• |
Paul van de Water
Marc De Bock
Non-fictie
  • 204 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering boekreview

19 augustus 2020 In dienst van de nazi’s. Gewone mensen als gewelddadige collaborateurs
Paul van de Water (°1953) heeft Nederlands, opvoedkunde en sociaalwetenschappelijke informatica gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werkte als docent en manager in alle geledingen van het onderwijs. In het bedrijfsleven was hij hoofdredacteur van verschillende tijdschriften.
Na zijn pensionering is hij als extern promovendus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn proefschrift handelt over extremistische collaborateurs tijdens de bezetting van Nederland (1940-1945). Aanleiding daartoe was een genealogisch onderzoek van zijn eigen familie. Daarbij stuitte hij op ene Lucas Bunt, die tijdens de bezettingsjaren in Friesland een gewelddadige, gehate en gevreesde handlanger van de Duitsers bleek te zijn.
Van de Water wilde weten hoe en waarom een “gewone” kleine horecaondernemer zoals Lucas Bunt kon ontsporen tot een beruchte collaborateur. “Dat werd het fundament voor mijn fascinatie voor andere gewelddadige daders en verraders”, oppert hij in de inleiding. Het boek publiceerde hij nog voor de afwerking van zijn promotieonderzoek. Met dit verschil dat hij hierin slechts elf collaborateurs heeft bijeengebracht die men tevergeefs zal zoeken in de ruimere, maar nog niet afgeronde wetenschappelijke studie over hetzelfde onderwerp waarmee hij hoopt te promoveren.

Het boek omvat elf biografieën van Nederlandse mannen en vrouwen, meestal van gewone komaf, die zich in dienst van de nazi’s te buiten gingen aan verraad, diefstal, brandstichting, mishandeling, marteling, moord en doodslag. Van de Water maakte zijn selectie na uitvoerige raadpleging van allerlei archieven, zoals het Nationaal Archief in Den Haag, het Nationaal Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) in Amsterdam en het Tresoar in Leeuwarden.
De korte levensbeschrijvingen van de criminelen verlopen vrijwel steeds volgens hetzelfde stramien: beginnend met een treurige jeugd, overgaand in een spiraal van intimidatie, terreur, geweld en tegengeweld, met name tijdens de laatste maanden van de bezetting, en eindigend met het verlies van hun laatste restje menselijkheid. Dit wordt aangevuld met de naoorlogse berechting van de betreffende misdadiger. Het is deprimerend leesvoer. Vooral de expliciete uitbeelding van de martel- en moordpraktijken en zelfs van seksuele wreedheden, zal menig lezer de stuipen op het lijf jagen. En dat, zeg maar, elf keer na elkaar.

We maken kennis met het lugubere Scholtenhuis in Groningen, ook wel het voorportaal van de hel genoemd, waar sadisten als Zacharias Sleijfer en Pieter Schaap hun ziekelijke behoeften konden botvieren. We worden ingewijd in de allernieuwste foltergebruiken van toen, zoals “de kapbehandeling” en “de badkuipmethode”. En niet zonder te slikken lezen we over het wedervaren van de bij verstek ter dood veroordeelde SS’er Jacobus Philippa die 29 jaar (!) uit de klauwen van justitie wist te blijven door onder te duiken op een zolderkamer van zijn ouderlijk huis in Den Haag. Er verschijnen ook vrouwelijke Nederlandse collaborateurs ten tonele, zoals Jacoba Roelofs en Ria Jorink, beide beruchte bewaaksters in het concentratiekamp Auschwitz. Of Branca Simons, jodin nota bene, die uit lijfsbehoud als “V-Frau” (Vertrauensfrau) van de Sicherheitsdienst (Joodse) onderduikers verried, zelfs familie en bekenden. De elfkoppige selectie van de auteur wordt afgerond met Piet Richard Cieraad, “het monster van Zwolle”, de psychopaat Hans Loyen, de spijkerharde fanaticus Marinus Jansen, de terreurzaaier Pier Nobach en de uiterst verdorven Willem van de Loo.
We stellen ons echter vragen. Waarom precies deze elf? We weten dat er in die periode wel honderden andere gewelddadige Nederlandse collaborateurs actief waren. We moeten van de Water vertrouwen dat die elf geselecteerden een evenwichtig beeld geven van zijn indrukken die de studie van “vele tientallen dossiers” hem hebben opgeleverd. Zo poneert hij dat er opvallend vaak sprake is van een problematische jeugd. Tja, daartegen kan ingebracht worden dat vrijwel iedereen destijds een armoedige rotjeugd beleefde.

Maar goed, na elf horrorverhalen volgt een uitgebreid hoofdstuk over de zogeheten Bijzondere Rechtspleging. Deze rechtspleging had na de bevrijding van Nederland tot doel om al diegenen te berechten die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog schuldig hadden gemaakt aan (vooral) collaboratie, hoogverraad en landverraad en oorlogsmisdaden. Eigenlijk een overbodig hoofdstuk, gezien het ons niets leert over het profiel van de gewelddadige collaborateur. Maar het brengt ons wel wat bij over de bedenkelijke rol van de rooms-katholieke kerk bij de geprivilegieerde behandeling van sommige gedetineerden.
Daarna wordt het tijd voor zijn eindnotities. Hij concludeert: “De portretten van de elf daders laten zien dat er veel verschillen en beduidend minder overeenkomsten bestaan.” En verder: “Het gebrek aan of de afwezigheid van empathie is in zijn algemeenheid kenmerkend voor de daders van gewelddelicten.” Dat laatste is nogal wiedes en geen wereldschokkend nieuws.

Het voornaamste punt van kritiek is evenwel dat de schrijver geen aandacht schenkt aan de schadelijke effecten van al die uiteenlopende noodlottige factoren op het brein van de besproken geweldenaars. Sociale omgeving, ideologie, onderwijs, religie, lichamelijke en geestelijke mishandeling, verdovende middelen, armoede, enz. kunnen immers hersenafwijkingen of -stoornissen veroorzaken en dus nefast zijn voor de impulsbeheersing, de empathie en het hanteren van morele kaders. Want hedendaagse Nederlandse neurowetenschappers, zoals Dick Swaab en Erik Scherder, zijn het unaniem eens: er is veelal wel degelijk een verschil tussen een crimineel brein en een gewoon brein. Hersenonderzoek kan ons veel vertellen over de achtergrond van het gedrag van de delinquent in relatie tot zijn ontwikkeling. Vandaar het toenemend belang van neuro-informatie bij de behandeling van (zware) strafzaken in onze rechtszalen. Helaas heeft van de Water niet diep genoeg gepeild om de verklaring voor de extreme vergrijpen van zijn hoofdpersonages op een meer solide wetenschappelijke basis te onderbouwen.

Desondanks is ´In dienst van de nazi’s´ een gruwelijk goed boek. Sterk gedocumenteerd. Somber en toch erg meeslepend. Niet geschikt voor gevoelige zielen. Maar methodologisch voor discussie vatbaar.
De uitgave zal de lezer ongetwijfeld ook nog eens aanzetten tot het filosoferen over de vraag of de mens al dan niet verantwoordelijk is voor zijn (mis)daden.
Hoe dan ook, de auteur belooft ons dat zijn volgend boek zal handelen over een onderwerp dat wat luchtiger is en waarin geperverteerde of gewelddadige mannen en vrouwen geen of hooguit een marginale rol spelen…
Paul van de Water
Marc De Bock
Non-fictie
-
_Marc De Bock -
Meer van Marc De Bock

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies