Fred Duval, Nicolaï Pinheiro, Michel Bussi
Victor De Raeymaeker
fictie
  • 739 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

5 februari 2023 Ogen zo blauw
23 december 1980, 00:33. Donkere nacht, reuze bliksemflitsen, sneeuw, stormwind, een vliegtuig van Turkish Airlines in duikvlucht, speelbal van de elementen. Het toestel kan zich toch rechten.
In het vliegtuig zitten de passagiers er op zijn minst ongemakkelijk bij, houden zich krampachtig vast aan hun zetels. De twee stewardessen doen hun best om iedereen gerust te stellen, uit de luisprekers komt de boodschap: “We vliegen in stormweer boven de Jura.”
Dan gebeurt het. Een stewardess die bezig was met babyspulletjes, slaakt een kreet. Flesje melk, lepeltje, kommetje, koekje, stewardess, petje, vliegen door de lucht. Het toestel scheert de boomtoppen. Twee grote, blauwe ogen van een baby kijken je angstig aan, wordt omhoog gegooid tussen slingerende zuurstofzakjes. Een beeld dat je ook nog eens van buiten ziet door een vliegtuig raampje. Het toestel boort zich een weg door de dennenbomen en de sneeuw, breekt doormidden, ligt daar in een oneindig landschap, duisternis en sneeuw, een vlam schiet op uit de breuklijn van het toestel, onooglijk vuurstipje in een grootse natuur, ver weg van hulp en beschaving.
Dit zijn de eerste beelden van deze 174 bladzijden dikke graphic novel, getekend naar een 576 pagina’s dikke detectiveroman van Michel Bussi Un avion sans elle. Bussi is een buitengewoon succesvol auteur in Frankrijk, waar hij in 2019 één miljoen boeken verkocht, één boek per jaar schrijft en in 38 talen vertaald werd. In het Nederlands taalgebied blijft hij voorlopig nog onbekend, op twee boeken en op dit verstripte Ogen zo blauw na. Het is een eerste beeldroman in een reeks, gewijd aan boeken uit zijn oeuvre.
Alle passagiers in het gecrashte vliegtuig zijn dood, behalve een drie maand oude baby met prachtige, blauwe ogen die als bij mirakel naar buiten geslingerd werd en in leven gehouden door de hitte van het brandend vliegtuig tot de reddingsdiensten kwamen opdagen.
Zoiets is nieuws en verschijnt in alle kranten. “Libel”, zoals ze haar noemen, wordt geclaimd door de grootvader Léonce de Carville, 55 jaar oud, rijk grootindustrieel. Hij komt het kindje meteen opeisen in het hospitaal waar “Libel” verzorgd wordt in de kraamafdeling na haar wonderbaarlijke redding. Op het ogenblik van de overdracht krijgt de dokter een telefoontje. Pierre Vitral, die samen met zijn vrouw Nicole frieten en worsten verkoopt op alle stranden van Noord-Frankrijk zegt dat die baby van drie maand, met blauwe ogen, hun kleindochtertje is, “onze Emilie”. Er waren twee baby’s aan boord van het vliegtuig: Lyse-Rose de Carville en Emilie Vitral. Er is geen enkele aanduiding of gegeven waardoor één van beiden kan bewijzen dat het om hun kleindochtertje gaat. DNA tests bestaan nog niet…
Een kinderrechter moest beslissen. Niettegenstaande het feit dat Vitral arm is en Léonce schatrijk, oordeelt de rechter dat de baby het kleindochtertje is van Vitral, voornamelijk op de basis van een ontbrekend armbandje en het feit dat niemand in de familie de Carvilles blauwe ogen heeft.
Léonce is niet gewoon dat hij zijn zin niet krijgt en gaat het daar niet bij laten. Het is zijn kleindochtertje, hij kan haar een goede toekomst geven en hij probeert met dit argument, een grote som geld nu en nog meer later, de Vitrals om te kopen. Dat gesprek eindigt met “Ons huis uit, meneer, u en uw aktentas”.
De Carville krijgt twee beroertes, zit van dan af verlamd en stom in een rolstoel. Zijn vrouw neemt de zaken in de hand. Met instemming van de Vitrals, schrijft ze elk jaar honderdduizend Frank over, bestemd voor de opleiding van “Emilie”. Trouw aan het beeld van eerlijke volksmensen, nemen die het geld wel aan, dat op een spaarboekje zal komen tot Emilie 18 is en meerderjarig en ze kan beslissen wat ermee doen. Mevrouw de Carville ze huurt de diensten in van een privédetective, met de onmogelijke naam “Crédule Grand Duc”, die ze 18 jaar lang een stevig bedrag zal betalen als hij “de waarheid achterhaalt, zelfs als ze negatief is voor mij.”
Crédule zou gek moeten zijn als hij die opdracht niet zou aannemen. Achttien jaar zekerheid, een vast (ruim!) inkomen. Hij zal daar ook 18 jaar mee bezig blijven, wat hem tot de één van de hoofdfiguren van de roman maakt en zijn zoektocht een belangrijke rode draad. Hij spreekt met alle getuigen: de brandweerlui, de agenten, de dokters, de receptioniste op de luchthaven die zich slechts één baby herinnert die ingescheept werd. Hij gaat graven op de Mont Terrible, in de hoop het kettinkje dat baby droeg, terug te vinden, of zelfs een stukje ervan. Zonder resultaat. Hij ontdekt een schuilhutje, waar iemand lijkt gewoond te hebben, met ernaast een kindergrafje. Hij gaat in Turkije de winkel zoeken waar de kinderkleedjes gekocht werden en hij begint zich allerlei onmogelijke “sporen” en “oplossingen” in te denken. Op het einde van die 18 jaar is het mysterie nog steeds onopgelost en weet Crédule nog altijd niet. Is het mooie, blauwogige meisje Emilie of Lyse-Rose?
Wel schrijft hij alles nauwkeurig op in een boekje. Mooi 100 bladzijden in totaal. Dan heeft hij er genoeg van en omdat hij er niet in is geslaagd is de waarheid te achterhalen, is privédetective Crédule Grand-Duc van plan zichzelf een kogel door de hersens te jagen. Hij legt een nota bij het rode notaboekje, zodat het op haar 18e verjaardag bij de kleindochter van zijn opdrachtgeefster terecht zal komen, ruimt alle rommel op en gaat aan zijn bureau zitten om de trekker over te halen. Omdat hij wil vermijden dat zijn bureau volgespat zou worden met zijn hersens legt hij er een krant op uit die hij uit de opgeruimde rommel trekt. Het is de plaatselijke krant van  toen, de dag van de vliegtuigcrash en wat hij toevallig ziet, doet hem in lachen uitbarsten. Voor zijn ogen ligt de oplossing waarnaar hij al die jaren zocht.
Hij wordt vermoord voordat hij er aan iemand een woord kan van zeggen... Ook Mevrouw de Carville krijgt een kopie van de bewuste krant in handen, leest, denkt even na, begint dan ook te lachen, zegt “Oh ironie” en steekt de krant in brand… Ondertussen is DNA-onderzoek wel mogelijk en krijgt ze de uitslag. Ze geeft haar man-in-de-rolstoel een drankje, drinkt er zelf ook een, gaat op bed liggen…  Ze sterft, zonder te zeggen wat de uitslag is.
Doorheen alle andere verhaallijnen geweven, is er het verhaal van Mark, de mogelijke broer van “Lylie” of Emilie, de mogelijke baby van de Vitrals. Die groeien samen harmonisch op, houden veel van elkaar en worden uiteindelijk verliefd. Op de dag dat ze 18 wordt krijgt ze het rode boekje, leest het, geeft het aan Mark om ook te lezen en verdwijnt, zonder enige uitleg te geven.
Mark gaat natuurlijk op zoek naar haar, wat weer een avontuurlijke zoektocht oplevert, gemengd met het opsporen van de fameuze krant die ook hem zou kunnen duidelijk maken of Emilie nu zijn zus is of niet. Ondertussen heeft een ander DNA-onderzoek uitgewezen dat er geen verwantschap is tussen Emilie en haar “grootmoeder” Nicole.
Totzover een poging tot het weergeven van enkele deeltjes van de oorspronkelijke roman. Zoals je merkt is die eerder complex. Van Un avion sans elle, dat pamflet van 570 pagina's, kon volgens mij een derde gemakkelijk weggelaten worden. De valse sporen vermenigvuldigen zich tot je ballorig wordt van Bussi’s poging om de spanning kunstmatig te laten duren. Het is net alsof hij nu eens wou laten zien hoe knap hij is in het uitvinden van sporen waar hij de lezer in meeneeemt en het dan laat doodlopen. Dat is natuurlijk één van de noodzakelijke ingrediënten in een goede detectivestory en in zijn andere romans lukt hem dat best. In deze roman is de opstapeling gewoon irrritant en kan je de inspanning niet meer opbrengen om echt mee te denken. De plot is daardoor vervormd, de heldin bestaat niet en de anderen worden gestereotypeerd. De rijken zijn lelijk, gruwelijk, oneerlijk en berekenend, terwijl de armen mooi zijn, ook van gemoed en intelligentie van het hart.
Wat waar is voor de roman, is ook waar voor de graphic novel Ogen zo blauw. Behalve dan dat het verkort werd tot 174 bladzijden en getekend werd. Fred Duval heeft de onmenselijke taak van dit inkorten met succes volbracht. Alhoewel het natuurlijk betekent dat je zeer aandachtig moet kijken naar iedere strip, naar ieder kadertje, naar ieder detail in het kadertje want veel moet soms verteld worden in één enkele tekening. Het lukt hem het werk te respecteren en de dubbele tijd en het trage tempo van die 18 jaar te behouden (het verhaal van Grand-Duc) en toch soms zeer snel te gaan over een paar dagen (Mark's zoektocht naar Lylie). Hij behoudt ook merkwaardig goed de dubbele spanning rond een heldin die centraal staat in de plot zonder er ooit in te verschijnen en ons toch te laten meezoeken naar haar afstamming en naar het doel van haar omzwervingen in Parijs. Hij snoeide eerst door het parallelle verhaal van de Carvilles vrouw die een tegenonderzoek leidt, te schrappen, er zijn minder moorden, nevenpersonages winnen ook aan belang door anderen te condenseren zoals Lucile Moraud de journalist van L'Est Républicain.
Nicolai Pinheiro is een professional. Je kan niet anders dan prent na prent bewonderen. Hij tekende het misschien allemaal te goed, klaar, duidelijk, scherp, met frisse kleuren, terwijl de roman eerder grijs en zweterig overkomt.

Duval, als goed historicus, drong waarschijlijk aan op grafische setting in de tijd. De stad Dieppe in de vroege jaren 1980 krijgt nog meer belang dan in de roman. Veel platen hebben een echte historische context. We zien Giscard praten met de De Carvilles in een flashback die niet bestond in het bronwerk, we zien de posters van de presidentiële campagne en de populaire jubel tijdens de overwinning van Mitterrand of de kwartfinale Frankrijk-Brazilië.
Duval herschept vakkundig snapshots van een tijdperk. Nicolaï Pinheiro heeft verfijnd gewerkt in de richting van een grotere leesbaarheid. (Bijna twee jaar werk!) Zo blijft de overgang van het ene tijdperk naar het andere en van de ene vertelwijze naar de andere zeer begrijpelijk dankzij de kleurcode die door de ontwerper is aangenomen: cartouche op een beige achtergrond gespikkeld op de manier van de pagina's van een oud boek voor het notitieboek van Grand-Duc, blauwe of roze of groene patronen voor hedendaagse interieurmonologen, gedempte kleuren voor de jaren 1980 en zeer helder voor 1998. Hij gebruikt grote vignetten en luchtfoto's of algemene opnamen om het verhaal in zijn sociaal-culturele context te verankeren. De plaatsen zijn perfect en minutieus overgebracht na scouting in Dieppe en Parijs. Tot zelfs billboards voor Eurodisney, de posters van modieuze bands (Nirvana, Pearl Jam, R.E.M...) of de Nokia 5110 tot het turquoise blauwe Macintosh-model dat destijds een rage was, alles is authentiek en de ontwerper neemt bijna de rol aan van een rekwisietmaker! Maar Pinheiro neemt geen genoegen met deze quasi-naturalistische benadering, hij gebruikt veel symbolen (de kraaien van het park, de beelden van de begraafplaats) en cinematografische verwijzingen: de poster van Saving Private Ryan op de bushokjes wanneer Marc op zoek gaat naar Lylie, maar vooral de David Lynch van Blue Velvet voor de scène van de ontdekking van de moord op de detective met de focus op libellen of nou ja de Kubrick van Shining voor die van het park met raadselachtige verrekijker. Hij gebruikt een palet van glinsterende kleuren, bijna fauvist soms en eigenlijk niet passend bij een roman noir.
Bijzonder knap is zijn typering van de personages. Zoals Mathilde de Carville, bij wie we door de valsheid van haar denken en doen kunnen kijken, haar koppigheid om de affaire niet los te laten en desnoods te laten moorden. Uiteindelijk zelfs te weigeren weg te zinken in verdriet en rouw. We zien liefdesverdriet en identiteitscrisis, het hele scala aan tegenstrijdige emoties op de gezichten, de neergang van de goedgelovige Grand-Duc. We zien hem ouder worden, dik worden en bezwijken onder het gewicht van zijn frustratie en schuldgevoel.

Niettegenstaande de irritatie door de te vele doodlopende plots, is het een genoegen Ogen zo blauw te lezen, te bekijken, te zien en te genieten van de tekeningen, tot in de kleinste details van de raakheid van de gebaren, de kleinste voorwerpen.

Het is dus uitkijken naar de volgende bewerkingen van de romans van Bussi, in deze stripreeks.

Victor De Raeymaeker
Fred Duval, Nicolaï Pinheiro, Michel Bussi
Victor De Raeymaeker
fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies