15 juni 2026
Panorama van Aotearoa #17: De werkplaats achter Venetië: over een Māori-academie, kunstonderwijs en de vraag wat Vlaanderen nog durft te willen
Sommige plekken begrijpt men niet meteen. Men stapt weer naar buiten, kijkt naar de lucht, informeert of de weg open blijft, of er verderop geen landslide is geweest, en of het weer vannacht opnieuw zal toeslaan op routes als de SH94 Milford Road of de SH7 Lewis Pass, met regen, lawines, steenval of sneeuw. Pas later merkt men dat er iets is blijven hangen. Niet zomaar een vriendelijke ontvangst of een interessant gesprek, maar iets diepers. Alsof men niet alleen een opleiding heeft bezocht, maar ook een andere manier heeft leren vermoeden om naar kunst, kennis en overdracht te kijken. Een manier die, zoals zoveel in Nieuw-Zeeland, tegelijk kwetsbaar, aards en veerkrachtig is, en waarin zelfs de bekende formule van vier seizoenen op één dag geen praatje voor toeristen blijft, maar een reëel onderdeel van het dagelijks gesprek.
Zo verging het mij na mijn bezoek aan Massey University, aan Te Pūtahi-a-Toi, de ‘School of Māori Knowledge’. In eenvoudige woorden is dit een Māori-academie voor beeldende kunsten. Maar het is tegelijk ook een zeldzame plaats waar maken en denken, vorm en afkomst, beeld en wereldbeschouwing nog als één geheel worden begrepen.
Wat daar bleef nazinderen, was de eenvoud van de ernst. Geen opgeblazen instellingstaal. Geen decor van goedbedoelde exotiek. Geen gevoel dat men iets in scène zette. Alles leek te vertrekken vanuit iets dat al bestond, al gegroeid was, al lang zijn eigen gewicht had.
En dat gewicht is reëel. Het gaat intussen om dertig jaar kunstonderwijs. Die dertig jaar tonen dat Māori-kunstonderwijs hier geen tijdelijke correctie is, maar een duurzaam opgebouwde pedagogische traditie. Midden jaren negentig werd het programma mee opgericht door professor Robert Jahnke. Vandaag geldt het als de enige universitaire opleiding van dit type in Nieuw-Zeeland, wellicht zelfs als iets unieks in de wereld.
Dat klinkt als een grote zin. Daar klonk hij niet groot. Alleen juist.
De verwelkoming verliep, zoals gebruikelijk, via een mihi whakatau, een traditionele Māori-begroeting om bezoekers officieel te ontvangen, eerst in de eigen taal en niet in het Engels. Vooraf was gevraagd een koha mee te brengen en een kort woord in mijn moedertaal voor te bereiden. Zo’n koha is meer dan een geschenk. Het is een teken van respect en wederkerigheid tegenover de gastheer of gemeenschap. In mijn geval was dat een enveloppe met Nieuw-Zeelandse dollars, al hadden Belgische chocolade of flesjes Duvel mij cultureel minstens even passend geleken, ware het niet dat men zulke zaken niet zomaar de grens over krijgt. Dus sprak ik Nederlands. Pas daarna schakelden wij over naar het Engels.
Dat vond ik vanaf de eerste minuut veelzeggend. Niet als folklore, maar als helderheid. Eerst taal. Eerst herkomst. Eerst tonen vanwaar men spreekt. Daarna pas het gesprek.
Misschien trof mij dat ritueel zo omdat wij in Vlaanderen, en ruimer in Europa, te vaak openheid met verengelsing verwarren. Alsof men de wereld pas kan betreden door eerst iets van de eigen taal af te leggen. Maar een moedertaal is geen last die men hoffelijk aan de kapstok hangt. Zij draagt herinnering, nuance en afkomst. Wie haar te snel inruilt, wint niet vanzelf aan universaliteit, maar verliest soms juist het vertrekpunt van een echt gesprek.
Daarom was dit meer dan een ceremonieel detail. Eerst spreken in de eigen taal betekende: eerst erkennen dat niemand uit het niets spreekt. Elke stem heeft een herkomst. Wat wij vaak neutraliteit noemen, is zelden neutraal. Het is vaak gewoon de positie van wie zijn eigen vertrekpunt niet meer hoeft te benoemen. Misschien begint echte openheid dus niet bij het uitwissen van verschil, maar bij de moed om het hoorbaar mee te brengen. Pas dan wordt een gemeenschappelijke taal werkelijk een brug.
Aan tafel zaten professor Hemi Whaanga, dr. Erena Arapere, dr. Karangawai Marsh, Matenga Baker en ook de warm betrokken en bezielde Hilde Celie, Programme Coordinator Short Courses aan Massey University en tegelijk ereconsul van België. Het gesprek was aandachtig en helder. Wat mij trof, was de energie van de plek. Niet de drukke energie van slogans en projectdenken, maar de stillere kracht van iets dat zijn eigen grond kent.
Misschien ligt juist daar de kern van dit programma. Het werd niet opgericht om wat diversiteit toe te voegen aan een bestaand model. Het ontstond als antwoord op het racisme dat Bob Jahnke zelf tijdens zijn kunstopleiding had ervaren, en uit de noodzaak een plek te creëren waar Māori-studenten op hun eigen voorwaarden konden leren, denken en maken. Daarin schuilt de morele en pedagogische kracht ervan. Het gaat niet om folklore in academische verpakking, maar om een structureel antwoord op uitsluiting. Māori-studenten krijgen hier les van Māori-docenten, en de kunstgeschiedenis waarop men terugvalt vertrekt niet alleen vanuit een zogenaamd internationale, maar vaak gewoon westerse canon; zij vertrekt ook vanuit customary practice en een eigen verhouding tot kennis, vorm, gemeenschap en overdracht. Dat is geen nuance. Dat is een ander begin.
En misschien wringt precies dat voor een Europese bezoeker. Wij doen nog te vaak alsof de canon een groot huis is waaraan men af en toe een kamer kan bijbouwen, terwijl de lastigere vraag misschien is of het huis zelf niet scheef staat.
Panorama van Aotearoa #17: De werkplaats achter Venetië: over een Māori-academie, kunstonderwijs en de vraag wat Vlaanderen nog durft te willen
Na het gesprek wandelden wij door de ateliers en presentatieruimtes. Daar kreeg alles een lichaam. Verf kleefde op de tafels, penselen lagen nog vochtig naast glazen potten, half afgewerkte stroken wachtten alsof de hand van de maker elk ogenblik kon terugkeren. Op de vloer zaten vegen, spatten en afdrukken van zolen en dagen werk. Niets oogde opgepoetst. Dit was de rauwe adem van een werkplaats: een plek waar men aanzet, schrapt, herneemt, mislukt en koppig opnieuw begint.
Ik meende er haast weer de prikkel van terpentijn te ruiken en moest meteen denken aan het oude arsenaal van het HISK in Antwerpen in de jaren negentig. Diezelfde geladen mengeling van concentratie, wanorde, ernst en belofte. Een werkplaats moet niet alleen zichtbaar zijn. Zij moet aan de handen blijven hangen, in de kleren kruipen, bijna in de keel gaan zitten. Vraag het maar aan laureaten als David Claerbout, Koen Broucke, Koen van den Broek, Peter De Cupere, Ronny Delrue en Tina Gillen.
Ik was oprecht onder de indruk van de kwaliteit van wat wij zagen.
Er stonden lange panelen opgesteld, rank en rechtop, met ritmische patronen, flora, insecten, diermotieven en verhalende figuren. Ze droegen iets van tukutuku in zich, iets van schildering, iets van teken en geheugen tegelijk. Niets voelde doods of schools. Het waren geen brave oefeningen, maar dragers van een beeldtaal die zichzelf niet hoefde uit te leggen om aanwezig te zijn.
Ook de ateliers zelf spraken. Een tafel met pigment, penselen en groene motieven in wording. Een andere ruimte waar de panelen tegen de wand stonden als een koor van verschillende stemmen. Men voelde er arbeid, maar ook rust. Concentratie. Vertrouwen in het trage groeien van vorm.
Goede kunstopleidingen verraden zich in hun werktafels. Niet in folders of missieverklaringen, maar in de materie, in de rommel die geen rommel is, in de sporen van handen die nog zoeken. In gangen en werkruimtes zagen wij ook werk van afgestudeerden: grote, felgekleurde portretten, een fragiele maar vastberaden installatie van Rosalie Koko, affiches en schermen met namen van jonge makers en alumni. Toen begreep ik beter wat dertig jaar kunstonderwijs hier betekent. Niet een jubileum, maar zichtbare continuïteit. Geen uniforme stijl of braaf schoolhandschrift, wel praktijken die geworteld zijn en toch open blijven.
Nog iets anders maakte dit bezoek bijzonder. De fotografie ontstaat in 1839. Te Tiriti o Waitangi wordt ondertekend in 1840. Tussen beide ligt nauwelijks één jaar. Dat betekent dat het moderne leven van Māori, met alles wat sindsdien verloren, bevochten, herinnerd en herwonnen werd, haast van meet af aan ook fotografisch is begeleid. Alsof koloniale moderniteit en het fotografische oog hier samen binnenkwamen.
Daarom raakt fotografie in Aotearoa aan veel meer dan techniek of stijl. Zij raakt aan geheugen, whakapapa, macht, zichtbaarheid en aan de vraag wie het recht heeft zichzelf in beeld te brengen.
Misschien verklaart dat ook waarom het gesprek vanzelf uitkwam bij mijn levenslange project: de noodzaak om een nieuwe geschiedenis van de wereldfotografie te schrijven, vertrekkend vanuit fotoarchieven en fotocollecties. Niet langer als een verhaal dat in Europa begint, zich in de Verenigde Staten canoniseert en de rest van de wereld pas later toevoegt, maar als een geschiedenis waarin archieven, verzamelingen en beeldpraktijken van meet af aan mondiaal naast elkaar staan. Daarom nodigde ik hen uit om aan dat project mee te schrijven. Zij begrepen onmiddellijk de inzet ervan en stonden er positief tegenover, niet als leveranciers van aanvullingen voor een westers kader, maar als medeauteurs van een ander vertrekpunt. Want wie alleen beelden aan een canon toevoegt, verandert de geschiedenis niet. Men moet de archieven zelf anders leren lezen.
Wat deze academie beleidsmatig zo relevant maakt, is dat haar kleinschaligheid geen zwakte is, maar een strategische kracht. Het programma is selectief, geconcentreerd en gericht op duurzame kwaliteit. De doorwerking ervan is aanzienlijk. Afgestudeerden oefenen invloed uit als kunstenaars, docenten, tā moko-artists en curatoren.
Juist daarin ligt ook de link met Venetië. Dr. Erena Arapere maakt deel uit van Mataaho Collective, dat in 2024 de Golden Lion won, terwijl ook andere leden van dat collectief uit deze opleiding voortkomen. Die internationale erkenning is niet toevallig. Zij is geworteld in een gedeelde vorming, een gemeenschappelijke taal en een whānau-omgeving waarin samenwerking en kennisdeling over jaren heen konden rijpen. Daarom noem ik dit zonder aarzelen de werkplaats achter Venetië, of beter nog: de werf achter Venetië. Niet de werf als louter productieplaats, maar als menselijke en pedagogische ruimte waar men samen bouwt aan vorm, betekenis, continuïteit en verantwoordelijkheid. Niet omdat alles naar Venetië moet leiden, maar omdat men daar scherp ziet dat internationale uitstraling altijd een bodem, een gemeenschap en een lange adem nodig heeft.
Ook de manier waarop het dertigjarig bestaan werd gemarkeerd, bleef mij bij. Voor de viering werd een grote muurschildering gemaakt, ontworpen door staf, alumni en studenten. Het herhaalde X-motief verwees tegelijk naar tukutuku-kruissteken, naar de tekens waarmee veel Māori Te Tiriti ondertekenden, en naar het landschap van Ruahine en Tararua. Een mooi beeld voor wat deze opleiding doet: customary knowledge en hedendaagse praktijk niet tegenover elkaar zetten, maar samen denken.
Ook de naam van Bob Jahnke bleef hangen. De stichter van het programma was er niet bij, omdat hij in Gisborne werkte aan de restauratie van zijn marae, het traditionele Māori-ontmoetings- en gemeenschapscentrum. Precies dat detail werd plots wezenlijk. Onderwijs staat hier niet los van plaats, gemeenschap, verantwoordelijkheid en continuïteit. De intellectuele ruimte hangt hier niet in de lucht. Zij heeft grond onder zich.
Dat alles maakte dit bezoek groter dan een bezoek aan een opleiding.
Ik zag er geen niche. Geen cultureel zijkamertje. Geen keurige correctie aan de rand van een onaangeroerd systeem. Ik zag een plek waar onderwijs, gemeenschap, geschiedenis, taal en kunst nog met elkaar verbonden zijn.
En ja, dan begint het ook in Vlaanderen te wringen.
Want aan talent ontbreekt het ons niet. Aan geschiedenis evenmin. Antwerpen wist al vroeg dat kunst institutionele ernst vergt: in 1663, als academiestad van Europa na Florence, Rome en Parijs, en opnieuw in 1885, toen hogere artistieke vorming een eigen institutionele ernst kreeg, in een lijn die later in 1995 met het HISK verder zou resoneren. Aan de andere kant van de wereld werd op 6 februari 1840 Te Tiriti o Waitangi ondertekend: geen academiestatuut, geen atelierreglement, maar een grondmoment waarin taal, gemeenschap, gezag en toekomst publiek ter sprake kwamen.
Precies in die historische spanning wordt deze Māori-academie zo betekenisvol. Zij maakt zichtbaar dat kunstonderwijs nooit alleen over vorming, infrastructuur of excellentie gaat, maar ook over de grond waarop een gemeenschap zichzelf denkt, overdraagt en vernieuwt. Hier bouwden wij instellingen voor de kunst. Daar werd eerst onderhandeld over de wereld waarin kunst, cultuur en gemeenschap überhaupt hun plaats konden opeisen. Misschien is dat wel de diepste les: dat een academie pas werkelijk toekomst heeft wanneer zij niet alleen kunstenaars vormt, maar ook een beschavingsidee durft te dragen.
En intussen besefte ik natuurlijk dat ik daar weer stond zoals ik wel vaker sta: licht opgewonden, notitieboek in de hand, kijkend alsof ik zo-even een verborgen doorgang had ontdekt die Europa al jaren met bewonderenswaardige hardnekkigheid over het hoofd ziet. Met andere woorden: ik voelde mij weer even Kuifje in Nieuw-Zeeland. Alleen wat ouder intussen, wat trager ook, iets minder bereid om in ravijnen te springen, en hopelijk met iets meer geheugen van wat anderen vóór mij al hebben gedacht. Maar verder bedroevend herkenbaar: dezelfde nieuwsgierigheid, dezelfde neiging om achter een ogenschijnlijk lokaal detail meteen een grotere beschavingsvraag te zien opduiken.
Dat is natuurlijk ook een beetje potsierlijk. Men reist naar de andere kant van de wereld, drinkt koffie op een campus in Palmerston North, spreekt met intelligente en genereuze mensen, en nog voor de jetlag helemaal uit het lijf is verdwenen, begint men inwendig al aan een halve Vlaamse hervorming. Dat lijkt minder op een verdienste dan op een hardnekkige afwijking van de blik. Andere reizigers keren terug met een pot mānuka-honing, een piepende pluchen kiwi, een pounamu-hanger of een trui van Untouched World, zo’n keurige Nieuw-Zeelandse knitwear die zelfs Barack Obama ooit droeg. Ik keer terug met een licht ontregelde overtuiging dat Vlaanderen misschien een aparte minister van Kunstonderwijs nodig heeft, al hoeft men daarvoor niet per se een extra stoel rond de regeringstafel bij te schuiven: samengevoegd met Cultuur en Media zou al een begin zijn.
Ik geef toe dat dit klinkt als een idee dat men eerst weg glimlacht en pas later opnieuw overweegt. Maar misschien is precies dat de kracht ervan. Want wat is uiteindelijk zonderlinger: een minister van Kunstonderwijs, of de hardnekkige illusie dat kunstonderwijs vanzelf bloeit zolang men af en toe structuren herschikt en er wat nieuwe managementtaal overheen giet? Alsof beleidsproza een atelier kan vervangen.
Misschien was dat mijn echte Kuifje-moment in Palmerston North. Niet omdat ik een geheim ontdekte, maar omdat iets eenvoudigs plots weer helder werd: een academie moet meer zijn dan een efficiënte onderwijsfabriek met internationale ambities en een nette website. Zij moet een plek zijn waar iets op het spel staat. Waar geschiedenis mee de vloer draagt. Waar vorming meer is dan doorstroom. Waar men niet alleen leert maken, maar ook leert kijken, aarzelen, mislukken en opnieuw beginnen. En ook leert waarom dat alles ertoe doet, in het licht van zingeving, humanisering en de vraag wat een mens, een gemeenschap en een cultuur via kunst willen doorgeven.
En dus keert de vraag niet terug naar Palmerston North, maar naar Vlaanderen. Welke academie durft het aan? Welke directie, welke opleiding, welke minister zelfs, begrijpt dat samenwerking met Massey geen exotische versiering is, maar een kans om opnieuw na te denken over de ziel van het kunstonderwijs? Talent hebben wij. De vraag is of wij nog genoeg moed, ernst en verbeelding bezitten om het opnieuw wereldniveau te geven.
Als kunstonderwijs iets met vorming te maken heeft, dan ook met de breedte van de wereld die men bereid is binnen te laten. Dan volstaat het niet om zichzelf internationaal te noemen en intussen de horizon toch vooral Europees te houden. Kunst leeft van ontmoeting, van frictie, van andere stemmen en andere geschiedenissen. Juist daarom is het zo merkwaardig dat studenten van buiten de Europese ruimte in sommige Vlaamse kunstopleidingen op zulke hoge financiële drempels botsen. Dat is niet alleen een praktisch probleem, maar ook een cultureel signaal. Men kan de wereld niet geloofwaardig uitnodigen en haar vervolgens aan de kassa laten stranden. Wie werkelijk groot denkt over kunstonderwijs, denkt dus ruimer dan de EU alleen. Ook Oceanië is daarbij geen exotische voetnoot, maar een volwaardige en verrijkende gesprekspartner.