24 februari 2026
Het binaire karakter van de biologische voortplanting
Wat bedoelen we eigenlijk met geslacht of sekse? Op het eerste gezicht lijkt dit een eenvoudige, bijna vanzelfsprekende vraag. Toch blijkt ze bij nader inzien verrassend complex. Dat wordt vooral duidelijk wanneer biologen, artsen of sportorganisaties – denk hierbij aan de Olympische Spelen – moeten bepalen wie tot de mannen- of vrouwencategorie behoort.
De verwarring ontstaat niet uit de biologie zelf – die heeft een eenduidig criterium –, maar uit het vermengen van verschillende verklaringsniveaus.
Vanuit biologisch perspectief heeft geslacht één fundamentele definitie, namelijk de rol die het individu speelt in de voortplanting. Die definitie is evolutionair verankerd en universeel geldig. De veelheid aan chromosomen, hormonen, lichamen en gedragingen die we waarnemen, betreft niet de definitie van geslacht, maar de ontwikkelingswegenwaarlangs die definitie zich in individuele organismen realiseert. Om dit scherp te houden, is het noodzakelijk een onderscheid te maken tussen twee biologische benaderingen: de evolutiebiologie en de ontwikkelingsbiologie.
_De kernvraag in de biologie: de rol bij de voortplanting
Stel je een marinebioloog voor die de voortplanting van kabeljauw onderzoekt, of van zeepaardjes – waar het mannetje in zijn broedbuidel de embryo’s draagt, daar gedeponeerd door het vrouwtje en vervolgens door hem bevrucht. Of een veearts die met kuikens werkt. Al deze dieren planten zich geslachtelijk voort. De fundamentele vraag is telkens dezelfde: hoe onderscheid je het mannetje van het vrouwtje?
Een bioloog vertrekt daarbij niet van identiteit, gedrag of uiterlijk, maar van de biologisch-functionele rol die een individu speelt in de voortplanting. Dat vormt de kern van de biologische benadering van geslacht.
_Gameten: het universele criterium
Op het meest fundamentele niveau – dat van de evolutiebiologie – wordt geslacht gedefinieerd door het type geslachtscellen, of gameten, dat een organisme produceert.
Individuen die kleine, beweeglijke gameten produceren (zaadcellen), worden biologisch als mannelijk geclassificeerd. Individuen die grote, energierijke gameten produceren (eicellen) worden vrouwelijk genoemd. Dit criterium van anisogame geslachtelijke voortplanting — dat wil zeggen met ongelijkvormige gameten — geldt niet alleen voor de mens, maar voor vrijwel alle dieren en planten met geslachtelijke voortplanting. Het gametencriterium voor de bepaling van biologisch geslacht is niet toepasbaar bij isogame organismen (zoals sommige algen en schimmels), en ook niet bij organismen met uitsluitend aseksuele voortplanting – waar het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk biologisch irrelevant is.
Er bestaan in de natuur twee – en slechts twee – fundamenteel verschillende voortplantingsstrategieën. Dit maakt het gametencriterium fundamenteel en universeel: het overstijgt soorten, culturen en historische contexten.
‘Mannelijk’ en ‘vrouwelijk’ beschrijven hier geen uiterlijk, gedrag of identiteit, maar twee fundamenteel verschillende evolutionaire voortplantingsrollen.
Dit is geen culturele afspraak of menselijke conventie, maar een evolutionair gegeven dat geldt voor vrijwel elk organisme met geslachtelijke voortplanting.
In die zin is de binaire classificatie van biologisch geslacht een taxonomische consequentie van hoe geslachtelijke voortplanting functioneert, niet een verklaring van waarom die voortplantingswijze evolutionair is ontstaan.
Seksuele voortplanting is evolutionair ‘duur’: je hebt twee individuen nodig, je geeft maar de helft van je genen door en het kost tijd en energie (de omstandigheden zijn niet altijd veilig). Toch wint ze het vaak van ongeslachtelijke voortplanting. De reden hiervoor is wellicht de productie van genetische variatie. Door recombinatie en menging van van genen ontstaan telkens nieuwe combinaties, waardoor populaties een grotere kans maken om zich te kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden: nieuwe ziekten, parasieten, klimaat, concurrentie. Ongeslachtelijk voortplanting is efficiënt in een stabiele omgeving, maar kwetsbaar zodra die omgeving verandert – één slechte mutatie of één succesvolle parasiet kan alles wegvegen. Seks werkt dus als een evolutionair ‘verzekeringsmechanisme’ in een onvoorspelbare en wispelturige wereld, al wil ik hier aan toevoegen dat de vraag hoe we de evolutionaire ontwikkeling van seksuele reproductie kunnen begrijpen, nog niet volledig is opgelost. Zie hier voor een korte lezing waarin enkele mogelijke verklaringen worden uitgelegd.
_Twee vragen, twee verklaringsniveaus
Hier ligt een cruciaal onderscheid dat in maatschappelijke discussies vaak verloren gaat. De vraag ‘wat is mannelijk of vrouwelijk?’ behoort tot de evolutiebiologie. Zij is categorisch en classificerend van aard: het gametencriterium.
De vraag ‘hoe wordt een organisme mannelijk of vrouwelijk?’ behoort tot de ontwikkelingsbiologie. Zij beschrijft de concrete biologische processen waardoor die fundamentele voortplantingsrol zich tijdens de ontwikkeling van een organisme vertaalt via chromosomen, gonaden, hormonen, anatomie, hersenontwikkeling en sekse-typsich gedrag (zoals gemiddelde verschillen in agressie, zorggedrag, spelvoorkeuren, die alle beïnvloed worden door prenatale en postnatale hormonen).
De eerste ‘wat?’-vraag is universeel en soortoverstijgend; de tweede ‘hoe?’-vraag beschrijft een complex en vaak soortspecifiek mechanisme. Wanneer deze twee vragen in de maatschappelijke discussies met elkaar worden verward, ontstaat de indruk dat variatie in ontwikkeling ook onzekerheid in definitie zou impliceren. Biologisch is dat onjuist.
_Van chromosomen tot hormonen: de ontwikkelingscascade
Bij de mens verloopt de ontwikkeling van geslacht meestal via een samenhangende biologische cascade. Geslachtschromosomen (meestal XX of XY) bepalen de vroege embryonale ontwikkeling en sturen de vorming van de gonaden (geslachtsklieren) aan. Deze gonaden – testes of ovaria – produceren vervolgens (reeds in utero!) geslachtshormonen, vooral testosteron en oestrogenen.
Die hormonen hebben verstrekkende effecten. Ze sturen in utero de ontwikkeling van de uitwendige en inwendige geslachtsorganen, en spelen al vóór de geboorte een rol in de masculiniserende of feminiserende ontwikkeling van het brein. Zo beïnvloeden ze sekse-typisch gedrag en interesses vanaf de geboorte. In de puberteit sturen die hormonen eerst de seksuele rijping van het brein en – iets later – de ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken en seksueel gedrag aan.
Mannen hebben bij een ongestoorde ontwikkeling steeds hogere testosteronspiegels dan vrouwen. Dit verschil is al aanwezig op foetaal niveau, maar wordt pas vanaf de puberteit zeer duidelijk, met gemiddeld tot tien keer hogere waarden bij mannen.
Deze hormoonspiegel komt niet altijd van de eigen geslachtsspecifieke geslachtsklieren. Zo kan een aangeboren afwijking van de bijnieren – congenitale bijnierhyperplasie – zorgen voor een te hoge testosteronproductie, ook bij vrouwen met – per definitie – een XX-karyotype (die dus eierstokken zullen hebben en geen testikels). Testosteron kan daarnaast ook van buitenaf worden toegediend, met duidelijke lichamelijke spierkrachtverstekende effecten. In de sportgeschiedenis is dit bekend van de systematische hormonale doping in de DDR, waar vrouwelijke topsporters synthetische anabole steroïden, afgeleid van testosteron, kregen toegediend, en van het gebruik van vergelijkbare middelen door atleten zoals de Canadese sprinter Ben Johnson, kortstondig olympisch kampioen op de 100 meter (1988).
Dus hormoonspiegels kunnen niet (uitsluitend) gebruikt worden voor geslachtsbepaling.
_Fenotype en variaties in ontwikkeling
Een volgend niveau is het fenotype: het geheel van waarneembare biologische sekse-kenmerken. Bij mensen gaat het om de uitwendige geslachtskenmerken bij de geboorte (penis en scrotum, versus vagina) en om de secundaire geslachtskenmerken die zich tijdens de puberteit ontwikkelen, zoals borst- en lichaamsontwikkeling, baardgroei of stemverlaging e.a.
In de meeste gevallen sluiten deze kenmerken aan bij de onderliggende gonaden en gameten, maar niet altijd. Er bestaan variaties in de geslachtsontwikkeling, vaak aangeduid als DSD (differences of disorders of sex development), waarbij chromosomen, hormonen, anatomie en fenotype niet eenduidig samenvallen. Zulke variaties zijn zeer zeldzaam (minder dan 6 per 10.000 geboortes) en tonen aan dat de ontwikkelingsbiologie complex is, zonder ervenwel het fundamentele biologische onderscheid op te heffen. Zij vormen geen nieuw, derde geslacht.
_Geslachtschromosomen: belangrijk, maar niet fundamenteel
Bij de mens hebben vrouwen twee gelijke geslachtschromosomen (XX), terwijl mannen twee verschillende geslachtschromosomen bezitten (X en Y). Dit chromosomale systeem is kenmerkend voor zoogdieren, maar geldt niet voor het dierenrijk als geheel.
Bij vogels, zoals de kip, is het patroon omgekeerd: daar zijn vrouwtjes heterogametisch (ZW) en mannetjes homogametisch (ZZ). Bij sommige reptielen, zoals schildpadden en krokodillen, spelen chromosomen zelfs geen rol en bepaalt de temperatuur van het nest tijdens de embryonale ontwikkeling het geslacht.
Deze variaties illustreren dat geslachtschromosomen deel uitmaken van de ontwikkelingsmechanismen, maar niet dat ze bepalend zijn voor de fundamentele definitie van geslacht.
_De mens en de dagelijkse heuristiek
Toegepast op de mens wordt duidelijk waarom de vraag ‘waaraan herken je een man of een vrouw?’ geen triviale vraag is. In het dagelijks leven gebruiken we uiterlijke kenmerken vaak als snelle vuistregel, of heuristiek. Dat werkt in de overgrote meerderheid van de gevallen, maar blijft biologisch een vereenvoudiging.
In de biologie, en in domeinen zoals de geneeskunde en de sport, volstaat die vuistregel niet. Daar moet men rekening houden met het samenspel van gameten, gonaden, hormonen, chromosomen en fenotype, en met het onderscheid tussen het definitiecriterium en de biologische ontwikkeling.
_Een gelaagd concept met een ondubbelzinnige kern
De biologie laat zo zien dat het vaststellen van geslacht geen simpele checkbox is, maar een gelaagd concept met meerdere niveaus van verklaring. Tegelijk blijft de kern ondubbelzinnig: in de natuur draait geslacht uiteindelijk om de productie van eicellen of zaadcellen.
Daaruit volgt een nuchtere, strikt wetenschappelijke conclusie: weinig spectaculair, maar des te robuuster. Omdat er slechts twee typen gameten bestaan, bestaan er biologisch gezien slechts twee geslachten. Variatie in ontwikkeling, anatomie of hormoonhuishouding verandert niets aan die definitie, maar speelt zich af binnen dit fundamenteel binaire voortplantingssysteem.
Dat betekent niet dat alle lichamen identiek zijn in anatomie of hormonale huishouding, noch dat ontwikkeling van geslacht altijd eenduidig en zonder variatie of afwijking van het prototypisch verloop plaatsvindt. Het betekent wel dat die variatie zich afspeelt binnen een fundamenteel binair voortplantingssysteem.
Wie stelt dat er biologisch slechts twee geslachten zijn, formuleert daarmee geen politieke of ideologische overtuiging, maar een wetenschappelijke universele verklaring over hoe geslacht in de natuur is georganiseerd.
Dat deze uitspraak vandaag als controversieel wordt ervaren, zegt meer over het maatschappelijke debat dan over de stand van de biologische wetenschap.
Tot slot: wat we onder gender verstaan en hoe en waarom mensen zich al dan niet een gender toekennen of zich ermee identificeren, is een andere kwestie dan de biologie van het geslacht.