Joris Mertens
Victor De Raeymaeker
fictie
  • 76 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

23 november 2022 Béatrice
Ik wil niet verder lezen. Ik wil gewoon niet verder lezen, want met iedere gelezen bladzijde kom ik korter bij het onherroepelijke, onverbiddelijke einde waarna het boek “op” is, het leesgenot voorbij.
Lezen is eigenlijk het verkeerde woord. Want om Béatrice te “lezen” moet je zelfs de inspanning van het lezen niet leveren. Béatrice bestaat namelijk uit meer dan honderd zuiver getekende pagina’s. Vol prachtige, betoverende tekeningen. Fris, nieuw, auteur onbekend, want getekend door een debutant op gebied van strips, comics, graphic novels. En die lukt er dan nog in de aartsmoeilijke prestatie te leveren een meer dan 100 bladzijden, volledig stripverhaal te tekenen, zonder tekst. Die zet daar meteen een meesterwerk van een beeldverhaal neer zonder onderschriften, zonder tekst, zonder spreekballonnetjes, zelfs geen paginanummers. De enige “woorden” zijn de lichtreclames, de namen van de winkels, de hotels, de café ’s, de grootwarenhuizen en gebouwen: Sarma, Alain Delon, Yves Montand, Bazar, Glou-glou (Guust Flater…) Prot, en de vier titels voor de vijf hoofdstukken van dit boek, die – onder mooi getekende vignetten - telkens een nieuwe verhaalfase aankondigen: “La Brouette”; “Album”; “Dimanche”;  “Faust” en eentje zonder woord(en).
Het allesoverheersende “personage” van dit boek is een imaginaire grootstad, een amalgaam van Brussel en Parijs in de jaren zeventig. Groot en imposant, druk en warm, immens en monumentaal, overweldigend als achtergrond, de grandeur van het nu verdwenen Brussel dat Joris Mertens met een zekere nostalgie en bewondering herschept, architecturaal perfect, alhoewel getekend met duizenden nerveuze krabbels waarbij hij zelfs de moeite niet doet om uitschuivertjes te verbeteren, gewoon alles inkleurt met een verbluffend schilderkunstig talent en vakmanschap.
In de grandeur en monumentaliteit van dit Art Nouveau decor, beweegt, woont, werkt, slaapt, leeft het andere  hoofdpersonage(tje), Béatrice, een kleine, frêle, jonge vrouw, in een fris rood manteltje, aantrekkelijk, onschuldig, kwetsbaar, dapper in de massa van deze zeer aanwezige stad, waarin ze leeft, werkt, op zoektocht gaat.
De eerste beelden van hoofdstuk één, “La Brouette”, zijn een portret van de stad ’s morgens, straten propvol auto’s (Peugeot 404, mini-Cooper, Citroën DS, Renault 4 en 1, de Belgische Ambulance, de tram…) de Gare de Lyon (die hier “Gare Central” geworden is), de Grand Bazar en “Lafayette” (voor de gelegenheid in dit album tot "La Brouette” omgedoopt).

Massa’s mensen die op weg zijn naar hun werk en de straat oversteken langsheen de rood-wit gekleurde “rode lichten”, tussen auto’s en tram in het grijs van de morgen, met enkel een streepje zon in een kruisstraat.
In volgende frames: ook al zon op de bovenste verdieping van hogere gebouwen. Neonverlichting in de uitstalramen. In die grijze massa een jonge vrouw die opvalt door haar rood manteltje, lief gezichtje, grote bril, beslist en toch dromerig, ietsje breekbaar. Ze is een fragmentje in een drom mensen, zonder veel gelaatsuitdrukking, die zich verder bewegen zonder met elkaar te praten. Voeten die stappen. Knoestige boom die de stad overleeft. Panoramisch zicht op deze mensenstroom, vanuit een hoog boograam, het rode vlekje van Beatrice, nog steeds in de massa, dan plots van kortbij.
Ze kijkt verrast, ze heeft iets opgemerkt. Onderaan een ijzeren pilaar staat een vergeten tas die opvalt omdat die ook rood is. Béatrice stapt verder. Kijkt nog eens om. De tas staat daar nog. Ze komt in het station met de reusachtig grote ijzeren koepel. Leest in de trein “Bonjour Tristesse”  knappe tekening in zes frames van de kleine gebaartjes en amper veranderende gelaatsuitdrukking van Béatrice bij het lezen, onderbroken door daverende treinwielen. Ze merkt dat ze op haar bestemming aankomt. Steekt het boek in haar handtas. Stapt uit. Komt aan bij “La Brouette”, het bekende grootwarenhuis waar ze werkt. Béatrice maakt de kassa klaar, borstelt mannequinpoppen af, hangt jassen netjes, legt prijskaartjes, opent deuren en een massa eerste klanten loopt de bekende, grote, feestelijk rode trappen van Lafayette op, naar de “collection hiver 72”. Waardoor we met zekerheid weten dat ons verhaal zich in de jaren zeventig afspeelt.
Béatrice verkoopt handschoenen (één grote frame met uitstalkast en kiezende dame). Dan volgt één pagina met in 12 frames de verschillende soorten handelingen die ze verricht gedurende de dag. Met klantvriendelijke glimlach .

’s Avonds, op weg naar huis, staat de rode tas daar nog altijd, onaangeroerd.

“Thuis” is een klein appartementje, zeer herkenbaar jaren 70, twee poezen, gezellig, rommelig, warm licht, ijzeren bed en verder lezen in Sagan. Een prachtige dubbele bladzijde toont de stad. Gezien vanuit Béatrice’s optrekje? Of gewoon maar een sfeerbeeld met veel lichtreclames en hier en daar al één van de torengebouwen waarvoor het oude Brussel boek zal gesloopt worden. Beatrice is ondertussen “jouw” personage geworden, alleen in dat grote monster van een grootstad.
In hoofdstuk twee, “Album”, een herhaling van “métro, boulot, dodo” - op weg naar haar werk - staat die tas daar nog.

Béatrice verricht haar dagelijkse taak in het historisch décor van “La Fayette”. Meubels, gebruiksvoorwerpen, tot en met de kleinste dingetjes zijn zo prachtig en met zoveel plezier getekend, dat je kan blijven kijken, andere details ontdekken en er van genieten.

Na haar werk moet Béatrice door de regen, voorover gebogen, kraag omhoogtrekkend. Tussen het doolhof van voeten en onderbenen door van de naast haar stappende mensen, ziet ze plots weer de tas. Rood, in close-up. Ze kijkt even rond, aarzelt, grijpt impulsief de tas. Ze loopt verder door de regen, lichtjes gebogen, de tas omarmend. Haar leven zal drastisch veranderen.
Veilig thuis trekt ze haar natte jas uit, droogt haar haar en, terwijl haar twee poezen nieuwsgierig het vreemde rode ding dat tegen te tafelpoot leunt, komen inspecteren, zet ze een tas koffie. Dan plaatst ze de tas onder het lamplicht op de tafel en haalt er een bruin voorwerp uit. Dat blijkt een oud “Photo Album” te zijn. Ze opent, bladert en kijkt. Grote ogen, open mondje van verrassing. Twee pagina-grote zwart-wit foto’s van twee jongelui van haar leeftijd. Ze glimlachen aantrekkelijk. Wat ze zullen blijven doen op iedere foto in het album. Ze stralen geluk en plezier uit. Ze genieten van het leven, genieten van het van elkaar houden. We krijgen nu afwisselend een volgende zwart-wit foto en gebeurtenis van het paar en het gezicht in kleur van Béatrice te zien. Prachtig gevat getekend, zien we haar gelaatsuitdrukking veranderen, het plezier van de twee straalt ook uit haar gezicht. Haar gezichtje verraadt toenemende sympathie en vereenzelviging.
Hoofdstuk 3 heet “Dimanche”. Het er bijhorend vignetje evoceert deze zondagsatmosfeer met een mensen-leeg hoekje “Brussel”.

Béatrice zit in een restaurant met een tas koffie en kijkt in het foto-album. Haar twee fotohelden komen uit een schaatsring. Achter de foto steekt een blauw hoekje van een kaartje uit. Het is een oud ticketje voor “Patinoire Pole Nord”.

Dan doet Béatrice weer iets dat haar leven in een totaal andere richting zal sturen. Ze kijkt op een stadskaart waar de Patinoire zich bevindt en gaat op zoektocht.
Ze neemt de Metro, stapt door het Stadspark, door “Brusselse” hoekjes en kantjes, voorbij herkenbare monumenten. Eigenlijk loopt ze nu rond in het decor van haar fotoboek op de plekken waar haar personages leefden, lief hadden, trouwden. Zouden die nog bestaan? Ze gaat op zoek. En wij “lezers” van dit beeldverhaal, mogen mee genieten en het werk van Joris Mertens bewonderen.
Béatrice koopt in een gezellig tweedehands boekenwinkeltje enkele boektitels: Rudolphe Valentino, Colette, Art Deco, Monet, Picasso, het boek “Arc de Triomphe” van Erich Maria Remarque. Onderweg in de bomvolle tram leest ze er in. Uit het venster ziet ze plots “Café Faust” dat ze herkent van een kiekje met haar “helden”.

Ze stapt meteen uit en gaat, lichtjes aarzelend, door het raam naar binnen kijken. De “Faust” daarbinnen is helemaal onveranderd gebleven. Een close-upje van de hand van Beatrice op de deurgreep, die de deur openduwt, stuurt haar leven weer verder in het begin van een nieuwe wereld die opengaat. En die niet is wat je verwacht. Hoe kan dat ook anders als het oord waar je binnentreedt “Faust” heet?

Ondertussen (2022) is een tweede Graphic Novel van Joris Mertens verschenen: Bleekwater.
Een ander verhaal, met een ander thema en hoofdpersoon, natuurlijk, maar het toneel speelt zich nog altijd af in de jaren 70 en in een stad die hij met veel succes samenstelde met brokken Brussel, Parijs en Antwerpen.

Deze keer heeft Mertens wel tekst gebruikt, wat hij even vanzelfsprekend en raak doet als tekenen. Zijn tekeningen zijn nog beter, zijn stad nog “echter” en nog sfeervoller. Alles speelt zich af onder een grijze hemel en eeuwig vallende regen, wat meesterlijke scènes oplevert en dubbel-pagina schilderijen die op zichzelf best in een galerij of museum mogen hangen naast “erkende” kunstenaars. En de plot even onverwacht en Belgisch surrealistisch.
Het beeldverhaal dat ooit met de vinger werd gewezen omdat het goedkoop vermaak was en kinderen en mensen weghield van “goede” boeken en ernstige lectuur has come of age. Het is zelfs niet moeilijk Graphic Novels aan te wijzen die het niveau halen van de Grote Literatuur en de Grote Visual Art. Maar. Let op: in één en hetzelfde object.

Het werd hoog tijd dat er een stripverhalenmuseum kwam en dat de namen van striptekenaars weerklinken naast die van Rushdie of Magritte.

Lees nog eens opnieuw. Nog eens kijklezen.

Victor De Raeymaeker
Joris Mertens
Victor De Raeymaeker
fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies