Het Vrije Woord
Geschreven door Benny Madalijns
  • 54 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

27 januari 2026 Eerst de weigering: denken zonder gezag
Heterodoxie en de oorsprong van het denken bij Leopold Flam
Denken begint niet vanzelf. Het komt niet voort uit nieuwsgierigheid, noch uit de behoefte om te verklaren. Soms wordt denken pas mogelijk wanneer het bestaande denken zijn geloofwaardigheid verliest. Wat ooit richting gaf, begint te verstikken. Wat eens geldig leek, houdt geen stand meer.
In zulke scharniermomenten valt elk fundament weg. Wat rest, is een breuk. Leopold Flam noemt die breuk opstand. Niet als daad en niet als programma, maar als bestaanswijze. Opstand is het ogenblik waarop de enkeling weigert verder te denken zoals (nu eenmaal) gedacht wordt.
Die weigering kan niet blijven binnen wat geldt, hier en nu; zij treedt er daadwerkelijk uit. Flam spreekt hier van heterodoxie. Geen afwijking en geen correctie. Heterodoxie markeert voor Flam het punt waarop echt denken begint: het moment waarop geen gezag meer geldt en vanzelfsprekendheid niet langer stand kan houden. Daar tekent zich een grens af die hij niet meer opgeeft.
Cover 'Zelfvervreemding en Zelfzijn'
Opstand ontstaat, zo stelt Flam in Zelfvervreemding en Zelfzijn (Amsterdam-Antwerpen, Wereldbibliotheek, 1966), niet uit overtuiging maar uit onverdraaglijkheid. 'Wanneer een individu in opstand komt, dan geschiedt het niet om een ideaal of een gedachte, maar om een nijpende werkelijkheid die het dreigt te verpletteren' (p. 201). De opstand vertrekt niet vanuit een voorafgaand idee. Zij ontstaat pas in de weigering zelf – en pas op dat moment. Want wie eerst een idee nodig heeft om te weigeren, weigert niet werkelijk.
Daarmee plaatst Flam zich buiten elke filosofie die opstand legitimeert via moraal, utopie of historische noodzaak. Opstand is geen gevolg van welke waarheid dan ook, maar een existentieel breekpunt. Zij rukt het denken los uit zijn vanzelfsprekendheid. Ook dit noemt Flam heterodoxie. 'Het anders-denken wordt ook heterodoxie genoemd; het behoort derhalve wezenlijk tot het denken opstandig te zijn' (p. 204).
Voor Flam is dit geen ketterij. De ketter verzet zich tegen een gezag om een ander te vestigen. De heterodoxe weigert elk beroep op gezag. Hij denkt zonder voorwendsel of dekmantel. Dat maakt zijn positie precair en eenzaam. De opstandige enkeling kan zich op niets beroepen buiten zijn eigen ervaring van grens en weigering.
Flam ontdoet dit soort opstanden zorgvuldig van elke romantiek. Zij zijn nooit zuiver. Wie vernederd werd en in opstand komt, verlangt naar erkenning, vaak juist door wie hem heeft miskend. Flam spreekt hier over het 'complex van de weergekeerde emigrant' (p. 198): het individu dat vertrekt in vernedering en terugkeert in glorie, niet om te verzoenen, maar om te verachten. In deze hunkering sluimert wraak. Waar zelfbevestiging afhankelijk wordt van de vernedering van de ander, slaat opstand om in macht.
Deze analyse is meedogenloos. Zij laat zien hoe opstand dreigt te stollen tot gezag. Zodra de opstandige zichzelf als maat of autoriteit beschouwt, houdt de opstand op. Dat geldt ook voor haar meest verleidelijke verschijningsvorm: de roes.
Sinds Plato's Symposium blijft de figuur van de denker die de roes verdraagt zonder eraan toe te geven fascineren. In Alcibiades' beschrijving verschijnt Socrates als iemand die drinkt zonder te bezwijken, die de roes verdraagt zonder erin op te lossen. Roes wordt hier niet begrepen als verlies, maar als beproeving.
In de moderniteit keert dit motief terug met hernieuwde intensiteit. William Blake formuleert het kernachtig: 'If the doors of perception were cleansed, everything would appear to man as it is, infinite' (The Marriage of Heaven and Hell, ca. 1790, Plate 14).
Van Baudelaire tot Nietzsche, van William James tot Walter Benjamin en Ernst Jünger wordt de roeservaring – andere manieren van kijken, voelen en beleven – naar voren geschoven als betekenisgevend.
Precies hier weigert Flam in mee te gaan. Niet uit morele afkeer, maar uit existentieel wantrouwen. Zodra de roes zichzelf rechtvaardigt, wordt zij een nieuw gezag. En elk gezag, hoe intens ook, staat haaks op heterodoxie.
Flams scherpste kritiek richt zich op wat hij 'de genieter' noemt: een figuur zonder verleden en zonder toekomst, levend 'van punt tot punt in het heden' (p. 202). Hij heeft alle goden verworpen, maar is zelf maat geworden. Zijn vrijheid is leeg. Zijn roes is geen opstand, maar verdoving.
Ook wanneer de roes esthetisch wordt voorgesteld en verheerlijkt, blijft zij verdacht. Wanneer Charles Baudelaire schrijft 'Il faut être toujours ivre' (Le Spleen de Paris, 1869), klinkt daarin geen bevrijding, maar de noodzaak tot ontsnappen. De voortdurende roes heft verantwoordelijkheid voor het eigen bestaan niet op, maar stelt het onder ogen zien van de eigen handelingen en hun gevolgen telkens opnieuw uit.
Die verleiding om je te verliezen in een roes wordt pas mogelijk wanneer geen hoger gezag meer geldt. Voor Flam begint de ware opstand pas na de dood van God, en die dood is geen feest. 'De opstand wordt geboren in de stilte van de dood van God' (p. 203). In die stilte staat de enkeling voor een beslissende keuze: zichzelf tot god maken, of zichzelf dragen zonder excuus. De eerste weg leidt tot macht en legitimerende moraal. De tweede tot eenzaamheid.
Die eenzaamheid is geen gemis, maar een mogelijkheid. Alleen daar kan de enkeling 'een werk' tot stand brengen. Opstand kan voor Flam niet blijven steken in weigering of roes. Zij moet zich binden aan iets wat standhoudt. Met 'een werk' bedoelt Flam dan ook geen prestatie, geen roeping en geen voltooiing, maar een vorm van blijvende inzet waarin de opstand niet verdampt tot roes en niet verstijft tot gezag.
Wat dat werk precies is, blijft open. Die openheid voorkomt dat de opstand opnieuw wordt gelegitimeerd.
Het werk is geen boodschap, geen middel en geen oproep tot navolging. Het verleent substantie aan het bestaan van de enkeling. 'De authentieke opstandigheid heeft zich door een reëel werk te verwezenlijken' (p. 203).
Wat hier heterodoxie heet, zal in de verdere essays van deze reeks onder andere namen terugkeren – spreken, verantwoordelijkheid, grens en werk – maar telkens als dezelfde weigering om het denken te laten steunen op bestaande normen.
Juist waar spreken problematisch wordt en regels hun vanzelfsprekendheid verliezen, kan spreken alleen nog plaatsvinden als het soort werk waar Flam naar verwijst. Dat werk draagt geen boodschap, dient geen doel en roept niet op tot navolging. Het verleent geen rechtvaardiging, maar bindt de enkeling aan wat hij niet kan afwentelen.
Waar de roes wordt opgevoerd als verruimingsidee, weigert de heterodoxe opstand elke verwachting en aanvaardt zij geen waarheid die van verantwoordelijkheid ontslaat. Zij onttrekt zich evenzeer aan morele vrijspraak als aan esthetische verdoving.
Zo bewaart Flam slechts één mogelijkheid: een denken dat nergens op kan terugvallen en niets kan inroepen om zich vrij te spreken. Dat denken biedt geen garantie. Precies daarin blijft Flam bijzonder consequent.
Het Vrije Woord
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws