16 juni 2026
Derde brief van Jürgen Pieters aan Johan Braeckman
16 mei 2026
Beste Johan
Wees gerust. Ik was niet van plan om een heel jaar te wachten voor ik je antwoordde. Ik was het al eerder van plan, maar ik dacht dat ik tussen alle andere klussen iets gemakkelijker een moment zou vinden om terug te komen op je brief. Ik maakte mezelf iets wijs, blijkbaar, toen ik dacht dat me dat wel zou lukken. Maar goed, hier ben ik eindelijk.
De grens tussen fictie en non-fictie is niet gemakkelijk te trekken of eenduidig vast te leggen, daar zijn we het over eens. De voorbeelden die je aanhaalt geven het aan. Het valt me in die voorbeelden op dat het voor jou doorgaans gaat over de vraag waar die grens voor een lezer ligt, en wat ze voor de lezer betekent. Wanneer een lezer een non-fictieboek leest, dan is de voorafgaande aanname dat het boek een werkelijkheid voorstelt die echt is en beschreven zoals die was. Als een auteur zegt: dit is mijn verhaal en het vertelt wat ik zelf meemaakte in een concentratiekamp, dan voelen we ons bekocht als dat niet zo blijkt te zijn. We geloofden dat het verhaal echt was en het blijkt niet zo te zijn.
Idem met het recente voorbeeld van een boek dat werd voorgesteld als het authentieke verslag van een ziekte-ervaring (The Salt Path van Raynor Winn, er is ook een film van gemaakt) en dat achteraf gezien in sterke mate verzonnen blijkt te zijn. Veel lezers voelden zich bedrogen toen dat bleek. Een interessante, zij het virtuele vraag lijkt mij in dat geval: zouden die lezers het boek even graag hebben gelezen als ze op voorhand wisten dat het een roman was, het product van de verbeelding? Ik vermoed van niet. Ik herinner me van lang geleden nog dat ik als kind met mijn ouders naar films op televisie keek (de ‘weekendfilm’ heette dat toen) – telkens wanneer er een film bij was waarvan men op voorhand zei dat die op waargebeurde feiten gebaseerd was, wist ik al op voorhand: dat wordt niets. Ik heb mijn fictie blijkbaar graag zo zuiver mogelijk.
Ik heb de voorbije jaren nogal wat voorbeelden gelezen van boeken die men in mijn vakgebied ‘autofictie’ noemt. Het gaat om memoireachtige teksten waarin de auteurs in de verf zetten dat er bij het terugblikken op je eigen leven, en het vertellen van het verhaal van dat leven, onvermijdelijk ‘gefictionaliseerd’ zal worden. Het lexicon van literaire termen omschrijft het fenomeen als volgt: ‘Autofictie is een literair genre dat de grens tussen autobiografie en fictie bewust vervaagt. De auteur, verteller en hoofdpersoon dragen dezelfde naam, maar waargebeurde feiten uit het eigen leven worden vermengd met verzonnen elementen. Het stelt schrijvers in staat hun leven creatief te herinterpreteren.’ Lezers met een filosofische inslag – jij dus, maar ik reken er mezelf ook graag toe – vragen zich dan al snel af of die laatste zin niet even goed slaat op alle autobiografische teksten, op alle memoires. Het verhaal van je leven valt nooit samen met je leven. Dat is inherent aan de definitie van een verhaal: het staat altijd op een afstand van de werkelijkheid die erin verteld wordt.
Het verschil tussen fictie en non-fictie zit minder in de afstand in kwestie, dan in de aard van de werkelijkheid die wordt afgebeeld: als we als lezer de boodschap krijgen dat die werkelijkheid ‘echt’ is (ik gebruik de aanhalingstekens bewust), dan hebben we met non-fictie te maken; als de werkelijkheid verzonnen is, dan spreken we van fictie. Het gaat ten andere niet alleen over die werkelijkheid, maar ook om de personages die erin rondlopen. Als die personages echt bestaan (en in het verhaal moeten worden genomen voor vertegenwoordigers van de levende wezens aan wie ze refereren), dan heb je met non-fictie te maken. Is dat niet het geval, dan met fictie. Een biografie van Herman Brusselmans is non-fictie, want de naam ‘Herman Brusselmans’ verwijst daar naar de persoon van de schrijver, net zoals alle andere namen in die biografie rechtstreeks verwijzen naar reëel bestaande mensen. De dingen die over al die mensen worden gezegd kunnen worden getaxeerd op hun echtheid. Een roman van Herman Brusselmans waarin een personage wordt opgevoerd dat weliswaar de naam deelt met de maker van dat personage is fictie, omdat dat personage zich beweegt tussen mensen die het product zijn van de verbeelding van de schrijver.
Het onderscheid zoals ik het nu omschrijf steunt dus op een voorafgaande beslissing van de auteur die ervoor kiest om in het ene geval non-fictie te schrijven en in het andere fictie. Om die reden zou ik ook niet zeggen dat in het voorbeeld dat jij geeft van Fonseca het boek op een bepaald moment (na de ontmaskering) plots van boekenplank wisselt: die auteur wou non-fictie schrijven, maar schond op voorhand een cruciale regel. Dat het achteraf allemaal verzonnen bleek te zijn, maakt het boek nog geen ‘fictie’ in de boekhandel- of bibliotheekbetekenis van dat woord. Als we zo zouden redeneren is ‘fictie’ altijd een tweederangscategorie tegenover de non-fictie. Je kunt van het eerste terugvallen naar het tweede, maar nooit de omgekeerde beweging maken.
Het voorbeeld van Brusselmans dat ik daarnet gaf, roept nog een bijkomende nuancering op. Je herinnert je mogelijk de rechtszaak die modeontwerpster Ann Demeulemeester eind van de vorige eeuw aanspande tegen de auteur toen bleek dat hij in een van zijn romans haar naam gaf aan een personage dat fysiek nogal op haar leek en dat de auteur op zijn geëigende manier weinig fraai had omschreven, op een manier bovendien waarin de persoon Demeulemeester fysiek herkenbaar was. Brusselmans’ verweer dat de advocaten van Demeulemeester fictie niet mochten verwarren met non-fictie haalde het in de rechtbank niet. Lezers van die roman wisten natuurlijk wel dat ze een roman aan het lezen waren, maar dat gaf de auteur volgens de rechter niet het recht om te doen wat hij gedaan had. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de boodschap was dat de auteur wat meer zijn verbeelding had moeten gebruiken en zijn personages niet alleen een verzonnen naam maar ook een verzonnen fysiek had moeten geven.
Ik vind je vraag over de bibliotheek een interessante, maar kan ze moeilijk beantwoorden. Het handigste zou inderdaad zijn dat er een rek pseudowetenschap komt, maar of dat zomaar kan is voer voor bibliotheekbeheerders. Hoe dan ook zou ik denken dat er op zo’n rek geen romans komen, geen fictie in de letterkundige zin van het woord. Misschien wel boeken die verzinsels bevatten, maar dan in wat ik voor het gemak maar de ‘niet-letterkundige zin van het woord’ zal noemen. Van dat ene substantief ‘fictie’ kun je om het onderscheid tussen beide af te lijnen twee verschillende adjectieven afleiden: fictioneel voor de letterkundige betekenis, fictief voor de andere. Van romanpersonages kun je zeggen dat ze fictioneel zijn; als je van iets zegt dat het ‘volslagen fictief’ is, dan zeg je dat het gewoonweg niet waar is. En het heeft geen zin om dat soort uitspraak te doen over een roman – die is vanzelfsprekend niet waar.
Ik kom nog even terug op je voorbeeld van Agatha Christie en De moord op Roger Ackroyd. Heb ik heel graag gelezen, zoals zo veel van haar boeken. In mijn middelbareschooltijd kocht ik een paar jaar lang elke week een boek van haar in een tweedehandsboekhandel aan het Sluizeken. Lezers die zich bekocht voelen bij dat boek – je verwijst naar hen in de eerste alinea van je brief – voelen zich om een andere reden door de auteur ‘in het zak gezet’. De moordenaar in het boek is wel de laatste die je zou verwachten. Ik zeg niets meer, want ook ik wil niets verklappen – wel wil ik jou en iedereen die het boek ooit las van harte Qui a tué Roger Ackroyd aanraden van Pierre Bayard. Die probeert de lezer te overtuigen van het feit dat de moordenaar in het boek niet de echte moordenaar is en dat zelfs Agatha Christie zich vergiste in haar romananalyse van de zaak. Bayard toont daarmee aan – zoals in al zijn boeken eigenlijk – waar de kern van fictie ligt: die ligt niet in het tentoonspreiden van de vaardigheden van de schrijver, maar in het oproepen van de creativiteit van de lezer. Ik zie het elke twee weken wanneer ik in een rusthuis in het Gentse met een groep flinke tachtigers een kortverhaal ga lezen: fictie doet mensen dromen, houdt de verbeelding wakker en is op die manier zo’n welkom medicijn (noem het tegengif) tegen een teveel aan realiteit.
Hartelijk
Jürgen