Kwintessens
Geschreven door Yves T'Sjoen
  • 890 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

7 december 2023 'Verzamelde gedichten' als merker in de lyriek van Roel van Londersele
Auteursedities als poëticaal construct
In de loop van de jaren zestig verzamelden Hugo Claus en Paul Snoek voor het eerst hun vroegste poëzie in afzonderlijke boekuitgaven. Claus publiceerde in 1964 een eerste verzameling Gedichten 1948-1963 en sloot hiermee de vroege (overwegend modernistische) fase van het dichterschap af, met als onmiskenbaar hoogtepunt De Oostakkerse gedichten. In de veelbesproken Canon van Vlaanderen (2023) wordt het boek vermeld als een hoogtepunt van de Vlaamse literatuur na de Tweede Wereldoorlog, trouwens de enige literaire vermelding. Snoek bundelde zijn gedichten van 1954 tot 1968 in Renaissance, en gaf daarmee te kennen dat ook voor hem, zoals in Claus’ Gedichten 1948-1963 een creatieve periode was afgesloten. Verzamelbundels, dus geen uitgaven van volledig dichtwerk, kunnen worden gelezen als merkers van een (geleidelijke) verschuiving in poëticaal-esthetische opvattingen. De auteurseditie markeert in dat geval een overgangsfase in het schrijverschap. Het is elders beschreven: beide aanvankelijk experimentele dichters assimileerden in de loop van de jaren zestig verworvenheden van het traditionalistische poëziesysteem in hun lyriek: de thematiek won aan herkenbaarheid, de symbolentaal werd minder gesloten. Hugo Brems en Dirk de Geest, die dergelijke poëticale verschuivingen beschrijven, hebben deze verzamelbundels voorgesteld in de overzichtswerken ‘Barbaar in mijn mond’. Poëzie in Vlaanderen 1955-1965 en ‘Opener dan dicht is toe’. Poëzie in Vlaanderen 1965-1990. Niet alleen Claus en Snoek schoven in hun schrijfpraktijk op naar een zogenaamde overgangszone tussen experiment en traditie en assimileerden facetten van een klassieke vormentaal in hun modernistische poëzie. Ook meer traditioneel ingestelde dichters ondergingen in omgekeerde richting de invloed van de experimentele dichtkunst. Die verschuivingen tussen literaire paradigma’s of poëtica’s hebben het beeld van de Vlaamse poëzie de volgende decennia in sterke mate bepaald. Het is een intrigerend verhaal dat door Brems en De Geest verder uitgebreid is beschreven in ‘Opener dan dicht is toe’.
Wat ik naar aanleiding van dergelijke beschouwingen over de verzamelbundels van Claus en Snoek probeer te zeggen: verzameledities kunnen de waarde van een poëticaal statement hebben of een expliciete esthetische plaatsbepaling. Ze kunnen als publieke signalen worden opgepikt dat een schrijfperiode als afgerond wordt beschouwd, dat het creatieve werk mogelijk andere einders verkent, dat de schrijver de tijd rijp acht voor een balans, of een retrospectieve kijk. Het spreekt voor zich dat ook andere beweegredenen ten grondslag kunnen liggen aan de samenstelling van een verzameling. Een uitgeverij kan mercantiele overwegingen hebben om het werk weer in de aandacht te brengen, bijvoorbeeld ter gelegenheid van een literaire prijs of een verjaardag. Ontwikkelingen in het poëzielandschap kunnen aanleiding zijn voor een verzameluitgave. In mijn benadering ligt de nadruk op het auteursstandpunt. Geautoriseerde zelfbloemlezingen of dus auteursedities beschouw ik in deze bijdrage als een zelfbewuste en doelgerichte handeling van de dichter om, al dan niet met tekstvarianten, op het openbare forum een beeld te construeren van het eigentijdse dichterschap.
Verzamelbundels kunnen met andere woorden een belangwekkend stadium markeren in (de ontwikkeling van) een schrijverschap, zoals gezegd op grond van een poëticale verschuiving of een esthetische kentering. De door de schrijver zelf gebloemleesde en eventueel bewerkte gedichten construeren een auto-image, een georkestreerd zelfbeeld van wat op een bepaald moment door de auteur als belangrijk (genoeg) wordt gevonden. Hoe de schrijver in een zekere fase van de oeuvre-opbouw op het publieke forum wenst te verschijnen, welke gedichten het dichtst aansluiten bij een contemporaine visie op literatuur en taal. Een zelfbloemlezing kan kortom een creatieve periode afsluiten en een literair-esthetische verschuiving aankondigen of documenteren. Het genre van de zelfbloemlezing is vanuit poëticaal oogpunt interessant leesmateriaal, zeker in vergelijking met de afzonderlijke bundeluitgaven. Gedichten of zelfs integrale bundels worden soms weggelaten uit een verzameld werk; formuleringen zijn aangepast, versregels en strofen toegevoegd of geëmendeerd; de dichter herschrijft hele gedichten, schrapt in motto’s en opdrachten die in de oorspronkelijke uitgave zijn opgenomen. Allerlei procedés en eigenaardigheden in het licht van dergelijke exposure of zelfrepresentatie komen voor. Nederlandstalige schrijvers, onder vele anderen H.C. ten Berge, H.H. ter Balkt, Benno Barnard, J. Bernlef, Anneke Brassinga, Hugo Claus, Herman de Coninck, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, Miriam Van hee, Stefan Hertmans, Frank Koenegracht, Rutger Kopland, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens, Cees Nooteboom en Paul Snoek, hebben hun poëzie verzameld en/of gebloemleesd op wat sleutelmomenten kunnen worden genoemd. Niet steeds ligt een anekdotisch-biografische anekdote of een poëticaal kenteringsmoment aan de basis van de verzameling. In even zo veel gevallen gaat het over een voorstel van een uitgever, zoals vermeld bijvoorbeeld naar aanleiding van een literaire bekroning, vanuit een behoefte na enige tijd het werk weer in de markt te zetten.
Ik ben vooral geïnteresseerd in zelfgekozen publieke momenten die in de esthetica van de schrijver belang hebben en als een merker worden beschouwd van een in mindere of meerdere mate gewijzigde opvatting over aard en functie van poëzie. Niet alleen tekstueel, ook op thematisch gebied of verstechnisch gesproken mag een verschuiving optreden. Selectiebundels die de auteur heeft samengesteld geven de lezer inzage in een bepaalde houding tegenover het (vroegere) werk, in de wijze waarop de dichter zelf een lezer is van de eigen lyriek, over stappen in het poëticaal-esthetische denken, in de taalbeschouwing en in de samenstelling van een oeuvre. Deelonderzoek (Claus, Kopland, Snoek), met aandacht voor tekstvarianten, toont aan dat velerlei beweegredenen kunnen worden bedacht voor bewerkingen of revisies die ten grondslag liggen aan zelfbloemlezingen of zelfconstructies. Iedere dichter maakt op andere manieren keuzes: Claus wijzigde de volgorde van gedichten, bracht varianten aan en beschouwde het selecteren van tekstmateriaal als een intratekstueel spel met eigen werk, ook wel met de exegeten of commentatoren van de poëzie én met het lezerspubliek. Snoek bracht dan weer nauwelijks wijzigingen aan in compositie en versificatie van afzonderlijke gedichten, maar groepeerde tot drie keer toe de gedichten volgens thematische clusters. In beide gevallen lees je tussen de versregels een enigszins gewijzigde, verfijnde of meer toegespitste opvatting over het eigen dichtwerk. In datgene wat de dichter uit de literatuurproductie meent te moeten bewaren voor een eigentijds lezerspubliek, in wat is herschreven of weggelaten in de zelf samengestelde verzameluitgave, reveleert zich de lezer in de dichter, of dus de dichter als een lezer van het eigen werk.
_Positiebepaling in een neoromantisch poëziediscours
In de jaren zeventig werden het nieuw-realisme in de poëzie (De Coninck, Jooris, Lasoen, Van den Bremt) en de ‘Nieuwe Beelding’ in de beeldende kunst (Raveel, De Keyzer) verdrongen door post- of neo-experimentele en neoromantische tendensen. De neo-avant-garde verdedigde ofwel een taalgerichte constructieve poëtica (de Impuls-groep rond Jan de Roek met hun ‘Proeve tot een Impuls-manifest’ (Wilfried Adams en Michel Bartosik) en jonge dichters onder wie Dirk Christiaens, Patrick Conrad, Roger de Neef, Leonard Nolens en Eddy van Vliet) ofwel een romantisch-expressieve poëtica, waarin het lyrisch subject op taalvirtuoze manier een houding tegenover taal en werkelijkheid uitdrukte (de Labris-groep met Leopold M. van den Brande en Marcel van Maele). Die experimentele dichtersgroepering was thematisch en poëticaal verwant met neoromantici zoals Eriek Verpale, Luuk Gruwez, Miriam Van hee en Roel (Richelieu) van Londersele, die allen in de vroege jaren zeventig debuteerden. Van Londersele publiceerde een themanummer van Koebel. Driemaandelijks tijdschrift over de romans van Van Maele met als titel There is a method in his madness (derde jaargang, nummer 10-11, 1974). De tekst is een bewerking van de licentiaatsverhandeling die de auteur in de opleiding Germaanse filologie (Universiteit Gent) voorlegde.
Grofmazige indelingen of classificatie in literaire tendensen of bewegingen doen afbreuk aan de eigenheid van een individueel schrijverschap. Voor deze beschouwing beperk ik mij tot de literaire productie waaruit de schrijver putte voor zijn Verzamelde gedichten. Van Londersele, publiek bekend geworden als stadsdichter van Gent, debuteerde met meer dan louter liefdes- of stemmingslyriek in Marie sans toilette (1973): een neoromantische bundel, overwegend parlando, waarin elke neiging tot sentimentaliteit of overdreven pathos op ironiserende manier in de kiem wordt gesmoord, maar tegelijk ook een bundel waarin experimentele sporen aanwezig zijn. In vergelijking met het latere werk overheerst nog een vrij gesloten schriftuur. Door het ontbreken van interpunctie krijgen de opeenvolgende verzen een schijnbaar onstuitbare epische cadans. Ook andere publicaties van Van Londersele worden bepaald door een soortgelijke sceptische benadering van romantische motieven (zoals liefde, dood, eenzaamheid). In de debuutbundel zorgt de slotregel nogal eens voor een alles relativerende noot. Het gebruik van ironie is trouwens karakteristiek voor veel poëzie van neoromantici.
De dichter tracht in de natuur, die hij enkel door taal kan oproepen, te ontsnappen aan
 
de dreigende richting
van de wereld.
 
Het subject wentelt zich in de eenzaamheid, als geringschattend toeschouwer wil hij het als vijandig ervaren aardse gebeuren gadeslaan. Die houding levert fraaie existentiële paradoxen op, zoals in de volgende regels (“alleen vol” en “vol mensen” / “niemand om te luisteren”):
 
buiten is de tram geel
en zit alleen vol mensen
het bed ligt bij de kachel en bij de herinnering,
niemand om te luisteren.
In de nog zoekende vroeg-neoromantische jaren publiceerde Van Londersele naast Marie sans toilette ook Appel en treurigheid (1975) en Mijn stilstaand woord (1977). In beide bundels ontpopt hij zich tot een overwegend picturaal dichter. Van Londersele profileerde zich in die periode tevens als een grafisch kunstenaar. Niet alleen in het beeldend werk, ook in de poëzie kreeg de oorspronkelijke, suggestieve metafoor de bovenhand. In de gedichten probeert de ik-persona steeds weer de innerlijke tweespalt tussen ratio en emotie te ontstijgen en hoofd en hart tot een harmonie te laten versmelten. Het ‘denken’ wordt in Appel en treurigheid uitgedrukt in bijna zakelijke en empirische registraties en constateringen; het ‘gevoel’ daarentegen komt tot uiting in melancholische mijmeringen van een aan het bestaan lijdende romanticus. Die tegenstelling vertaalt zich evenzeer stilistisch in de vermenging van het banale en het plechtstatige of retorische, in een romantische beeldentaal die op een quasi-bruuskerende wijze wordt doorspekt met aforistische platitudes en soms clichébeelden. Het picturale beeld in de volgende regels wordt afgezoomd door een banale ‘volkswijsheid’ uit de gewone omgangstaal:
 
de papieren vlinder die ’s nachts op
de bomen hangt omdat vallen op
de grond de kinderen wekt,
omdat slaap goed is om snel te groeien.
De vereniging van emotionele beelden en bijna abstracte metaforen sorteert in Mijn stilstaand woord een soortgelijk suggestief effect. De ik-persoon is een treurende, moedeloze eenzaat, die in het hem omringende verval (‘van verliezen en waden ongeduld’) zoekt naar blijvende schoonheid. Hij wacht tevergeefs, ‘stil en zonder armen’. De belijdenislyriek in deze bundel laat geen ruimte voor nostalgische kitsch of aangedikte heimweegevoelens. Het radeloze subject stelt zich voortdurend vragen (“hoe komt de treurigheid binnen / als ze reeds in mij is?”) over de treurnis van het ‘verdeelde leven’. Hij voelt zich een ontheemde, “want de plaats om te dansen is de mijne niet meer”.
'Verzamelde gedichten'
_Verzamelde gedichten
De schrijver maakte uit die vroege poëziebundels een strenge keuze voor zijn Verzamelde gedichten. Een keuze 1973-1995. De onvrede met het reilen en zeilen in de wereld genereert in de lyriek een weemoedige blues-klank, een heimwee naar het verleden, naar een eenzaam en vrijgevochten leven als individualist in de natuur. Dit existentiële verzet tegen het hic et nunc wordt nergens pamflettair of sentimenteel geformuleerd. Sarcasme en ironie verlenen aan de beeldpoëzie een eigen, soms bijna tragikomisch karakter.
Het moet voor de dichter wellicht een uitdaging zijn geweest om een voor zichzelf aanvaardbare selectie te maken uit de afzonderlijke dichtbundels. De strakke structuur die telkens weer aan de basis ligt van zijn dichterlijke composities verleent aan de afzonderlijke gedichten, meestal ingedeeld in reeksen en cycli, een semantische meerwaarde. Van Londersele werkt veelal rond een centraal thema, dat als een rode draad door alle gebundelde gedichten heen loopt. Door een keuze te bezorgen uit zijn verzameld dichtwerk ziet hij af van die homogeniserende architectuur. Vooral in de keuze uit Mijn geboomde vader (1982) en Een nagelaten liefde (1984) wordt de secure opbouw van de oorspronkelijke uitgaven verstoord maar tezelfdertijd vervangen door een gewijzigde compositie die de teksten van weer andere betekenissen voorziet. Mijn geboomde vader omvat twee afdelingen, die verbonden worden door een volta halverwege. Het leven als destructief proces, waarin de dood een onbarmhartige tol eist, dompelt de ik-persona in een besef van machteloosheid; het lijden aan het onherroepelijke afscheid doet hem verlangen in de tweede afdeling naar de terugweg, naar een leven zonder vernieling in zich, en finaal naar de dood. De idee dat geboorte het begin van het aftakelingsproces is, is natuurlijk een topos in de poëzie van Hugues C. Pernath, waaraan de jongere dichter Van Londersele aantoonbaar schatplichtig is. In sobere parlando-verzen spreekt de ik-figuur tot de vader. Hij wil “de weg verlaten zonder weg te gaan”, in het degenererende leven tracht hij te speuren naar het onaantastbare, wat blijft. Alleen is het aardse bestaan maar ‘gehuurde vreugde’, een efemeer verblijf. Die queeste naar het eeuwige doet de ik-verteller bijna radeloos vragen: “waar kan ik leven zonder het leven”? Deze ik-persona voelt zich een existentieel zwerver die een lege plek zoekt om het kostbare, het dierbare wat ten prooi valt aan het vergankelijke te bewaren.
En dan zijn er de gaten, vader, waarin ik
de gezellen opberg na het zoeken,
de grotere gaten, waarin wij reizigers voor altijd
ter plaatse blijven.
 
Een soortgelijke binaire structuur bepaalt Een nagelaten liefde. De gedichten zitten aan elkaar vastgeklonken in een hecht gestructureerde teksteenheid, in twee cycli die door elkaar zijn geweven. Liefdesgedichten wisselen in een regelmatig tempo af met meer contemplatieve gedichten waarin romantische gevoelens worden getemperd, waarin plaats is voor twijfel, voor het “struikelen”. Die existentiële twijfel heeft ook het schrijverschap in een greep:
 
als ik de voeten van de avond hoor
steek ik het dwaallicht aan
dan logeer ik bij mezelf
want mijn kamer van me denkt, ik durf het nooit herhalen:
een schrijver is maar van papier.
Van Londersele selecteerde in zijn bloemlezing voorts uit Mijn geboomde vader, Een nagelaten liefde en Invoelen (1988). Ook in die laatste reeks wordt weer de ergernis gethematiseerd. Het gemis en de lelijkheid van iedere dag tracht de ik-persoon te bestrijden met (een hunker naar) schoonheid. Het subtiele taalspel, met scherpzinnige aforismen, groteske en ironische kwinkslagen, galgenhumor, sterk picturale beelden, kan worden beschouwd als een zorgvuldig ontworpen dam tegen de ontwrichtende realiteit. De ik voelt zich een eenzame die eigenzinnig een weg zoekt naar een zelf geconstrueerde wereld. Geen ivoren toren welteverstaan maar een taalkunstwerk dat door zelfrelativisme de strijd aanbindt met de zelfgenoegzaamheid, de holle frasen, een platvloerse anekdotiek. Van Londersele heeft zijn geestverwantschap met Elsschot, Marquez, Rops en Brel gearticuleerd. Deze kunstenaars worden voorgesteld als subjecten die zich in het creatieve werk op hun manier een weg zochten naar de stilte. Gedichten zijn aan deze inspirerende modellen opgedragen.
De verzamelde gedichten worden afgesloten door een selectie uit Een jaar van september. Gedichten 1980-1992 (1992), een eerder gemaakte keuze uit drie bundels, aangevuld met twee afzonderlijke gedichten (1995). Die eerste door Van Londersele samengestelde anthologie voorzag in een leemte. Vóór de uitgave van Invoelen was de dichter, stichtend redacteur van het Gentse blad Koebel (1971-1981), geleidelijk in de anonimiteit verzeild geraakt. De poëzieprijs van de stad Gent, eind jaren tachtig, zorgde voor een belangwekkende kentering in de publieke erkenning van het dichterschap.
'Handboek Roel van Londersele'
_Wordingsgeschiedenis van een literaire stem
Met deze panoramische beschouwing over wat we kunnen beschouwen als een eerste fase in Van Londerseles poëzieproductie, gemarkeerd door een verzamelbundel, sta ik niet alleen. De auteur heeft zelf in zijn Verzamelde gedichten aangegeven dat hij zich van die eerste bundels min of meer wilde afzetten. Uit het vroegste werk zijn maar enkele gedichten opgenomen in de auteursbloemlezing, het merendeel van de tekstverzameling komt uit de latere publicaties (jaren tachtig en begin negentig): Mijn geboomde vader (1982), Een nagelaten liefde (1984) en Invoelen (1988). Opmerkelijk is dat de bundel Verzamelde gedichten verschijnt nauwelijks drie jaar na de uitgave van de anthologiebundel Een jaar van september.
In het summiere overzicht van ontwikkelingen, misschien wel weinig opmerkelijke verschuivingen, in de poëzie benadruk ik nog kort de betekenis van Invoelen in de evolutie van Van Londerseles schrijverschap. Het is de laatste afzonderlijke bundel met oorspronkelijk, nooit eerder uitgegeven werk dat Van Londersele vóór Een mens op de bodem (2001) liet verschijnen. De uitgave van Invoelen eind jaren tachtig, en zoals gesteld de toekenning van de poëzieprijs van de stad Gent, brachten een kentering in de publieke waardering van deze weinig spectaculaire intimistische poëzie. Beide losse gedichten uit 1995 die de Verzamelde gedichten afsluiten, waren lange tijd de enige tekens van wat ik beschouw als een nieuw élan in het dichterschap (van de nieuwe “taal van de wellust”, zoals ik in een van die gedichten lees), een aanwijzing dat de dichter, na twee historische romans, zich weer nadrukkelijk richtte op het dichtwerk.
In Invoelen wordt de lelijkheid van het alledaagse bestreden met de schoonheid. Het taalkunstwerk tracht een dam op te werpen tegen de als bedreigend ervaren werkelijkheid. Het ik is zoals steeds in deze poëzie een eenzame, die weerbarstig op zoek is naar een hoogstpersoonlijk universum, naar het comfort of de geborgenheid van een uitkijkpost. Het taalbouwsel, bij Van Londersele steeds sterk beeldend én nog steeds gelardeerd met ironische understatements en galgenhumor, kan worden gelezen als een blijk van verzet tegen de verblindende modes van iedere dag. De poëzie is, ondanks of misschien dankzij die inhoudelijke accentverschuivingen, voor mij altijd strijdbaar en genietbaar gebleven. Dat geldt ook voor het latere werk van de afgelopen twee decennia dat in het Handboek Roel van Londersele (2023) aan bod komt. Het ik weigert zich neer te leggen bij het gewone en alledaagse, bij het verval dat direct met het aardse bestaan wordt geassocieerd.
Vooral in de eerste dertig jaar van het schrijverschap ging Van Londersele stelselmatig op zoek naar een eigen stem. Het werk vóór de uitgave van Een mens op de bodem heb ik vooral vanuit die invalshoek weer gelezen. Later zie ik meer standvastigheid, een eigen toon en stijl in de gebundelde lyriek.
Ditzelfde centrale thema loopt ook als een rode draad doorheen de zorgvuldig gecomponeerde bundel Een mens op de bodem. Het is de eerste oorspronkelijke dichtbundel die alweer zes jaar na de verzamelbundel Verzamelde gedichten het licht zag. Vanaf dat moment schrijft Van Londersele een enigszins ander verhaal. Hierover kan in de lemma’s over de afzonderlijk verschenen dichtwerken meer worden gelezen in het Handboek Roel van Londersele.
De beschouwing over de vroege poëzie, gebundeld in Verzamelde gedichten. Een keuze 1973-1995, is een grondig herziene en aangevulde versie van het artikel ‘Verzamelde gedichten. Roel Richelieu van Londersele’, Ons Erfdeel 40 (1997) 2, pp. 266-269.
Carl de Strycker en Koen Vergeer (red.), Handboek Roel van Londersele, Poëziecentrum, Gent, 2023.
Kwintessens
Yves T'Sjoen (°1966) is hoogleraar moderne Nederlandse literatuur (Universiteit Gent) en voorzitter van het Arkcomité van het Vrije Woord.
_Yves T'Sjoen -
Meer van Yves T'Sjoen

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws