26 juni 2026
'Een zoektocht naar menselijkheid (deel II). Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman (deel 3)
In het eerste en tweede deel van deze tekst bespraken we achtereenvolgens het openingshoofdstuk van het boek over taal en het hoofdstuk over geweld. In dit derde deel verschuift de aandacht naar de vraag in welke mate de mens en de samenleving maakbaar zijn.
_Over maakbaarheid
Het derde hoofdstuk gaat over de vraag in welke mate de mens en de samenleving maakbaar zijn. De auteurs situeren deze problematiek eerst historisch en cultureel. In religieuze tradities, zoals het christendom, wordt de mens gezien als door God geschapen, naar Zijn beeld en gelijkenis. Dit impliceert dat de menselijke natuur niet volledig maakbaar is. De mens beschikt over vrijheid, maar die is ingebed in een voorafgegeven moreel kader. Maakbaarheid is in dit religieuze perspectief dus fundamenteel begrensd. Deze visie sluit aan bij bredere culturele tradities waarin menselijke macht wordt gerelativeerd. In teksten zoals het Gilgamesj-epos en het Bijbelboek Prediker wordt benadrukt dat de mens geconfronteerd wordt met existentiële en natuurlijke grenzen die hij niet kan overstijgen.
Vanuit een niet-religieus perspectief krijgt het begrip maakbaarheid een ruimere betekenis. De auteurs omschrijven het als het vermogen van mensen om hun eigen leven vorm te geven en hun omstandigheden te beïnvloeden, zowel op individueel als op collectief niveau. Dit omvat domeinen zoals opvoeding, onderwijs, sociale organisatie, politiek, cultuur en wetenschap.
Deze visie hangt nauw samen met het idee van authentieke autonomie: het vermogen om eigen keuzes te maken op een reflectieve en zelfbepaalde manier, los van dogma’s of externe dwang. Maakbaarheid betekent dus geen absolute vrijheid, maar zelfvorming binnen bepaalde grenzen. Zo kiezen mensen niet hun seksuele geaardheid, maar kunnen zij in een vrije samenleving wel bepalen hoe zij hun leven in overeenstemming daarmee vormgeven.
Vanaf de vroegmoderne periode wordt deze nadruk op autonomie sterker. Filosofen zoals John Locke benadrukken dat mensen gelijkwaardig worden geboren, wat de basis vormt voor moderne ideeën over vrijheid en gelijke rechten. In de Renaissance verwoordde Giovanni Pico della Mirandola dit krachtig door de mens te beschrijven als 'zijn eigen beeldhouwer'. Deze traditie ligt ook aan de basis van hedendaagse opvattingen waarin individuen verantwoordelijk zijn voor hun eigen levensloop en identiteit.
Tegelijk benadrukken de auteurs dat de maakbaarheid van de mens niet onbeperkt is. De mens is geen onbeschreven blad. Inzichten uit de gedragsgenetica en studies naar identieke tweelingen tonen dat genetische factoren een belangrijke rol spelen in eigenschappen zoals gezondheid, intelligentie, persoonlijkheid en gedrag.
De ontwikkeling van de mens moet daarom begrepen worden als een samenspel van genetische aanleg en omgevingsinvloeden, zoals gezinscontext, onderwijs en bredere maatschappelijke structuren. Maakbaarheid is reëel, maar altijd binnen biologische en sociale grenzen. De auteurs waarschuwen voor twee uitersten: deterministische opvattingen die de rol van de genen overschatten, en naïeve visies die alle verschillen volledig aan omgevingsfactoren toeschrijven.
Een belangrijk onderscheid dat Braeckman beklemtoont, is dat tussen gelijkheid (equality) en rechtvaardigheid (equity). Gelijkheid betekent dat iedereen op dezelfde manier wordt behandeld, terwijl rechtvaardigheid rekening houdt met verschillen in uitgangsposities. Aan de hand van voorbeelden, zoals onderwijs, tonen de auteurs dat gelijke behandeling niet automatisch leidt tot gelijke kansen. Werkelijke maakbaarheid vereist soms ongelijke investeringen om tot eerlijke uitkomsten te komen. Deze gedachte sluit aan bij filosofen zoals Aristoteles, John Rawls, Amartya Sen en Martha Nussbaum.
De auteurs waarschuwen vervolgens voor de gevaren van overdreven of verkeerd begrepen ideeën over maakbaarheid, zowel biologisch als omgevingsgericht. In de geschiedenis hebben ideologische projecten geprobeerd een 'nieuwe mens' te creëren, gebaseerd op een eenzijdig of onjuist mensbeeld. Voorbeelden hiervan zijn het nazisme, het maoïsme en het regime van de Rode Khmer. In deze totalitaire regimes werd de mens gezien als volledig kneedbaar, wat leidde tot grootschalig geweld, onderdrukking en verplichte heropvoeding.
Ook de geschiedenis van de eugenetica komt aan bod, met Francis Galton als centrale figuur. Hoewel zijn ideeën een wetenschappelijke oorsprong hadden en in hun tijdscontext moeten begrepen worden, zijn ze later ideologisch misbruikt, met desastreuze gevolgen in de twintigste eeuw. In de hedendaagse context krijgt het debat over maakbaarheid een nieuwe dimensie door ontwikkelingen in genetica en biotechnologie. Sinds de ontdekking van de structuur van DNA en de ontcijfering van het menselijk genoom is het mogelijk geworden om erfelijke informatie steeds beter te begrijpen en te beïnvloeden. Technieken zoals CRISPR-Cas laten toe om genetische afwijkingen te corrigeren, bijvoorbeeld bij aandoeningen zoals sikkelcelanemie, erfelijke blindheid of bepaalde vormen van kanker. Deze ontwikkelingen openen belangrijke perspectieven voor de geneeskunde en voor het verminderen van menselijk lijden.
Tegelijk roepen deze nieuwe mogelijkheden fundamentele ethische vragen op. Tot hoever kan de mens gaan in het aanpassen van zijn eigen biologische structuur? De auteurs bespreken onder meer reproductieve technologieën zoals in-vitrofertilisatie en genetische screening, die het mogelijk maken embryo’s te selecteren op gezondheid.
Hierdoor verschuift voortplanting deels van een natuurlijke 'genetische loterij' naar een proces van bewuste keuzes. Dit roept vragen op over verantwoordelijkheid, ongelijkheid en mogelijke commercialisering, bijvoorbeeld in het debat rond zogenaamde 'designer babies'. Tegelijk wijzen de auteurs erop dat vormen van maakbaarheid al lang maatschappelijk aanvaard zijn, bijvoorbeeld via opvoeding, onderwijs en medische zorg voor en tijdens de zwangerschap. Ook de rol van de overheid wordt besproken. Enerzijds kan beleid bijdragen tot het verkleinen van ongelijkheden, bijvoorbeeld via onderwijs en gezondheidszorg. Anderzijds schuilt er een risico in overheidsdwang en machtsmisbruik, zoals het voormalige Chinese éénkindbeleid aantoont. Zulke voorbeelden maken duidelijk dat technologische mogelijkheden steeds moeten worden afgewogen tegen fundamentele rechten en vrijheden.
De auteurs bespreken daarnaast het transhumanisme, een stroming die pleit voor het maximaal benutten van technologie om de menselijke conditie te verbeteren. Dit omvat onder meer pogingen om veroudering te vertragen of zelfs te stoppen. Hoewel sommige van deze ideeën speculatief lijken, sluiten ze aan bij reële wetenschappelijke ontwikkelingen en bij de menselijke wens om het leven te verlengen en te verbeteren. Tegelijk roepen ze belangrijke vragen op over de grenzen van maakbaarheid en de betekenis van sterfelijkheid.
Het hoofdstuk eindigt met een filosofische reflectie op de eindigheid van het menselijk bestaan. Via onder meer het Gilgamesj-epos en denkers zoals Simone de Beauvoir wordt benadrukt dat sterfelijkheid niet alleen een beperking is, maar ook een bron van betekenis. Juist doordat het leven eindig is, krijgen keuzes urgentie en waarde.
_De centrale boodschap
De centrale boodschap van dit hoofdstuk is dat maakbaarheid een wezenlijk kenmerk is van de menselijke conditie, maar steeds gepaard gaat met grenzen, risico’s en verantwoordelijkheid. Hoewel technologische ontwikkelingen nieuwe mogelijkheden openen om het leven te verbeteren en te verlengen, kunnen deze niet los gezien worden van hun ethische en existentiële implicaties. Nieuwe technologische mogelijkheden om het leven te verbeteren en te verlengen vergroten de speelruimte van de mens, maar roepen ook fundamentele ethische en existentiële vragen op. De kernvraag is daarom niet of de mens maakbaar is, maar in welke mate en onder welke voorwaarden die maakbaarheid wenselijk en toelaatbaar is.
_Bedenkingen over de menselijke maakbaarheid
Maakbaarheid is een gelaagd begrip. Enerzijds verwijst het, in de definitie van de auteurs, naar het vermogen van individuen om hun eigen leven vorm te geven binnen een kader van autonomie en zelfbepaling. Anderzijds kan maakbaarheid ook begrepen worden als de mate waarin menselijke eigenschappen en gedragingen veranderlijk zijn, met andere woorden als een vorm van flexibiliteit en plasticiteit. Beide dimensies overlappen weliswaar, maar leggen toch een verschillend accent.
Die tweede dimensie benadrukt dat menselijk gedrag en denken voortdurend ontwikkelen in wisselwerking met ervaringen en omstandigheden. Wat iemand wordt of doet, hangt niet enkel samen met bewuste keuzes, maar ook met een complex proces van geleidelijke aanpassing waarin uiteenlopende invloeden samenkomen. Die veranderlijkheid heeft geen eenduidige richting en verloopt niet onbeperkt. Dezelfde processen die leren, of aanpassing mogelijk maken, kunnen ook leiden tot polarisatie of uitsluiting. Flexibiliteit en plasticiteit zijn daarmee geen normatief gericht proces, maar een gegeven dat uiteenlopende uitkomsten kan voortbrengen, steeds binnen bepaalde grenzen waarover geen volledige controle bestaat.
Veranderlijkheid betekent dan ook niet dat alles mogelijk is. De mogelijkheden tot verandering blijven verbonden met de eigenschappen van de mens zelf, zoals zijn biologische constitutie, cognitieve vermogens en sociale aard. Het wordt nog duidelijker wanneer die sociale dimensie van menselijk gedrag expliciet wordt meegenomen. Mensen zijn in staat tot samenwerking, empathie en moreel handelen, vermogens die zich evolutionair gevormd hebben in kleinschalige, hechte sociale groepen waarin onderlinge afhankelijkheid centraal stond. Diezelfde neigingen blijken sterk contextafhankelijk. Binnen vertrouwde groepen leiden ze tot solidariteit en wederzijds vertrouwen, terwijl ze in andere situaties kunnen omslaan in wantrouwen of uitsluiting van wie als 'anders' wordt gezien, wat samenhangt met een diepgewortelde tribale neiging tot categorisatie.
De notie van maakbaarheid wijst op een fundamentele ambivalentie. Indien maakbaarheid begrepen wordt als veranderbaarheid, betekent dit niet noodzakelijk dat verandering ook verbetering inhoudt. Plasticiteit maakt zowel ontwikkeling als ontsporing mogelijk en biedt geen garantie voor de richting waarin die ontwikkeling zich voltrekt. Maakbaarheid is dus niet enkel een bron van menselijke vrijheid, maar ook een complex proces dat slechts gedeeltelijk beheersbaar is.
Een historisch voorbeeld dat deze ambivalentie scherp illustreert, is de eugenetica. Aanvankelijk werd deze stroming, onder impuls van Francis Galton aan het einde van de negentiende eeuw, opgevat als een poging om de gezondheid van populaties te verbeteren. In die vroege fase sloot eugenetica aan bij een bredere overtuiging dat menselijke eigenschappen gedeeltelijk stuurbaar zijn en dat kennis over erfelijkheid kon bijdragen aan maatschappelijk welzijn. In de praktijk bleek dit denken echter bijzonder kwetsbaar voor ideologische vertekening en misbruik. Zoals Robert Cliquet (2010) helder uiteenzet in Biosocial Interaction in Modernisation, moet de eugenetische beweging begrepen worden als een historisch gelaagd proces, opgebouwd uit verschillende fasen, van vroege eugenetica tot meer hedendaagse genetische toepassingen.
In de eerste fase, van het einde van de negentiende eeuw tot de jaren 1930, werd de eugenetica sterk beïnvloed door een eenzijdige en naïeve interpretatie van mendeliaanse genetica, vermengd met sociale vooroordelen rond klasse en ras. Men ging ervan uit dat complexe kenmerken zoals intelligentie door een beperkt aantal genen en volgens eenvoudige mendeliaanse overervingspatronen werden doorgegeven: een simplistische veronderstelling die achteraf onhoudbaar bleek.
Deze periode ging gepaard met malafide beleidsmaatregelen zoals gedwongen sterilisatie, vooral in de Verenigde Staten en delen van Europa. In nazi-Duitsland werd deze logica in extreme vorm doorgetrokken, waarbij eugenetica een instrument werd van raciaal en politiek gemotiveerde uitsluiting, met desastreuze gevolgen. Cliquet benadrukt dat deze historische toepassingen begrepen moeten worden als voorbeelden van wat hij eugenic fallacies noemt: de foutieve redenering waarbij ideologisch gedreven en wetenschappelijk problematische toepassingen uit het verleden, met name in nazi-Duitsland, worden gelijkgesteld met het bredere en genuanceerdere project van genetisch geïnformeerde interventies. De nazistische praktijken en bepaalde eerdere beleidsvormen hadden vaak weinig te maken met een wetenschappelijk onderbouwde genetica en waren eerder ideologisch dan biologisch gemotiveerd. In sommige gevallen hadden ze zelfs een zogenaamd dysgenetisch effect, doordat ze leidden tot een verarming van het genetisch en cultureel kapitaal van de bevolking, eerder dan tot verbetering ervan.
In reactie op deze ontsporingen ontstond vanaf de jaren 1930 een beweging die soms als reform eugenics wordt aangeduid. Deze probeerde afstand te nemen van autoritaire en pseudo-wetenschappelijke benaderingen en zocht naar een meer empirisch onderbouwd en ethisch verantwoord kader. Waar eugenetica voordien vooral op populatieniveau werd toegepast via staatscontrole en dwang, verschuift de nadruk naar individuele keuze en vrijwilligheid. Aldus ontwikkelde zich onder meer de moderne genetische counseling, gericht op het informeren van individuen over erfelijke risico’s zonder dwang of normatieve vooringenomenheid. Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw heeft de ontwikkeling van moleculaire genetica en reproductieve technologieën geleid tot wat wel nieuwe eugenetica wordt genoemd.
Technieken zoals genetische screening, prenatale diagnostiek en gentherapie maken het mogelijk genetische aandoeningen beter te identificeren en in sommige gevallen te voorkomen of te behandelen. Zoals Cliquet aangeeft, kunnen dergelijke toepassingen op individueel niveau bijdragen tot het vermijden van genetische risico’s en, op grotere schaal, een gunstig effect hebben op de volksgezondheid.
In zijn boek Control: The dark history and troubling present of eugenics (2022) betoogt Adam Rutherford dat eugenetica een invloedrijk denkkader blijft, zij het in gewijzigde vorm. Moderne genetische ontwikkelingen, zoals genoomsequencing en gentherapie, brengen vragen over selectie, verbetering en controle opnieuw naar voren en voeden de blijvende verleiding om de menselijke populatie te 'optimaliseren', een evolutie waarover hij zich duidelijk bezorgd toont. Volgens hem berust die ambitie echter op een fundamenteel misverstand: de complexiteit van menselijke eigenschappen maakt dergelijke vormen van sturing wetenschappelijk problematisch, terwijl de historische ervaring aantoont dat ze onvermijdelijk verstrengeld raken met normatieve en politieke keuzes. Het kan verklaren waarom het concept van eugenetica omstreden blijft. De geschiedenis toont hoe ideeën over maakbaarheid bijzonder kwetsbaar worden wanneer ze losgekoppeld raken van wetenschappelijke zorgvuldigheid, ethische reflectie en respect voor individuele rechten. Het probleem ligt daarbij niet zozeer in de mogelijkheid om in te grijpen in biologische processen, maar in de manier waarop dergelijke interventies worden gerechtvaardigd en georganiseerd.
De benadering van de auteurs in dit hoofdstuk over de menselijke maakbaarheid krijgt daarmee een bijkomende dimensie. Hun nadruk op autonomie en verantwoordelijkheid veronderstelt dat individuen in zekere mate richting kunnen geven aan hun leven. In de vrijzinnig-humanistische traditie wordt autonomie centraal gesteld, maar steeds begrepen als ingebed in sociale en morele contexten die haar vorm en grenzen bepalen, een visie die onder meer tot uiting komt in het werk van Peter Algoet (2024). Het idee van flexibiliteit en plasticiteit maakt duidelijk dat die richting nooit volledig onder controle staat, omdat menselijke eigenschappen voortdurend in beweging zijn en afhankelijk blijven van context en interactie. Het roept de vraag op in welke mate de autonomie van het individu daadwerkelijk reëel is, wanneer keuzes zelf worden gevormd door processen die slechts gedeeltelijk controleerbaar zijn. Inzichten uit de wetenschap tonen steeds vaker aan dat gedrag niet louter het resultaat is van bewuste beslissingen, maar voortkomt uit een complexe samenloop van biologische, psychologische en omgevingsfactoren. Wat in het verleden als een vrije keuze werd beschouwd, blijkt bij nader inzicht vaak mede bepaald door processen die zich grotendeels buiten het directe bewustzijn afspelen.
Onderzoek naar complexe systemen suggereert dat dergelijke processen, zelfs wanneer ze bepaald zijn, niet noodzakelijk voorspelbaar verlopen. De dynamiek van menselijke gedragingen wordt mede gekenmerkt door een wisselwerking tussen orde en onvoorspelbaarheid, waardoor kleine verschillen in omstandigheden tot sterk uiteenlopende uitkomsten kunnen leiden, een fenomeen dat in de chaostheorie bekend staat als het butterfly effect, waarbij een minimale verstoring in de ene context op termijn ingrijpende gevolgen kan hebben in een andere. Naarmate die inzichten toenemen, lijkt de ruimte voor volledige autonomie steeds kleiner te worden. De vraag stelt zich dan niet alleen in welke mate de mens maakbaar is, maar ook in welke mate er sprake is van vrije wil in het vormgeven van de eigen autonomie.
In het volgende deel bespreken we boekhoofdstuk 4 over de vrije wil.