Het Vrije Woord
Geschreven door Willem Elias
  • 43 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

20 januari 2026 Leopold Flam
Biografische notitie in het Nationaal Biografisch Woordenboek, door em. prof. Willem Elias
In de 26ste editie van het Nationaal Biografisch Woordenboek, verschenen in juni 2025, publiceerde em. prof. Willem Elias een biografische notitie over leven en werk van de Vlaamse filosoof Leopold Flam.
Hieronder vindt u de volledige tekst van de notitie, overgenomen met toestemming van de auteur.
De notitie is ook beschikbaar via een downloadbare pdf van de oorspronkelijke publicatie.
_Leopold Flam, biografische notitie door Willem Elias
_Leven
Leopold Flam werd geboren op 16/3/1912 te Antwerpen als zoon van Hersch Flam (1876-1934), zelf geboren in Lublin en M
ala Weitz (1882-1962) uit Chelm. Hij droeg de Russische nationaliteit tot wanneer hij op 20/8/34 Belg werd. Dat de familie Flam in Antwerpen belandde (sinds 17/8/1899 ingeschreven in België) is geen puur toeval. Het is een onderdeel van een historische grootscheepse migratie van Joden uit Oost-Europa om economische redenen vanaf 1880 tot aan WO II. Antwerpen bood kans om in de diamantindustrie te werk gesteld te worden. Dat was de toekomst die vader Hersch Flam voor zijn zoon weggelegd zag. Hij hield die leerschool niet lang vol. Snel gaan werken was nochtans een noodzaak voor het arme gezin. Moeder leurde als ongeletterde met kranten en vader probeerde ook een en ander te slijten. In documenten vindt men de benamingen: ‘leurder’, ‘dagbladverkoper’ en ‘colporteur’. 
De grootvader van Leopold was boekverkoper. Na de lagere school zou Hersch bij hem als boekbinder geholpen hebben. Toch zou hij “ongeleerd” zijn geweest en naamtekende hij met een kruisje. Wat enigszins eigenaardig is, vermits zijn broer Joseph, de oom van Leopold dus, onderwijzer was.
Ook is het niet duidelijk waar de vader verbleef tijdens WOI. Moeder en zoon Leopold keerden na enige omzwervingen in 1914 terug naar Lublin. In 1920 reisden ze opnieuw naar België. Het gezin heeft behalve Leopold nog een aantal kinderen geteld die zeer jong overleden zijn. Met uitzondering van een  broer, Maurice Flam (1921-1945), die werkzaam was in een Joodse drukkerij. Hij werd als politiek gevangene gedeporteerd naar het concentratiekamp Dora en overleed aan de ontbering niet lang na zijn repatriëring. De waardering die Leopold koesterde voor zijn ouders is allesbehalve hoog, als men zijn dagboekontboezemingen moet geloven. De armoedige omstandigheden van het gezin, hebben een invloed op zijn opvoeding. Hij ging naar Joodse scholen (o.a. Jesodé Hatora) en kon daar op de sympathie van een onderwijzer rekenen. Deze raadde hem aan om een dagboek bij te houden teneinde zijn taalachterstand in te halen. Een goede raad die Leopold opvolgde. Op vijftienjarige leeftijd, verlaat hij in augustus 1927 de school. Om te overleven deed Flam allerlei karwijtjes. Handenarbeid was echter niet zijn ding. Zijn zelfstudie in de filosofie houdt hem recht. Hij werd ook gesteund door kameraden waarmee hij samenleefde. De meest getrouwe was Herman Isbutsky, die later zijn schoonbroer geworden is. Als Joodse communist, lid van Die Rote Kapelle,  ging hij in het verzet tegen de nazi’s. Hij werd verraden en op 6/7/1944 onthoofd in het concentratiekamp Plötzensee.
Tegen zijn twintigste komt er een einde aan dat dolen. Hij besluit zich voor te bereiden om via de midden-jury een humanioradiploma te behalen, nodig voor een inschrijving aan de universiteit. Hij volgt de “voorbereidende technische scholen”, ingericht aan de RUG als voorbereiding om ingenieur te  studeren. Alle verwijzingen in (auto)biografieën naar wiskunde, natuurkunde en vooral scheikunde zijn op deze inschrijving gebaseerd. Hij pakte er graag mee uit. Hij dubbelt in 1933-1934, het eerste jaar, maar slaagt in de 
midden-jury-proef voor het diploma middelbaar onderwijs. Zijn kennis van Latijn en Grieks moet, gezien zijn voortijdig afbreken van zijn humaniorastudie, als autodidact verworven zijn.
Op 1/10/1934 schrijft hij zich aan de Faculteit Wijsbegeerte-Letteren in voor de groep ‘Wijsbegeerte’. Met grote onderscheiding voltooit hij in eerste zittijd 1935 de eerste kandidatuur Wijsbegeerte. Hij had een goede band met zijn professor filosofie, Gaston Colle (1881-1946), die de bijzondere kwaliteiten van zijn student wist te waarderen. Ook Edgard De Bruyne (1898-1959) behoorde tot zijn professoren. Er zijn vooralsnog geen bronnen bekend waarom hij over ging naar de afdeling ‘Geschiedenis’, waar hij via een verkort programma de kandidaturen in één academiejaarjaar (1935-36) kon afleggen. In juli 1938 werd hij met een onderscheiding Licentiaat Geschiedenis. Zijn verhandeling ging over: “De familie der Mirabello’s. Een Lombardisch financiersgeslacht” met professor Hans Van Werveke (1898-1974) als promotor. In de tweede zittijd van 1938 slaagde hij ook nog in het aggregaat met onderscheiding, zodat hij leraar kon worden. 
Op 9/6/1936 is Leopold in het huwelijk getreden met Julia Isbutsky (1912-2004) te Antwerpen. Ze was op dat ogenblik bureelbediende, waardoor de studies betaald konden worden. 
Nog in dezelfde maand van het behalen van zijn diploma begint Leopold Flam op 29/7/1938 zijn legerdienst bij het 1ste regiment Legerartillerie in Fort 4, gelegen te Mortsel-Oude God. Om medische reden werd hij op 1/2/ 1939 definitief afgekeurd voor legerdienst. Dat impliceert dat Leopold Flam niet deelgenomen heeft aan de 18-daagse veldtocht in mei 1940. 
Van 23/9/40 tot en met 27/10/40 is hij in dienst geweest als waarnemend studiemeester-lesgever in het Atheneum van Deurne. Van 28/10/40 af werd er een einde gesteld aan zijn mandaat op bevel van de bezettende overheid. 
Flam ging in het verzet. Tijdens WOII heeft hij 432 dagen in gevangenschap doorgebracht. Eerst in de kazerne Dossin te Mechelen en vervolgens naar het concentratiekamp Buchenwald, annex Hadmersleben.
Flam werd verklikt aan de Gestapo door de belangrijkste Belgische Jodenjager in Brussel, Icek Glogowski.
Na zijn arrestatie op 11/5/43, wordt Flam op 15 mei in de SS-Sammellager Mechelen opgesloten. Op 19 oktober is hij weer op vrije voeten. Het vrijkomen uit de kazerne Dossin was zeer zeldzaam en wekte daardoor soms argwaan. Zijn onbekende weldoener bleek Léon Platteau (1905-1974) te zijn. Hij was ‘Directeur du département des cultes au ministère de la Justice.’ Koningin Elisabeth werkte samen met dat soort voor de goede zaak bereidwillige ambtenaren om de praktische kant voor elkaar te krijgen. Begin september zijn 9 Joodse gedeporteerden gestikt. Platteau heeft daarop geëist dat bepaalde categorieën van Belgische Joden zouden gespaard worden. Flam was bij toeval één van hen.
Deze bijzonder nare ervaring in de kazerne Dossin heeft er niet toe geleid dat Leopold Flam zijn verzetsactiviteit stopte. Zijn belangrijkheid kan hier niet genegeerd worden. Hij was de hoofdman van één van de drie groepjes die opereerden in Antwerpen omhet ‘Antwerps Joodsch Verdedigingscomité’ op te richten. Hij was de enige binnen de Antwerpse CDJ die contacten onderhield met de communisten. Het aantal bereidwillige medewerkers was gering. Zijn verzet bestond hoofdzakelijk uit een schriftelijk protest. De concrete hulp aan Joodse kinderen was veeleer het werk van zijn echtgenote, Julia Isbutsky, een overtuigde communiste. Flams verzetsgeschrijf was van korte duur. Op 15/3/1944 werd de groep Flam opgerold in de Lamorinièrestraat 251. Verklikt werd hij naar de Antwerpse Sicherheitsdienst overgebracht om niet bepaald zachtaardig verhoord te worden. Hij werd beschuldigd van regelmatige medewerking aan het opstellen van de sluikbladen ‘De Vrije Gedachte’ en ‘Le Flambeau’ van 1/8/1943 tot 15/3/1944. Wanneer men de nummers van de ‘Vrije Gedachte’ doorneemt, begrijpt men dat de bezetter niet gelukkig was met de kritische inhoud.
Op 6 mei werd hij gedeporteerd naar het concentratiekamp Buchenwald, waar hij op 8 mei aankwam. Omdat men niet wist dat hij Jood was en hij dus niet moest ‘uitgeroeid’ worden, werd hij dwangarbeider en op 22 mei doorgestuurd naar Hadmersleben, een filiaal van Buchenwald, waar in een ondergrondse zoutmijn een vliegtuigfabriek gevestigd was. 
De gevangenen van Hadmersleben werden op 9/4/45 geëvacueerd naar Leitmeritz en op 8 mei bevrijd. Op 20 mei was Leopold Flam terug thuis, gehavend door een groot leed, een waar trauma dat hem levenslang is blijven achtervolgen. Voor zijn verzetsdaden ontvangt hij officiële erkenning op 9-7-53 met de titel: ‘weerstander door de sluikpers’.
Flam werd snel leraar aan het Brusselse Atheneum in de Eikstraat. Uit de getuigenissen van oud-leerlingen komt men te weten dat hij een geliefd en bewonderd leraar geschiedenis was. 
Het leraarschap bevredigt hem niet volledig. Hij solliciteert voor de vacature van ‘Rijksinspecteur Geschiedenis Secundair Onderwijs en Normaal Onderwijs’ en wordt daarin aangesteld op 1/2/1955.
In deze hoedanigheid ontpopt hij zich als een vernieuwer van het geschiedenisonderricht. Dat wordt aangetoond in het doctoraat van Tessa Lobbes (2012) waarin de studie van Flams experiment in het geschiedenisonderwijs als inspecteur van 1955 tot 1969, een gans hoofdstuk beslaat.   
Het landschap van het geschiedenisonderwijs was in twee kampen verdeeld, nl. de geschiedenis als de kennis van de doorgaans politieke militaire feiten uit het verleden, versus de geschiedenis als bron om het heden beter te begrijpen. Door uitgesproken voor de nieuwe visie te kiezen, ontketende Flam bewonderende medestanders naast fervente tegenstanders. Zowel vriend als vijand beschrijft hem als een man met een zeer moeilijk karakter die geregeld voor conflicten zorgde. Toch vond zijn visie dat het verleden sprekend moet zijn voor het heden, ingang in het onderwijs ook na zijn inspecteurschap. Hij was een pionier door op het einde van de jaren ’50 de noodzaak van de kennis het verleden als dusdanig in vraag te stellen. 
Flam lag aan de basis van de reeks leerboeken ‘Sprekend Verleden’ in 7delen. Ze bevatten een thematische benadering. Hij stichtte twee historische-didactische tijdschriften, nl. ‘Geschiedenis in Onderwijs’ (Gio) voor de leerkrachten en ‘Clio' voor de leerlingen. Mede door wat zijn “zeer moeilijk karakter” genoemd werd, waren er veel polemieken. Noch het katholiek onderwijs, noch zijn Franstalige collega, volgden hem. 
Inspecteur volstond niet. Hij had nog academische ‘aspiraties’. Hij werkte zelfstandig aan een doctoraat in de geschiedenis. Om dat in de wijsbegeerte te doen, miste hij immers het basisdiploma. Het behoort tot een  lang mysterieus gebleven aspect van het intellectuele leven van Leopold Flam dat zijn doctoraat met een ‘voldoende’ ontsierd werd. Hij had verder gewerkt op het onderwerp van zijn licentieverhandeling:‘Een Lombardisch bankiersgeslacht uit de 14de eeuw: de Mirabello’s’. Hij had zich dus in de middeleeuwse geschiedenis gespecialiseerd ten tijde van Jacob van Artevelde (+/- 1290 - 1345). 
Hans Van Werveke (1898-1974), Charles Verlinden (1907-1996) en Jan Dhondt (1915-1972) waren de drie juryleden van het doctoraat, zonder promotor. Van Werveke vermeldt in het verslag dat de licentieverhandeling van Flam uit 1938 door de oorlogsomstandigheden verloren is gegaan. Jan Dhondt verwondert er zich over dat hij geen contact gezocht heeft met een promotor en evenmin blijk gegeven heeft van wetenschappelijke activiteit op historisch gebied. Toch vond de jury het proefschrift verdedigbaar op 30/10/52, met een ‘voldoende’.
De juryleden wisten toen nog niet  dat het boek van 375 bladzijden ‘Plato, Descartes, Kant’ zou verschijnen eind 1952, dus even na het behalen van zijn doctoraat. Men kan dit als zijn  ‘echt’ proefstuk beschouwen, zonder promotor en zonder jury. In zijn dossier werd het de basis als publicatie nodig voor een professorschap. De start ook voor een zeer lange lijst boeken en artikelen.
Om zijn droom, hoogleraar te worden, te realiseren bood de vervlaamsing van de Université Libre de Bruxelles kansen. De ULB richtte een volledige Vlaamse sectie Wijsbegeerte op in 1956. Een verantwoordelijkheid die toegewezen werd  aan Chaïm Perelman, Franstalige Antwerpenaar. Zijn naam komt steeds voor als voorzitter van de vergaderingen waar de aanstellingen beslist werden. Zijn uitmuntende assistent, Leo Apostel en Leopold Flam, zijn Joodse vriend sinds hun kinderjaren, werden in die nieuwe Vlaamse afdeling aangesteld. De eerste voltijds, de tweede deeltijds. Perelman en Flam streden samen in het verzet. Dat neemt niet weg dat Flam een degelijk dossier kon voorleggen en vooral ook zeer gedreven was om die opdracht tot een goed einde te brengen.
Leopold Flam kreeg drie cursussen toegewezen vanaf het academiejaar 56-57: ‘Histoire de la philosophie moderne’, ‘Encyclopédie de la philosphie’ en ‘Explication de textes philosophiques de l’ antiquité, du moyen-age et des temps modernes’ met als toevoeging bij deze titels: “(en langue néerlandaise)”. In lesuren uitgedrukt bedraagt dit een deeltijdse opdracht van 90u, toen cumuleerbaar met zijn voltijdse betrekking van inspecteur die hij behoudt tot 31 december 1968.
Leo Apostel (zie NBW, XVII, 24) en Leopold Flam koesteren aanvankelijk een goede verstandhouding. Dat verandert als Apostel, ondertussen overgestapt naar de RUG, aan de wieg staat van een specifieke opleiding voor leraars niet-confessionele zedenleer die vanaf het academiejaar 1963-1964 onder de naam ‘Moraalwetenschap’ van start gaat. Als de voorbereiding daarvan aan Flams oren komt eind de jaren ’50, verzuurt de relatie.
Apostel had een hekel aan het subjectivisme in de existentiële filosofie en Flam aan al wat bij het objectivisme komt kijken van een positivistische benadering. Moraal diende voor hem een wijsgerige grondslag te hebben, voor Apostel moest dat een wetenschappelijke zijn. Gezien het diploma ‘Moraalwetenschap’ een voorwaarde werd voor een vaste benoeming als leraar niet-conventionele zedenleer, heeft Flam moeten zwichten voor de oprichting van een gelijkaardige opleiding aan de VUB. De titel werd echter ‘Moraalwetenschappen’, meervoud. Dus niet de moraal als een deel van de eenheidswetenschap, waar Apostel naartoe streefde, maar moraal ondersteund door een aantal wetenschappelijke vakken, zoals biologie, naast moraalfilosofie als basisvak.
Dat Apostel door zijn overstap naar Gent, slechts 2 cursussen behoudt, maakt dat Leopold Flam, die ondertussen bevorderd is tot Gewoon Hoogleraar, het voor het zeggen heeft bij de start van de autonome VUB in het academiejaar 1969. Flam blijft loopbaanlang een cursusveroveraar. Bij zijn emeritaat in 1982 stonden 15 cursussen op zijn naam.
Zijn professoraat is nochtans niet rimpelloos verlopen. Een rode draad was de drijfkracht in zijn werkzaamheid, met name deze om met trouwe leerlingen in Vlaanderen een filosofische school te vormen. Bij aanvang lijkt dat te lukken. Het aantal studenten in de nieuwe Vlaamse afdeling filosofie van de ULB/VUB was gering. Daaruit spruiten ook zijn eerste medewerkers voort. Slechts een beperkt aantal kunnen in zijn voetspoor aan de VUB blijven, Hubert Dethier en Annie Reniers. Hij oogstte echter ook succes in zijn cursus voor ongeveer alle opleidingen in de menswetenschappen: ‘Grote Stromingen in de filosofie’. Toch ontstonden hier twee kampen: men was voor professor Flam of men was er tegen. Hij gebruikte een niet steeds academisch taalgebruik en nam geen blad voor de mond, wat hem wat controversieel maakte.
Wanneer in 1974 in navolging van de Universiteit Gent, een afdeling ‘Moraalwetenschappen’ opgericht werd, nodig om een vaste benoeming te krijgen als leraar niet-conventionele zedenleer, ontstond die tweespalt ook in zijn eigen afdeling. Dat ontspoorde zelfs in conflicten met studenten en collegae.
Zijn jeugddroom tot filosofische schoolvorming trachtte hij ook buiten de universiteit te realiseren via genootschappen waarin hij de onvoorwaardelijke leiding had. Zo de Vlaamse Vereniging voor Wijsbegeerte (1959-1974), waaraan enkel zijn getrouwen deelnamen. Toen daar heibel ontstond met de bestuurders, die hij steevast van‘verraad’ beschuldigde, stichtte hij een nieuwe vereniging: ‘Aurora’ (1976-1989). Die naam kreeg ook het tijdschrift dat hij opstartte. Het was meer literair dan het vrij academische karakter van ‘Dialoog’, verbonden aan de VVW.
Ook binnen de universiteit poogde Flam zijn gedachtegoed te institutionaliseren. Het academische hoogtepunt van Flam als vrijdenker en als academicus, had de uitbouw van het Centrum voor de Studie van de Verlichting moeten worden. In 1972 kreeg hij daar de nodige middelen voor, naast werkingsgelden ook kredieten voor drie vorsers. Er werd een ‘Tijdschrift voor de Studie van de Verlichting’ uit de grond gestampt, waarin o.a. de teksten van de internationale colloquia gepubliceerd zouden worden. Later werd de titel nog aangevuld met: ‘… en van het Vrije Denken’. Er zou gewerkt worden aan een ‘Vrijdenkerslexicon’ dat zou bestaan uit een woordenboek waarin de centrale begrippen toegelicht werden, een monografisch woordenboek waarin de vrijdenkers in de schijnwerpers gezet werden en de heruitgave van belangrijke vergeten teksten uit die geschiedenis. 
Voor het Flam-verhaal speelt het geen grote rol, behalve dat het een van de voorbeelden is van zijn megalomane dromen en de mislukking ervan. Vrij snel (1974) stelde hij voor als stichtend directeur, de leiding over te dragen aan een van de andere professoren die mee in de boot gestapt waren.
Ook in het niet professionele leven ligt het vrije denken hem nauw aan het hart. Katholiek Vlaanderen wantrouwde Flam. Hoewel zijn ouders vrome Joden waren, vindt men vanaf zijn 17de getuigenissen in zijn dagboeken van het verlies van zijn orthodox geloof en het ontwikkelen van een atheïstische houding. Als student trad hij toe tot ’t Zal wel gaan, de vrijzinnige studentenvereniging van UGent. Het is een blijk van zowel zijn vrijzinnigheid als zijn gevoeligheid voor de Vlaamse achterstelling. Misschien had hij ook wel affiniteit met de anarchistische kant van de vereniging. De studentikoze dimensie liet hij aan zich voorbijgaan. 
In het Jodenregister van 13/12/40 waar uitdrukkelijk naar de godsdienst gevraagd werd, staat “geen” ingevuld. Zelfs aan de nazi’s deelde hij mee “Ohne Religion” bij zijn aankomst in Buchenwald.  Kort na de oorlog (29/11/1946) werd hij lid van de vrijmetselaarsloge Balder, behorende tot het Groot Oosten, een obediëntie die de Franse laïciteit volgt en in België de vrijzinnigheid als een conditio sine qua non stelt tot toetreding. Begin de jaren vijftig stond hij aan de wieg van het Humanistisch Verbond. Al vlug vond hij dat de vrijzinnigheid niet in slaap mag gewiegd worden, maar dynamisch moet gevoed worden door een kritisch vrij denken. Hij meende ook te mogen constateren dat het officieel vrijzinnig humanisme al eens een dekmantel is voor ongelovige arrivisten. 
Ook zijn ervaring met de loge Balder is tegengevallen. In 1958 gaat hij over naar een Franstalige loge, Les Amis Philantropes n°2 alfa, waar hij wel kon aarden. Hij kwam via zijn nieuwe loge spoedig in contact met de Union Rationaliste, die verbonden was aan de ULB, waardoor hij Franstalig publiek kreeg.
Zijn uitlatingen omtrent zijn ontgoocheling over vrijzinnige personaliteiten en hun organisaties in zijn dagboekachtige geschriften zijn niet mals.
Flam die een man van de daad wou zijn, moet toch gezien worden als een figuur die een bijdrage geleverd heeft aan de concrete uitbouw van het vrijzinnig humanisme. Hoofdzakelijk door zijn geschriften, heeft hij een rol gespeeld, maar hij was ook graag van de partij op activerende bijeenkomsten en nam graag het hoge woord in debatten. Hij moet dan ook bestudeerd worden als deel van de geschiedenis van de officiële vrijzinnigheid, wetende dat de ketterij in deze ideologie verondersteld wordt een meerwaarde te zijn. 
Het Humanistisch Verbond verweet hij dat er teveel gewerkt werd in de richting van de Gentse positivistische filosofie en niet in de existentiële.
Ook politiek kreeg hij geen voldoening. Al zeer jong had hij banden met de Belgische communisten. Geregeld gaf hij blijk van ongerustheid omtrent hun vrij dogmatische houding. Na 1949 sluit hij nauwer aan bij de Belgische socialisten. In 1965 steunt hij Kamiel Huysmans die in Antwerpen met een scheurlijst opkwam. De filosofische steun, mede via het tijdschrift Proces, heeft toch niet mogen baten. Huysmans werd niet verkozen en dat was mede het einde van Flams politieke praktijk.
In zijn onderwijsloopbaan verliep niet alles van een leien dakje. Met de medewerkers van het eerste uur boterde het niet meer zo goed. Dat viel al op te merken toen deze een Liber Amicorum opzetten voor zijn zestigste verjaardag. Hij permitteerde zich daar niet mee gediend te zijn. Met de collegae professoren liep het helemaal mis. Toch kwam er de laatste jaren van zijn lesopdracht een wending in de verstandhouding met zijn studenten. Hij begon te experimenteren door hen theater te laten spelen in de les. 
Op zaterdag 13 december 1980 gebeurde er iets dat zijn leven drastische veranderd heeft. Flam wordt door een auto overreden bij het niet toegelaten oversteken naar de Egmontstraat (Universitaire Stichting) van de Brusselse kleine ring. Flam was maanden aan een ziekenhuisbed gekluisterd. Lesgeven was uit den boze. Zijn cursussen werden verdeeld onder zijn collegae. Flam was daar niet zo gelukkig mee. Het kenmerkt hem dat hij de decaan verzocht een paar studenten, die hij waardeerde, te laten lesgeven, eerder dan het aan collegae toe te vertrouwen. Als hij terug op de been was, gaf hij les op krukken en de hulp van een stok is nadien levenslang nodig geweest.
Als hij in 1982 met pensioen moet, ondertekenen 47 studenten een verzoekschrift aan de rector met de vraag of Flam niet onbezoldigd verder mag doceren. Hun argument luidt dat professor Flam weliswaar oud is, maar qua geest en hart jong is gebleven. Zijn lesopdracht eindigt desalniettemin op 30/9/82. Het jaar nadien op 24 juni wordt in het rectoraat een emeritaatshuldiging in mineur gevierd. 
Flam bleef actief. Aurora fungeerde als vangnet. Er volgden nog publicaties. Discipelen bleven hun erkentelijkheid betonen met briefwisseling en bezoeken. Hij sprak nog geregeld in het openbaar. 
Leopold Flam bezweek op 29/9/95 aan een hartaanval.
Ook na zijn dood werd Flam niet vergeten door vriend noch vijand. Met zijn gedachtegoed ging het minder goed. Eens ook Hubert Dethier op emeritaat was, werd het niet meer besproken aan de VUB. 
Discipelen disputeerden met enige regelmaat over hoe het werk van Flam in leven moest gehouden worden. Het boek ‘Leopold Flam, Een filosoof van gisteren voor een wereld van morgen’ werd in 2010 uitgegeven ter voorbereiding van de herdenking van zijn geboortedag in 2012. Hiervoor werd een tentoonstelling rond leven en werk van Flam opgezet naar een scenografie van kunstenaar Francis Denys, in het AMVB, het Archief en Museum voor het Vlaams Leven te Brussel. 
Toen werd het weer stil rond Flam. Naar aanleiding van de viering van 50 jaar VUB werd nog een boek met teksten van kenners van het werk van Flam uitgegeven: ‘Ecce Philosophus: leven en werk van Leopold Flam’. In dezelfde periode ontstond zowel van Frans- als van Nederlandstalige kant, een interesse voor zijn dagboeken die hij van zijn 13de tot zijn 83ste bijhield. Kristien Hemmerechts leverde hier belangrijk werk door fragmenten eruit te publiceren. Daardoor krijgt Leopold Flam de bekendheid die hij op basis van zijn werkzaamheid en zijn invloed verdient. Zijn jeugddroom om literair auteur te worden, is aldus omgedraaid in het postuum fungeren als romanfiguur.
_Werk
Leopold Flam heeft zich reeds op zeer jonge leeftijd via zelfstudie in de filosofie verdiept. Uit een dagboek van 1928 blijkt dat hij op zijn zestiende reeds de grondgedachten van Spinoza kende, Kant en Feuerbach gelezen heeft en reflecteerde over het marxisme en het atheïsme. Hij is eigenlijk ‘autodidact’ gebleven in zijn vak. Als jongeling vertoefde hij reeds vaak in bibliotheken en later werd de Albertina zijn tweede thuis.
Critici van zijn werk betoogden al eens dat hij een historicus was en geen filosoof. Hoe dan ook is de historische benadering van de filosofie de basis van zijn methode gebleven. 
Een Hegeliaan en een Platokenner zijn, in combinatie met een sterke Nietzsche invloed, valt filosofisch moeilijk te rijmen. Tenzij men door heeft dat er twee rode draden zijn. Er is de Leopold Flam die filosoof wil zijn en daarbij beroep doet op een eigen interpretatie van een aantal figuren. Er is ook deze die een geleerde professor wil zijn en daarbij op basis van een bijzondere belezenheid wil uitblinken met zijn kennis van sommige niet gemakkelijk begrijpbare denkers. Bij dit laatste sluit nog aan dat hij niet alleen de kennis beheerste van de belangrijke namen uit de filosofie, maar ook weet had van de vergeten vrijdenkers. Filosofie was voor hem het atheïsme van een enkeling als opstandigheid tegen het gevestigde in alle omstandigheden, niet enkel religieus.
Een belangrijk kenmerk van zijn benadering was dat hij de geschiedenis van de filosofie als een verzameling van stromingen zag en niet als af te bakenen gehelen. 
De belangrijkste discipel van Flam, Hubert Dethier, bracht de uitspraak in voege dat we hier met de ‘Vlaamse Sartre’ te doen hebben. Dat is allicht een verdiend eerbetoon, maar niet zeer correct. Tijdens de Brusselse Mai 68 betogingen bleef Flam lesgeven omdat hij dat doeltreffender vond dan op de barricades te betogen. In zijn visie op het gevaar van het autoritair worden van het Russische communisme sloot hij eerder bij Albert Camus aan dan bij Sartre. Daarenboven was zijn eerste belangrijk artikel een filosofische kritiek op het existentialisme, waarmee hij zich later verzoent om er een Vlaamse vertegenwoordiger van te worden. Toch wordt Leopold Flam niet opgenomen in de standaardwerken over deze stroming.
Als men die denklijn naar zijn oorsprong voert, nl. Edmund Husserl, dan hebben we reeds de hoofdlijn van het denken van Flam, die men de ‘existentiële fenomenologie’ noemt. ‘Existentiële’ omdat het over de dagelijkse levensproblemen gaat en fenomenologie als de bewustwordingsfilosofie die vanuit het aanschouwen naar de essentie van de dingen vorst. Als men daar nog wat mijlpalen wil voor plaatsen, dan krijgen we Hegel, Kant, Descartes om bij Plato uit te komen. Vier belangrijke filosofen die Flam door en door kende en er een eigen interpretatie aan verleende. 
Een dergelijke benadering gaat lijnrecht in tegen het positivisme, de stroming die door Auguste Comte op het getouw gezet werd als poging om de filosofie en de menswetenschappen in het algemeen een wetenschappelijk basis te verstrekken. In zijn spoor ontwikkelde de neopositivisme zich. Leopold Flam heeft dit levenslang bestreden. Het veroorzaakte conflicten met zijn VUB collegae Leo Apostel en Jacques Ruytinx. 
Flam was door zijn eigen situatie zeer gevoelig voor de arme klasse. Gans zijn leven heeft hij het marxisme bestudeerd. Misschien hoort de Flam van juist na de oorlog ook goed thuis in de ‘grote stroming’ die het neomarxisme in de twintigste eeuw geworden is: de school van Frankfurt met zijn Kritische Theorie, die in combinatie genomen met Freud, ook wel ‘freudo-marxisme’ genoemd wordt. Door de combinatie van de twee benaderingen, kan de theorie niet alleen de maatschappelijke problemen aansnijden, maar ook de individuele. Flam was door en door een materialistisch denker, tot op het niveau dat hij toch wat speling toeliet aan de bewustwording van het individu, maar dat belet geen materialistisch uitgangspunt. Hij beoefende ook de eraan verbonden dialectische methode als een denken vanuit de tegendelen. Steeds met de bedoeling niet vast te lopen in het dogmatische. 
Leopold Flam formuleerde ook een felle kritiek op het structuralisme van Claude Lévi-Strauss en zij die zijn spoor gevolgd zijn, evenals de post-structuralisten. De mens bestuderen als een element van een structuur, was zijn ding niet. Door het feit dat hij deze figuren toch in zijn lessen besprak, geraakten die namen ook bekend bij zijn studenten. De discussie was toen zeker zeer actueel.
_Bibliografie van Flam
Leopold Flam schreef honderden artikels en bijdragen in de volgende tijdschriften:
“Debat”,“Geschiedenis in het Onderwijs”, “Dialoog”, “Boog”, “Tijdschrift van de Vrije Universiteit van Brussel”, “Revue de l’ Université de Bruxelles, “Revue internationale de Philosophie”, “Le Flambeau”, “Morale et Enseignement”, “Arguments”, “Annales du Centre d’ Etudes des Religions”, “Cahier internationaux de symbolisme”, “Philosophie to-day”, “Diogenes”, “De moralist”, “Persoon en gemeenschap”, “Nieuw Vlaams Tijdschrift”, “De Nieuwe Stem”, “De Vlaamse Gids”, “Vrij Onderzoek”, “De Bladen van Vrij Onderzoek”, “Bulletin de l’union des anciens étudiants de l’ U.L.B.”, “Education”, “Vorming”, “Proces”, “Nul”, “Dialogue”, “Les cahiers du libre examen”, “Annales du Centre d’ Etude des religions”, “Duitse Kroniek”, “Tijdschrift voor de Studie van de Verlichting”, “Aurora”.
Verder publiceerde hij vele inleidingen en hoofdstukken in boeken. 
Hij had ook 25 brochures op zijn naam, 30 cursussen en 44 boeken. 
Van deze laatste geven we de belangrijkste titels weer:
§  Plato, Descartes, Kant, Uitgeverij Ontwikkeling, Antwerpen, 1952.
§  Nietzsche, wijsgeer van de voornaamheid, Kroonder, Bussum, 1955.
§  De krisis van de burgerlijke moraal van Kierkegaard tot Sartre, Uitgeverij Ontwikkeling, Antwerpen, 1956.
§  Profielen, van Plato tot Sartre, De Sikkel, Antwerpen, 1957.
§  De morele crisis van onze tijd, Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen, (Wereldboog 118), 1958.
§  Ontbinding en protest. Van marquis de Sade tot Sartre, De Sikkel, Antwerpen, 1959.
§  Ethisch socialisme, Uitgeverij Ontwikkeling, Antwerpen, 1960.
§  Wie was Nietzsche?, Beschouwingen bij “Alzo sprach Zarathustra”, De Sikkel, (Nieuwe inzichten, 6), Antwerpen, 1960.
§  Zelfbewust-zijn, Uitgeverij Ontwikkeling, Antwerpen, 1961.
§  Verleden en toekomst van de filosofie, Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen, 1962.
§  Denken en existeren, Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen,1964.
§  De gefundeerde orde van Thales tot Kant, Uitgeverij Ontwikkeling, Antwerpen, 1964.
§  Gestalten van de Westerse subjectiviteit, Wereldbibliotheek, Amsterdam- Antwerpen, 1965.
§  Het huis van de wereld, Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen, 1966.
§  Zelfvervreemding en zelfzijn, Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen, 1966.
§  Ontbinding en protest (2e herziene en vermeerderde druk), Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen, 1967.
§  De bezinning, Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen, 1968.
§  Wording en ontbinding van de filosofie, Wereldbibliotheek, Amsterdam- Antwerpen, 1969.
§  De Bron, Acco, Leuven 1973.
§  De eenzaamheid, Acco, Leuven, 1979.
§  Protest tegen de catastrofale werkelijkheid, Acco, Leuven, 1981.
§  De gekwetste existentie (essays en gedachten), Aurorasporen, Antwerpen, 1983
§  Ik zal alles verdragen, ook mezelf. Uit de dagboeken en briefwisseling van Leopold Flam, samengesteld door Kristien Hemmerechts en Guido Van Wambeke, De Geus, Amsterdam; 2023.
_Bibliografie en bronnen over Flam
§  W. Elias, Leopold Flam, 1912-1995, Een filosoof van gisteren voor een wereld van morgen, VUBPress, Brussel, 2010.
§  T. De Mette, W. Elias en J-P Vanhee, Ecce Philosophus, Leven en Werk van Leopold Flam, VUBPress, Brussel, 2021. Hierin vindt men de bibliografie van de andere auteurs over deze figuur.
§  T. Lobbes, ‘Verleden zonder stof. De gedaanten van het Belgische naoorlogse geschiedenisonderwijs 1945-1989’. Doctoraat (Leuven, KUL, Fac. Letteren, Cultuurgeschiedenis, 2012).
_Archieven
- Archief Defensie, Documentatiecentrum van het Belgische leger.
- Archief Ugent.
- CAVA, Centrum voor Academische en Vrijzinnige Archieven.
- Dacob, Archief en bibliotheek voor de studie van het communisme.
- Forum+, privé archief van tijdschrift uitgegeven door ‘Leopold Laarmans’. 
- Letterenhuis.
- Documentatiecentrum Kazerne Dossin. 
- MADOC, Maçonniek Studie- en Documentatiecentrum.
- Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën.
- Stadsarchief Antwerpen Stad Antwerpen. 
- Felix Archief.
- ULB Archives.
Er bestaat één geschilderd portret van Leopold Flam, gemaakt door Colin Waeghe (°1980) in 2021, geschonken aan de VUB, bewaard bij CAVA.
Bron uitgelichte foto bovenaan: kvab.be
Het Vrije Woord
-
_Willem Elias em. prof. Willem Elias
Meer van Willem Elias

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws