17 juni 2026
John, zoon van John
Douglas Stuart is modeontwerper van opleiding en schrijver door noodzaak: zijn romans groeien uit een jeugd die hem nooit helemaal heeft losgelaten. In 2020 maakte hij furore met zijn literaire debuut 'Shuggie Bain', een autobiografisch gekleurd verhaal over de onvoorwaardelijke liefde van het titelpersonage voor zijn verslaafde moeder in het straatarme Glasgow.
Pers en publiek omhelsden die onverbloemde roman zonder voorbehoud: Stuart won de Booker Prize en het boek verkocht meer dan anderhalf miljoen exemplaren. Dat was ronduit ongezien voor een manuscript waarmee de toen vierenveertigjarige Stuart jarenlang tevergeefs had geleurd bij uitgeverijen. Terwijl hij een uitgever zocht schreef hij al aan de opvolger Mungo, en bedacht hij ook de eerste passages van wat een heel ander boek moest worden. Nu, vier jaar na Mungo, is die lastige derde er eindelijk.
Voor vrijdenkers, die doorgaans niet op verzoening met het hiernamaals zitten te wachten, is John, zoon van John bijzonder relevant leesvoer. Stuart tekent namelijk een wereld waarin het protestantse geloof niet als bevrijdende kracht maar als een onverbiddelijk sluitend systeem functioneert, een systeem dat individuen in de greep houdt via schuld, schaamte en de onderlinge sociale controle van een benauwde eilandgemeenschap.
De openingspagina's van de roman zijn meteen een goede maatstaf voor wat Stuart vermag. Cal staat in een rode telefooncel aan de rand van The Meadows in Edinburgh en luistert half naar zijn vader die uit het Nieuwe Testament voorleest, terwijl hij met zijn vingers de visitekaartjes streelt die er zijn neergelegd door masseuses en prostituees. Stuart schrijft:
Als zijn vader de psalm voorzong, was het de bedoeling dat Cal uit volle borst terug zong, in het Gaelic. Maar als er een uitzonderlijk knappe man voorbijkwam, maakte hij zich klein en dempte zijn stem, en dan vroeg John steevast waarom hij zo weifelend klonk. [...] Hij merkte dat het zingen hem het best afging als hij met zijn vingers langs de visitekaartjes streek die daar waren neergelegd door masseuses en prostituees. (pp. 7-8)
Met John, zoon van John verkent Stuart resoluut nieuwe wegen. Hij laat de autobiografische inslag van zijn vorige twee romans grotendeels achterwege en ruilt zijn geboortestad Glasgow in voor het fictieve eilandje Farabay, naar alle waarschijnlijkheid gemodelleerd op het Hebrideneiland Harris, dat wereldberoemd is om zijn tweedweefsel. Daar keert Cal, voluit John-Calum, na zijn opleiding aan de kunstacademie terug. We schrijven midden jaren negentig en er is op Farabay weinig meer te doen dan schapenhoeden, vissen en zwijgen. Cal wordt opgevangen door zijn vader John en diens schoonmoeder Ella. Moeizaam proberen vader en zoon opnieuw een band op te bouwen, maar Cal is er als de dood voor dat John zijn geaardheid ontdekt.
Met de sfeerschepping zit het uitstekend. Stuart heeft zijn huiswerk grondig gedaan: zijn beschrijvingen van de Schotse eilandcultuur ogen bijzonder overtuigend, je voélt gewoon hoe hij minutieus de lokale religieuze gebruiken en de sfeer van het weefambacht heeft ontleed. De eilandengroep is ook een dankbare setting voor een verhaal over onderdrukte gevoelens: inwoners spreken er nog de Schotse variant van het Gaelisch en verenigen zich in strak georganiseerde presbyteriaanse kerkgemeenschappen. Aan de hand van cursieve dialogen geeft Stuart aan wanneer zijn personages Gaelisch spreken, maar het is vooral alles wat onuitgesproken blijft dat zijn verhaal vierhonderd pagina's lang voortstuwt.
Want Cal is lang niet de enige eilander die in de knoop zit met zichzelf. De werkelijk fascinerende figuur in de roman is zijn vader John: een schapenboer, wever en streng kerkvoorganger die in het geheim een verhouding onderhoudt met zijn buurman Innes. Die affaire gaat gepaard met een ritueel van gesloten gordijnen en doorzochte kamers, alsof de wereld elk moment kan binnenvallen. Stuart vat Johns innerlijk verscheurde bestaan samen in een alinea die zijn rauwe beknoptheid niet loslaat: Hij hield van God. Hij hield van Innes. Hij hield van God en God walgde van de manier waarop hij van Innes hield…
Innes is ook voor Cal de enige figuur op het eiland bij wie hij even tot rust kan komen, de enige die zijn geaardheid kent en er zonder angst over kan spreken. Dat blijkt uit een dialoog verderop in de roman, wanneer Innes halverwege het losmaken van zijn hemdknoopjes abrupt stopt omdat Cal hem iets vraagt:
'Geloof jij het echt…' hij pulkte tussen zijn voortanden; 'geloof je echt dat ik naar de hel ga als ik Jezus niet vraag om mij te redden?' Innes stopte abrupt met het losmaken van de knoopjes van zijn hemd. 'Ik hoop het niet.' Er zaten slijtplekken op zijn overhemd. Een van de manchetten werd bij elkaar gehouden door een reeks verfijnde, kundige verstelsteekjes. 'Misschien hebben de katholieken het beter voor elkaar.' 'Zeg dat alsjeblieft nooit tegen je vader!' 'Als ik doodga,' zei hij grijnzend, 'laat ik genoeg geld na om een koor van dragqueens in te huren dat in de St. Giles-kathedraal voor mijn onsterfelijke ziel kan zingen.' 'Ketter!' (pp. 290-291)
Die verstelsteekjes op de manchet zijn kenmerkend voor Stuarts manier van schrijven: het concrete detail dat meer zegt dan een pagina uitleg, de tederheid die zijn personages voor elkaar kunnen opbrengen precies daar waar ze er geen woorden voor vinden.
Ook de wekelijkse telefoongesprekken tussen Cal en zijn vader zijn doorkneed van wat er niet wordt gezegd. Vader en zoon hebben een ritueel afgesproken: Cal belt op het afgesproken tijdstip, laat de telefoon driemaal overgaan en hangt op, waarna zijn vader terugbelt. Want ze hebben geen geld voor interlokaal bellen. Stuart schrijft:
Cal zei nooit dat hij geen dak boven zijn hoofd had. Hij zei nooit dat hij sinds zijn afstuderen misbruik maakte van gastvrije studiegenoten, dat hij van de ene bank naar de andere hopte en wachtte tot de bewoner naar zijn werk ging, zodat hij als een bosmuis op voedseljacht kon gaan, en dan pakte hij net genoeg om zijn honger te stillen zonder gesnapt te worden. [...] Bovenal verzweeg hij dat hij vaker dan hem lief was bleef slapen bij een vriendelijke Welshman die het liefst op zijn buik lag als hij door Cal werd geneukt, met zijn armen onder zich geklemd en zijn handen samengevouwen in een vrome, hulpeloze houding. Als hij dat aan zijn vader vertelde, zouden dat zeker de laatste woorden zijn die hij met hem zou wisselen. (p. 8)
Wie zowel Shuggie Bain als Mungo las, wordt in deze roman opnieuw geconfronteerd met hetzelfde basispatroon: een gevoelige, homoseksuele jongeman in een knellend Schots milieu, intergenerationeel trauma, een gemeenschap die haar leden via schaamte en zwijgen in het gareel houdt. Stuart bewerkt stelselmatig hetzelfde terrein, en voor wie zijn werk goed kent begint de herkenning te wringen. Dat is geen verwijt maar een vaststelling: wie consequent dezelfde obsessies uitdiept, betaalt daarvoor vroeg of laat een prijs in verrassingskracht.
Meermaals verwijst de roman naar Emily Brontës klassieker Woeste hoogten (1847), en die toespeling werkt als een tweesnijdend zwaard. Ook Brontë ging voluit voor de grote emoties, maar zij wist die uitzinnige plot te verpakken in een bovennatuurlijke sfeer en bevreemdend, bezwerend proza. Bij Stuart staan de realistische schrijfstijl en de haast etnografische nauwkeurigheid op gespannen voet met zijn hang naar melodrama. Zeker in de laatste akte volgen de ontknopingen elkaar razendsnel op: een tragisch ongeluk hier, een ongewenste zwangerschap daar, allerhande 'ik-heb-het-altijd-geweten'-ontboezemingen. Het overzicht raakt daarbij nu en dan zoek, en de lezer die Stuart op zijn best heeft gezien weet dat hij dit niet nodig heeft.
Maar dan is er grootmoeder Ella, de vrolijke dissonant in dit zware geheel. Grofgebekt, schrander en resoluut, ziet ze feilloos door iedereen heen terwijl zij zelf een ingenieus web van geheimen onderhoudt. Ella is naar mijn aanvoelen het sterkste personage dat Stuart tot nu toe heeft geschreven: zij geeft het boek zijn adem en zijn zachte humor. Stuart is een rasverteller, zijn proza sierlijk en vloeiend, en hij trekt een indrukwekkend decor op. Dat eiland, voortdurend geteisterd door wind en een hemel die nooit helemaal opklaart, heeft iets van de dreigende luchtpartijen in Turners late zeeschilderijen: de elementen zijn er nooit decor maar altijd protagonist.
Voor de 'van God losse' lezer biedt de roman een bijzonder scherpe blik op de mechanismen van religieuze sociale controle. De dominee weet dat zijn congregatie gevangenzit, niet alleen in geografische zin maar ook door de verwachtingen van haar buren, en hij gebruikt dat inzicht niet om hen te bevrijden maar om hen nog strakker bijeen te houden. Stuart beschrijft die hypocrisie met een niet-moraliserende zachtheid die zijn personages recht doet: niemand in dit boek is ronduit slecht, iedereen is bang, en die angst verklaart meer dan welke boosaardigheid ook. Dat is een humanistisch inzicht dat Stuart nergens uitspreekt maar wel op elke pagina belichaamt.
John, zoon van John kraakt hier en daar onder het gewicht van zijn eigen ambitie. Maar het is ook het werk van een schrijver die zijn personages liefheeft zonder ze te sparen, en die zijn morele ernst nooit voor retoriek heeft ingeruild. Voor wie Stuarts werk nog niet kent is dit een overweldigende kennismaking. Voor wie zijn vorige romans kent is het een bevestiging: zijn stem wint aan kracht, ook al zingt hij steeds hetzelfde lied. Stuart weet in sobere, trefzekere zinnen te vatten hoe een alledaags leven als een vulkaan tot uitbarsting kan komen.
Schrijven kan de man alleszins.
Benny Madalijns