24 juni 2026
'Een zoektocht naar menselijkheid (deel II). Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman' (deel 1)
Wat betekent het om mens te zijn? Die vraag vormt de rode draad doorheen 'Een zoektocht naar menselijkheid (deel II)', waarin Dirk Verhofstadt en Johan Braeckman opnieuw in gesprek gaan over enkele van de meest fundamentele kenmerken van 'Homo sapiens'. De mens verschijnt, niet verrassend, als een complex en vaak tegenstrijdig wezen: in staat tot opmerkelijke kennis en creativiteit, maar evenzeer vatbaar voor overmoed, destructie en morele ontsporing.
Opvallend is vooral de ambivalente aard van onze meest complexe vermogens. Hogere menselijke capaciteiten die samenwerking, vooruitgang en zingeving mogelijk maken, blijken immers vaak ook een duistere keerzijde te hebben. Die spanning vormt een centraal uitgangspunt van het boek. Menselijke eigenschappen worden niet opgevat als statische gegevens, maar als dynamische mogelijkheden die zich ontwikkelen binnen specifieke biologische en culturele contexten.
Daarmee verschuift de centrale vraag van wat de mens is naar wat de mens kan worden. In welke mate zijn we gevormd door biologische en culturele processen, en in welke mate kunnen we ons eigen handelen richting geven? Deze problematiek wordt uitgewerkt in vijf thematische hoofdstukken waarin beide auteurs hun licht laten schijnen op taal, geweld, maakbaarheid, vrije wil en zingeving.
Dit tweede deel bouwt voort op het eerste boek, waarin een meer natuurwetenschappelijk en beschouwend perspectief centraal stond. Toen hadden ze het over het belang van de evolutietheorie, over de evolutionaire geschiedenis van de mens, over religie, over irrationalisme, en over humanisme en atheïsme. In de uitdagende gesprekken van het vervolgdeel verschuift de focus naar expliciet filosofische en existentiële vragen, zonder het empirische fundament los te laten. Het boek situeert zich daarmee op het snijvlak van wetenschappelijke inzichten en normatieve reflecties. Het beoogt niet alleen inzicht te bieden in het menselijk functioneren, maar ook in de morele uitdagingen die daarmee gepaard gaan.
De vijf hoofdstukken, samen goed voor meer dan driehonderd pagina’s, kunnen elk als afzonderlijk essay worden gelezen. Ondanks die omvang blijft het boek opmerkelijk toegankelijk, wat in grote mate te danken is aan de dialoogvorm. Johan Braeckman is een sterke verteller en werkt complexe ideeën grondig en systematisch uit, terwijl Dirk Verhofstadt als interviewer het gesprek stuurt, de juiste vragen stelt en op cruciale momenten de kern scherp samenvat. Die wisselwerking getuigt niet alleen van didactische vaardigheid, maar ook van een indrukwekkende breedte en diepgang aan kennis die beide auteurs in het gesprek brengen.
Die wisselwerking zorgt er zo voor dat uitgebreide uiteenzettingen goed te volgen blijven. De lezer krijgt een breed en rijk onderbouwd overzicht, al vraagt die rijkdom soms enige concentratie om de rode draad vast te houden. Maar door gerichte tussenkomsten en tussentijdse samenvattingen blijft de lezer bij de les zonder dat de inhoud aan diepgang inboet.
En daarmee is de toon alvast gezet. Het boek biedt een schitterend overzicht van uiteenlopende aspecten van het menszijn, te rijk om in één tekst volledig tot zijn recht te laten komen. Daarom kiezen we ervoor om deze bespreking op te splitsen in meerdere blogdelen, waarin elk hoofdstuk afzonderlijk aan bod komt, telkens aangevuld met enkele bedenkingen. De verschillende delen volgen daarbij de opbouw van het boek zelf. In dit eerste deel richten we ons op het openingshoofdstuk, waarin taal centraal staat.
_Over taal
Het eerste hoofdstuk behandelt taal als een van de meest fundamentele eigenschappen van de mens. De auteurs vertrekken vanuit klassieke vragen: waar komt taal vandaan, wat is haar evolutionaire oorsprong, hoe is ze ontstaan en hoe slagen kinderen erin om in korte tijd een taal te verwerven? Deze vragen vormen het startpunt voor een bredere reflectie over de rol van taal in de evolutie van Homo sapiens.
Al snel wordt duidelijk dat de menselijke taal veel meer is dan een communicatiemiddel. Ze stelt mensen in staat om betekenissen te geven, abstract te denken en informatie te delen los van de directe context. Zonder taal zouden complexe samenwerking en culturele ontwikkeling nauwelijks mogelijk zijn. Taal vormt dus een essentieel fundament van menselijke samenlevingen. De auteurs vergelijken menselijke taal met communicatie bij dieren. Klassiek onderzoek van Lorenz, Tinbergen en von Frisch toont dat dierlijke communicatie zeer verfijnd kan zijn, zoals bij de bijendans of walvisgeluiden. Toch blijft die communicatie meestal gebonden aan specifieke situaties. Menselijke taal onderscheidt zich door haar open karakter: mensen kunnen eindeloos nieuwe woordcombinaties maken en nieuwe betekenissen creëren.
De aandacht verschuift dan naar de samenhang tussen taal, sociale interactie en cultuur. Deze drie domeinen versterken elkaar voortdurend. Taal maakt het mogelijk om kennis over generaties heen door te geven, waardoor cultuur zich opstapelt, cumuleert. Ook taaldiversiteit komt aan bod. Wereldwijd bestaan duizenden talen. Hoe komt dat? Waarom spreken we niet allemaal dezelfde taal? De auteurs verklaren dit via een darwinistische analogie: net zoals soorten evolueren en uiteengroeien, doen talen dat ook wanneer groepen van elkaar geïsoleerd raken. Deze visie sluit aan bij de theorie van gen-cultuurco-evolutie van Cavalli-Sforza en Feldman, waarin genetische en culturele processen elkaar constant wederzijds beïnvloeden. Taalverschillen zijn niet alleen culturele fenomenen, maar staan ook in verband met migratiegeschiedenis en populatiestructuren.
Vervolgens gaan de auteurs in dialoog over de evolutie van het taalvermogen zelf. Ze verwerpen het idee dat taal plots is ontstaan, als een volledig ontwikkeld vermogen dat op één moment in de evolutie zou zijn verschenen, en verdedigen een zeer geleidelijke benadering. Taal ontstaat uit een samenspel van cognitieve, anatomische en sociale eigenschappen. Het werk van de Britse cognitieve archeoloog Steven Mithen komt uitgebreid aan bod. Hij beschrijft taal als opgebouwd uit verschillende 'puzzelstukken' die zich op verschillende momenten ontwikkelden.
Deze evolutie wordt geïllustreerd aan de hand van verschillende homininen. Wat konden Australopithecus of Homo erectus al? Vermoedelijk beschikten vroege mensachtigen al over betekenisvolle klankuitstoten, maar nog niet over volwaardige taal. Pas geleidelijk ontstonden complexere vormen van communicatie. Factoren zoals hersenontwikkeling, anatomische veranderingen in het spraakapparaat, een langere kindertijd en toenemende sociale complexiteit speelden daarin een cruciale rol. Taal, zoals wij die kennen, is dus relatief recent. Ook genetisch blijkt de realiteit complex: er is geen sprake van één enkel taalgen, maar van een samenspel van verschillende genen, neurale netwerken en omgevingsfactoren. Met andere woorden: taal is een schitterend voorbeeld van biologische en culturele co‑evolutie.
Dezelfde complexiteit komt terug bij taalverwerving. Klassieke theorieën, zoals Chomsky’s universele grammatica, worden kritisch besproken. Taal kan niet volledig worden verklaard door imitatie, maar ook niet door één aangeboren systeem. Recente benaderingen leggen de nadruk op algemene leermechanismen. Kinderen leren taal via patroonherkenning, leren en gevoeligheid voor context. Het gavagai-voorbeeld van Quine illustreert hoe onzeker woordbetekenissen in principe zijn, en hoe opmerkelijk het is dat kinderen toch succesvol woorden en hun betekenis leren.
Het hoofdstuk eindigt met een reflectie over verhalen. Waarom besteden mensen zoveel tijd aan fictie? Verhalen zijn volgens de auteurs zeer functioneel. Juist omdat de mens via taal kan vertellen, kan hij situaties verkennen zonder ze zelf aan den lijve te moeten ervaren. De centrale rol van verhalen sluit aan bij het idee van de mens als een verhalend wezen dat Johan eerder beschreef in zijn boek Er was eens. Over de mens als vertellende aap (2017).
_De centrale boodschap
De centrale boodschap van het hoofdstuk is dat menselijke taal begrepen moet worden als een product van bioculturele evolutie, waarin cognitieve, sociale, culturele en biologische factoren onlosmakelijk met elkaar verweven zijn. Taal is geen plots ontstaan of enkelvoudig biologisch gegeven, maar een geleidelijk geëvolueerd vermogen dat menselijke samenwerking, cumulatieve cultuur en kennisoverdracht mogelijk maakt. Haar open en creatieve karakter maakt voortdurende betekenisvorming en complexe sociale organisatie mogelijk. Taal is niet alleen een middel om informatie uit te wisselen, maar ook een manier om de wereld te begrijpen en zin te geven aan ervaringen.
_Bedenkingen over de rol van taal in de evolutie van de menselijke natuur
Wat dit hoofdstuk vooral duidelijk maakt, is hoe complex en gelaagd het fenomeen taal eigenlijk is. Het is goed om te benadrukken dat het hier niet gaat om taal in haar volledig ontwikkelde vorm, zoals we die kennen bij Homo sapiens. Het gaat over een gradueel evolutionair proces waarin het taalvermogen zich stap voor stap ontwikkelt binnen de homininenlijn en pas relatief laat uitmondt in wat wij vandaag als volwaardige menselijke taal herkennen.
Binnen dat evolutionaire verhaal valt op dat verschillende auteurs andere accenten leggen. Sommige modellen leggen vooral de nadruk op taal vanuit een cognitief perspectief. Bij Steven Mithen, wiens visie in het boek vrij gedetailleerd wordt uiteengezet, verschijnt taal als het resultaat van een geleidelijke integratie van afzonderlijke cognitieve 'puzzelstukken' die zich op verschillende momenten hebben ontwikkeld. In die benadering ligt de nadruk sterk op de rol van het brein en de cognitieve architectuur.
Tegenover die cognitieve benadering staan echter visies die de sociale en emotionele dimensie centraler plaatsen. De nadruk van Johan Braeckman op de samenhang tussen taal, cultuur en sociale interactie sluit nauw aan bij die recente benaderingen, waarin de sociale context als verklarend principe naar voren wordt geschoven. Zo verdedigt de evolutionair biologe Madeleine Beekman in haar recente boek The Origin of Language (2025) de hypothese dat taal mee is geëvolueerd met de zorg voor uitzonderlijk hulpeloze mensenkinderen, binnen een systeem van cooperative breeding (coöperatieve zorg) waarin zorg collectief wordt gedragen. Taal wordt in dat perspectief niet louter gezien als een cognitief instrument, maar als een voorwaarde voor samenwerking en het systematisch delen van informatie.
Deze benadering sluit ook aan bij het idee dat taal geen volledig nieuw vermogen is, maar eerder, zoals Carel van Schaik (2016) het beschreef, een 'nieuwe machine gebouwd op oude onderdelen': een combinatie van bestaande cognitieve en sociale capaciteiten die in de loop van de evolutie op een nieuwe manier zijn ingezet. Hoe moeten we de menselijke natuur begrijpen wanneer die bestaat uit zulke lagen van oudere vermogens?
Vanuit een evolutionair perspectief wordt de menselijke natuur begrepen als een gelaagd systeem dat zich geleidelijk heeft ontwikkeld. Aan de basis ligt wat van Schaik the ape within us noemt: een verzameling van sociale eigenschappen die we delen met andere mensapen. Die continuïteit, ook benadrukt door Frans de Waal, suggereert dat vermogens zoals empathie, samenwerking en sociale gevoeligheid diepgeworteld zijn in een gedeelde evolutionaire voorgeschiedenis.
Een cruciale verschuiving vindt plaats wanneer menselijke voorouders een levenswijze ontwikkelen die steunt op coöperatieve zorg en samenwerking. Carel van Schaik situeert hier het ontstaan van een versterkte, meer proactieve vorm van prosocialiteit, die de basis vormt voor verdere menselijke ontwikkeling. Die sociale organisatie creëert, zoals ook Michael Tomasello (2016) beschrijft, shared intentionality: het vermogen om doelen, aandacht en mentale toestanden te delen en gezamenlijk handelen te coördineren. Uit deze combinatie van een primatenbrein en verhoogde prosocialiteit ontstaan de unieke menselijke kenmerken zoals taal, cumulatieve culturele evolutie en normatief-moreel gedrag.
In die visie verschuift ook de rol van taal zelf. In tegenstelling tot modellen die taal vooral als eindproduct van cognitieve ontwikkeling zien, wordt taal hier een actieve motor van verdere ontwikkeling. Zodra taal ontstaat, versnelt het proces en komt een zichzelf versterkende dynamiek van kennisopbouw en culturele complexiteit op gang. De coöperatieve levenswijze vormt de voedingsbodem voor een nieuw evolutionair traject, waarin culturele evolutie een steeds prominentere rol speelt naast biologische selectie.
Het belang van die sociale en emotionele dimensie wordt nog explicieter in het werk van de evolutionaire socioloog Jonathan Turner (2016), die emoties centraal plaatst in de menselijke evolutie. Volgens Turner is het vermogen om emoties te delen een noodzakelijke voorwaarde voor alles wat daarop volgt. Zonder die emotionele afstemming zouden zowel het brein als taal zich nooit op dezelfde manier hebben ontwikkeld. Taal wortelt daarmee niet enkel in cognitieve structuren, maar vooral in een diepere emotionele infrastructuur die menselijke interactie mogelijk maakt en aanstuurt.
Taal stelt mensen in staat om samenwerking te coördineren, plannen op elkaar af te stemmen, kennis systematisch over te dragen en gedrag te verantwoorden tegenover anderen. Ze vormt daarmee een belangrijke bouwsteen van sociale normen en morele regels en fungeert tegelijk als motor van cumulatieve culturele evolutie. In die zin ontstaat wat van Schaik de sprekende aap noemt: een soort waarin cognitieve vermogens en prosociale motivatie samenkomen in gedeelde kennis, samenwerking en normativiteit. In het post-neolithicum krijgt deze gelaagde menselijke natuur nieuwe uitdrukkingsvormen door versnelde culturele en gen-culturele evolutie.
Taal heeft echter een dubbel karakter. Ze maakt samenwerking en betekenisdeling mogelijk, maar ontwikkelt zich ook als een dynamisch systeem dat niet volledig door individuele sprekers wordt gecontroleerd. Ze verandert voortdurend en verspreidt zich binnen sociale groepen. Freek van de Velde (2025) suggereert daarom dat taal kan worden opgevat als een bioculturele parasiet: iets wat de mens als het ware boven het hoofd groeit en zich buiten zijn volledige controle ontwikkelt, zoals hij in prachtig, beeldend proza beschrijft, als een koraalrif dat zich uitbreidt en over de rand van de schedel blijft groeien.
Wanneer we terugkeren naar de centrale vraag van het boek, wat het betekent om mens te zijn, wordt duidelijk hoe fundamenteel taal daarin is. Niet zozeer haar complexiteit onderscheidt de mens, maar haar emotionele en motivationele basis: de bereidheid om informatie te delen met anderen. Zodra die coöperatieve motivatie aanwezig is, kan taal zich ontwikkelen tot een uniek communicatiesysteem.Taal is echter geen volledig nieuw vermogen, maar een nieuwe combinatie van oude bouwstenen. Tegelijk evolueert ze voortdurend en fungeert ze als teken van groepslidmaatschap. Ze verbindt mensen, maar kan ook grenzen tussen 'wij' en 'zij' scherper stellen. Juist die combinatie maakt taal zo centraal voor het menszijn: een emotioneel gedragen vorm van samenwerking en een product van cultuur. Taal heeft ook een meer destructieve kant: via taal kan men beledigen en aanzetten tot haat en geweld.
In het volgende deel bespreken we boekhoofdstuk 2 over geweld.