Leopold Flam herlezen
Geschreven door Benny Madalijns
  • 96 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

31 juli 2026 Wanneer spreken problematisch wordt. Leopold Flam en Ludwig Wittgenstein
Bij Leopold Flam is spreken nooit iets wat vanzelf gaat. Op het moment dat wat gezegd wordt zijn dragend vermogen verliest, zodat men kan spreken zonder dat de woorden nog iemand binden, wordt spreken zelf een probleem. Flam schrijft: ‘onze woorden verliezen hun substantie, ook zo onze ideeën en wijzelf’ (Leopold Flam, ‘De gekwetste existentie: Essays en gedachten’, Aurorasporen, Filosofische Kring Aurora, 1983).
Flam heeft dat probleem niet proberen op te lossen. Voor hem was het geen taalkundige kwestie, maar een existentieel gegeven, want wie spreekt, verliest de onschuld om te doen alsof zijn woorden alleen maar beschrijven wat er is.
Ook Ludwig Wittgenstein, de Oostenrijkse filosoof die zich zijn hele werk lang op de grenzen van de taal heeft toegelegd, vertrekt van die ervaring, zij het vanuit een andere invalshoek. In de Tractatus logico-philosophicus eindigt hij met de beroemde zin: ‘Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen’ (Ludwig Wittgenstein, Tractatus logico-philosophicus, 1921, Routledge & Kegan Paul, Londen, §7). Die uitspraak wordt vaak gelezen als een verbod. Naar mijn aanvoelen zegt zij precies iets anders: niet alles wat betekenis heeft, is ook uitspreekbaar.
Wittgenstein raakt daarmee aan de grens van de taal zelf: taal kan iets tonen zonder het rechtstreeks te beweren, en waar dat niet meer lukt, begint het zwijgen. Niet als iets mystieks, zoals Wittgenstein het zelf noemt, maar als een doorleefde vorm van eerlijkheid.
Flam erkent die grens, maar ziet in het zwijgen geen uitweg: wie volledig zou zwijgen, sluit zichzelf af van 'het gelaat van de Ander waarin men pas vrij wordt' (Emmanuel Levinas, 'Vrijheid en gebod', in: Het menselijk gelaat, Ambo, Baarn, 1969). Mijns inziens is de vraag bij Flam dan ook nooit óf men spreekt, maar hoe men spreekt, en tegen welke prijs: die van zich te binden aan wat men zegt, zonder zich nadien te kunnen vrijpleiten met het argument dat men het niet zo bedoeld had.
In Flams teksten is taal geen neutraal medium, maar een verbintenis, een belofte. Wie spreekt, engageert zich, want woorden zijn geen neutrale tekens maar daden die nu eenmaal verbinden en verplichten. Daarom wantrouwt Flam elke vorm van spreken die zich voordoet als vanzelfsprekendheid of onschuld.
In zijn latere werk neemt Wittgenstein afstand van het idee dat taal de wereld afbeeldt, en verschuift zijn aandacht naar het daadwerkelijke gebruik. In de Philosophische Untersuchungen schrijft hij dat de betekenis van een woord in zijn gebruik in de taal ligt (Ludwig Wittgenstein, Philosophische Untersuchungen, 1953, Blackwell, Oxford, §43). Daarmee verdwijnt de gedachte dat er nog een laatste zekerheid onder de taal ligt: wat finaal overblijft, is de manier waarop mensen elkaar in de praktijk werkelijk verstaan. Of dat althans proberen.
Dat inzicht maakt taal bijzonder kwetsbaar: zij rust niet op waarheid, maar op wat mensen met elkaar delen, wat Wittgenstein 'vormen van leven' noemt. Zodra die gedeelde vormen van leven wankelen, verliest ook de taal haar houvast, zonder echter vrijblijvend te worden.
Flam deelt dit wantrouwen tegenover die laatste zekerheid, maar legt het accent elders: waar Wittgenstein analyseert hoe taal functioneert, vraagt Flam zich af wat taal doet met wie spreekt. Taal is voor Flam dan ook nooit een spel waaruit men zomaar kan stappen, maar iets dat de spreker aanspreekt op zijn verantwoordelijkheid.
Daarom verzet Flam zich tegen wie spreekt alsof correctheid alleen al volstaat: men kan alles correct zeggen en toch niets op het spel zetten, en pas in wat een spreker bereid is te verliezen, ligt volgens Flam het verschil tussen spreken en enkel iets zeggen.
Zodra spreken 'zijn prijs' verliest, zodra men kan spreken zonder verlies en zonder schaamte, zonder de aarzeling die aan werkelijk spreken voorafgaat, blijft taal weliswaar functioneren, maar zonder nog iets van de spreker te vergen.
Wittgensteins zwijgen aan het einde van de Tractatus onderschrijft die gedachte, al herneemt en verplaatst hij ze later: niet alles wat betekenisvol is, kan worden gezegd, maar wat wél gezegd wordt, moet wie het zegt ook kunnen verantwoorden.
Flam verscherpt dat inzicht. Voor hem telt spreken pas wanneer de spreker zich niet kan verschuilen achter regels, methodes of gewoonten, wanneer hij zich niet kan verontschuldigen met de gedachte dat men nu eenmaal zo spreekt.
Spreken 'dat zijn prijs behoudt', weegt zwaarder dan spreken dat louter correct is: het dwingt wie spreekt om voor zijn woorden in te staan, in plaats van te doen alsof ze vanzelfsprekend waren, en net daarin wordt zichtbaar wat spreken werkelijk van iemand vraagt.
Elke theorie die spreken tracht te verklaren, loopt het risico het onschadelijk te maken en beheersbaar en veilig voor te stellen. Daarom wantrouwt Flam verklarende theorieën over taal: wie taal enkel nog verklaart, ontloopt net het risico dat spreken vereist.
Wie op het scherp van die snede spreekt, spreekt zonder garantie dat hij begrepen zal worden en zonder bescherming tegen mislukking, maar evenmin met de illusie dat zwijgen zuiverder zou zijn.
Wittgenstein heeft dat scherp van de snede zichtbaar gemaakt door het filosofisch te doordenken. Flam heeft het, naar mijn aanvoelen met meer koppigheid dan troost, zijn hele leven volgehouden, wat mij leert dat die grens niet zozeer een logische kwestie is als een morele, iets dat men met zich meesleurt in plaats van dat men het op een dag overschrijdt.
Leopold Flam herlezen
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws