• |
Kwintessens
Geschreven door Gwenny Cooman
  • 965 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

26 maart 2020 Het bos in, ook in een tijd van corona
Wandelen is dezer dagen in België nog toegelaten, met de ondertussen gekende beperkingen welteverstaan. Ik las recent twee boeken geschreven door fervente wandelaars: 'In de wildernis' van John Muir (Schots-Amerikaans schrijver en natuurbeschermer, 1838-1914) en 'The Gentle Art of Tramping' van Stephen Graham (Brits journalist en schrijver, 1884-1975). Beiden schrijven met passie en liefde voor de natuur in haar vele gedaanten, beiden zijn ook reizigers. Reizen kunnen we nu even niet meer, maar wandelen gelukkig nog wel. Behalve boodschappen doen, is het misschien het enige waarvoor we ons huis nog verlaten. (Afgezien van diegenen die een onmisbare job hebben, uiteraard.)
John Muir was een grote voorvechter van de bescherming van natuurgebieden in de Verenigde Staten. Dankzij zijn inzet werden Yosemite en Sequoia beschermd als nationale parken, naar het voorbeeld van Yellowstone. Hij wijzigde de manier waarop de Amerikanen naar hun land keken en ermee omgingen, in het bijzonder wat de wildernis betreft. Laat ons hopen dat zijn werk honderd jaar later niet teniet gedaan wordt … De recente beelden van de omgehakte saguaro's (reuzencactussen à la Lucky Luke) in Arizona die plaats moeten maken voor de muur van Trump, sloegen me met stomheid. Saguaro's die 100 à 150 jaar oud zijn, die deel uitmaken van een nationaal park, die ten tijde van Muir en Graham wellicht tot hun enkels reikten …
Maar eigenlijk wil ik het over wandelen hebben.
Hoe dicht komen we bij onszelf wanneer we wandelen? Of hoe dicht komen we bij anderen, tijdens het wandelen (coronaregelgeving nu even buiten beschouwing gelaten!)? Stephen Graham stelt op een bepaald moment dat je maanden in een stad mag verblijven, dat je daar ontmoetingen kunt hebben, mensen kunt benaderen, maar dat je die mensen hierdoor niet écht goed zal leren kennen. Zo'n georganiseerde manier om je te verdiepen in een stad of plek, brengt niet meer op naarmate je er langer verblijft. Na drie maanden weet je nauwelijks meer dan na een week. Maar, stelt Graham, ga een week wandelen met iemand, en je leert een veel ruimer spectrum kennen van die persoon en zijn of haar leefomgeving en levensstijl. Daar is wellicht iets van aan. Vrienden van me die de camino (naar Compostella) bewandelden, hielden er bijzondere verhalen en contacten aan over. Ook al wandelden ze slechts enkele uren samen met een bepaalde persoon, het leverde een levenslang contact of verhaal op.
Graham schrijft in de jaren twintig, tijdens het interbellum. Zijn stijl van wandelen is een manier om de wereld te leren kennen. Hij beschrijft de wandelculturen (of de manier waarop de lokale bevolking met wandelaars omgaat) in diverse Europese landen en daarbuiten. Een kleine honderd jaar geleden was dit uiteraard in een andere context. Je was minder geïnformeerd over het onbetreden terrein, je kon enkel op een kompas of de zon vertrouwen om een bepaalde richting uit te gaan, je was afhankelijk van de gastvrijheid van de lokale bevolking voor beschutting of een warme maaltijd. Veeleer dan een beknotting, lijkt het me een vorm van vrijheid die we verloren zijn. De bereikbaarheid van tegenwoordig, het nooit meer verloren lopen, het altijd kunnen inroepen van digitale hulpmiddelen wanneer we iets niet weten; dat alles is eerder een beperking geworden in de kunst van het stappen.
In een tijd van burnouts, boreouts en nu ook corona, staat wandelen hoog aangeschreven als therapie. Voor mij werkt het alvast. Stuur me enkele uren het bos in, en ik kom herboren terug. Zelf hou ik er het meest van stevig door te stappen en uren lang enkel de stemmen in mijn hoofd te horen. Die innerlijke dialoog rijdt zich soms vast door herhaling, toch voelt het bevrijdend. Lui wandelen lukt mij niet. Het benieuwt me altijd te weten wat zich voorbij die volgende bocht, achter die volgende heuvel bevindt. Wel kan ik de route nemen zoals hij komt en verpozen wanneer de omgeving me daartoe uitnodigt. Maar voor mij is het net de gedrevenheid in de stap, liefst bergopwaarts, die ik zo heerlijk vind. Iets wat in het boek van Stephen Graham overigens onder de noemer 'tramping' valt. Niet kuieren, niet dwalen maar stappen. Wat zeker ook vaak de stijl van John Muir moet zijn geweest. Muir was een avonturier. Hij trok wekenlang door de wilde natuur, beklom bergen, stak rivieren en kloven over, trotseerde weer en wind. Hij beschrijft geluiden, planten en de woeste wildernis tot je zelf naast hem lijkt te staan op de rand van die gletsjer, in het prairielandschap of in het bos. Hij klom de bomen in tot hun toppen om de storm te voelen woeden vanuit een uniek perspectief. Heen en weer geslingerd in zijn geliefde bossen.
Deze coronastorm zie ik niet vanuit de boomtoppen aan. Ik moet vanaf de zijlijn de mensen die hard werken in deze omstandigheden respect betuigen. En voorts volg ik de richtlijnen op, en ga ik, nu ik nog mag, op stap in mijn eigen omgeving. Vandaag kwam ik niemand tegen in het kleine bos vlakbij, of het was een motje dat door zijn spartelingen in het water prachtige uitwaaierende kringen van rimpelingen creëerde (en vervolgens door mij gered werd). Muir zou de soort mot en de vele planten stuk voor stuk benoemen, ik hou het bij de vaststelling dat zich na mijn reddingsoperatie een prachtig wit bed bosanemonen ontwaarde, alleen voor mij.
  • The Gentle Art of Tramping – Stephen Graham (boek uit 1926, opnieuw uitgegeven in 2019, nog niet vertaald)
  • In de wildernis, Tochten door Wisconsin, Nevada, Californië en Alaska – John Muir (een bundeling teksten geschreven in de periode 1873-1913)
Kwintessens
Gwenny Cooman is strategisch coördinator bij de stad Oostende.
_Gwenny Cooman -
Meer van Gwenny Cooman

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws