enkel zin als je kinderen op de wereld zet. Heeft het universum zin? Wat is de betekenis van ‘betekenis’? Moet ieder van ons maar zelf zin aan zijn korte bestaan geven?
Kortom, ook dit afsluitende hoofdstuk geeft stof genoeg om lang over na te denken, of beter gezegd, om mee na te denken met de auteurs over wat een mens tot een mens maakt.
In gesprek met
De rollen tussen de gesprekspartners zijn verdeeld in een vragensteller en iemand die de antwoorden geeft, maar – zoals de titel al aangeeft – beiden weten waarover ze het hebben. Je kan namelijk geen goede vragen stellen als je geen kennis van zaken hebt. Je kan niet dieper ingaan op een filosofische veronderstelling als je niet weet waarover er gesproken wordt. Je kan evenmin een kritische vraag stellen. Verhofstadt stelt de vragen en laat meestal de antwoorden over aan zijn gesprekspartner. Hijzelf schreef verschillende boeken over onderwerpen die aangekaart worden, zoals atheïsme of het schier onbegrijpelijk geweld van de Nazi’s in W.O. II. Van zijn hand zijn bijvoorbeeld de 10 geboden van de atheïst. Braeckman is behalve een evolutionist, een humanistisch ingestelde persoon, wat we in zijn boeken terugvinden. Hij is een uitstekende verteller, zodat er afwisseling is tussen feiten en begeleidende verhalen. Herhalingen zijn onvermijdbaar, want de hoofdstukken belichten allemaal een aspect van hetzelfde verschijnsel “mens”.
Beide vrienden zijn zeer belezen. Op elke bladzijde wordt verwezen naar auteurs. In de uitgebreide Bibliografie en in de Noten worden de namen van auteurs en hun boeken aangehaald. Interessant is ook dat we in de Noten namen terugvinden van mensen of gebeurtenissen die ons misschien niet meer helder voor de geest staan. Ik geef een voorbeeld: wie is de vermelde Alan Turing? Waarom was het boek van Paul Ehrlich belangrijk? We kennen Freddy Horion ongetwijfeld nog, maar wat komt hij hier doen?
Het Register is gemakkelijk als je bijvoorbeeld even wil opzoeken waar Asimov Isaac, Zweig Stefan, zelfdoding, genetica of de getuigen van Jehova in de filosofische gesprekken opdoemen.
Het is geen boek dat je in één ruk uitleest, maar het is zeer toegankelijke lectuur voor iedereen die geïnteresseerd is in de zoektocht naar menselijkheid.
Gerda Sterk
Meer van Gerda Sterk