Christiane Struyven
Michel Ackaert
Non-fictie
  • 884 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

26 augustus 2023 Moeten vrouwen naakt zijn om in het museum te hangen?’
Vrouwelijke kunstenaars van 1850 tot nu
Dit fraai geïllustreerd ‘coffee table book’ is een werk dat iedere kunstenaar en vooral iedere kunstenares in huis moet hebben. Eigenlijk iedereen die kunstminnend en geboeid is door kunstgeschiedenis vanaf 1850 tot nu heeft er iets aan. Ik was voortdurend verrast en zelfs ontzet bij het lezen van de biografieën van vrouwelijke kunstenaars. Ze werden meestal genegeerd of doodgezwegen door galerie-uitbaters, musea-directeurs en de mannelijke kunstenaars.
Het is heel pijnlijk om vast te stellen dat sommige talentvolle dames pas op hoge leeftijd of zelfs postuum hun doorbraak en eindelijk waardering kregen. Terwijl je dan als bewonderaar of koper van moderne kunstwerken weleens ten onrechte zou kunnen concluderen dat er geen vrouwelijke kunstenaars zijn is meer dan 85% van de naaktmodellen in onze musea vrouwen!
Ze waren heel dikwijls de muze, de voetveeg, de minnares of de echtgenote van een ‘Grote meneer’ in de kunstwereld. Talloos zijn de mannen die zichzelf zelfs het werk van hun talentvolle vrouw of meewerkende partner toe-eigenden en er daarna wereldberoemd mee werden. Ik word gaandeweg kwaad op die hypocrisie en vooral boude uitspraken van sommige macho kunstenaars.  ‘Een vrouwelijke kunstenaar kan alleen maar een hoer zijn.’ (Gustave Flaubert, 1850) ‘De zussen en kunstenaressen Morisot zijn charmant. Het is jammer dat ze geen mannen zijn.’ (Edouard Manet, 1868) Mijn visie op hun werken is plots heel anders. Hun ‘eigen’ werken?
In dit lijvig en vooral zeer volledig kunsthistorisch boek vind je vijf hoofdstukken over vijf opeenvolgende periodes: Parijs 1850-1900, Europese grootsteden 1900-1940, New York 1940-1970, feminisme in de V.S. 1970-1990, hedendaagse kunst 1990-2020 en een epiloog in de vorm van een vraagstelling: ‘Waar staan vrouwelijke kunstenaars vandaag in de kunstwereld?’. In die vijf hoofdstukken brengt Struyven 50 topartiestes naar voor met steeds een korte en soms beklijvende biografie, geïllustreerd met enkele werken, maar vooral hoe het hun oeuvre verging. Of ze zelf al dan niet erkend of bekend werden of de kans kregen om hun werken te exposeren of op een eerlijke respectvolle manier aan de man of vrouw te brengen. Je wordt er niet altijd echt vrolijk van.
Struyven begint haar boek met een wrange protestactie in 1989 in New York.  Het anoniem kunstenaarscollectief Guerrilla Girls voert er harde actie met een provocatieve slogan: ‘Moeten vrouwen naakt zijn om in het (Metropolitan) museum te hangen’. Op de knalgele poster ligt ruggelings een naakte vrouw onherkenbaar met een gorillamasker op. Verder lees je dat minder dan 5% kunstwerken op de afdeling moderne kunst van vrouwen zijn terwijl ze als naaktmodel 85% uitmaken. Niet nieuw, want in 1971 schreef de Amerikaanse feministe Linda Nochlin haar beroemde essay ‘Why have there been no great women artists?’
Van het eerste hoofdstuk, ‘De doorbraak van vrouwelijke kunstenaars in Parijs 1850-1900’, onthoud ik vooral het tragische leven van Camille Claudel (1864-1943). Aan de slag in Rodins atelier, de beeldhouwer is dan 42 jaar, zij 19 jaar, wordt ze zijn muze, minnares en moeder van zijn kind. Hij is eerst lovend voor haar werk en talent. ‘Juffrouw Claudel is mijn opmerkelijkste helper, ik vraag haar in alles om raad’ (Auguste Rodin) Ze werkte onvermoeibaar mee aan o.a. ‘Les bourgois de Calais’ (1886-1888) en wie kent er niet ‘Le baiser’ (1886). Rodin laat haar later vallen, dwingt haar tot abortus en belet haar zelfs om haar eigen werk te exposeren op de wereldtentoonstelling (1900). Monsieur Rodin is toevallig voorzitter van de jury! Ze wordt verbitterd, paranoïde, alcoholverslaafd en eindigt in een instelling. Haar eigen museum krijgt ze postuum pas in 2017, in Nogent-sur-Seine. Bijna pervers en ook dat maakt me boos wordt ze in het Musée Rodin, ook postuum uiteraard, geëerd en verenigd met de man die haar eerst vleugels gaf en haar daarna boudweg kortwiekte. De film ‘Camille Claudel’ met in de hoofdrollen Isabelle Adjani (Claudel) en Gérard Depardieu (Rodin) moet je gezien hebben!
In het volgende hoofdstuk, ‘Vrouwelijke modernisten in Europese grootsteden 1900-1940’, brengt Christiane Struyven meteen een historisch overzicht van de vele nieuwe stijlen die in die periode verschijnen met hun respectievelijke vooral mannelijke kunstenaars. Die stijlen en avant-gardisten willen vooral opzettelijk schokken en provoceren. Kunstenaars zijn voortaan anti-academisch, innoverend en abstraherend. Weeral ga ik samen met de schrijfster op zoek naar enkele toonaangevende vrouwelijke kunstenaars in die periode. Ik vind ze meteen want ze zijn nu bijna 100 jaar na hun gloriemomenten wereldberoemd geworden. Ik heb het dan vooral over Käthe Kollwitz (1876-1945) die we vooral kennen omwille van haar hartverscheurende beelden op dat Duits soldatenkerkhof in Vlaanderen en wat de nazi’s later over haar zogezegd ‘Entartete Kunst’ dachten. Haar werk ‘Die Klage’, doodgezwegen en met de hand op haar mond, maakt dit in het boek heel duidelijk.
Ik draai in datzelfde hoofdstuk meteen door naar de pagina’s over de Mexicaanse Frida Kahlo (1907-1954) want als je mevrouw Diego Rivera niet kent dan kan ik je dit nog vergeven. Inderdaad, weeral is dit een heel verdienstelijke kunstenares die een tijdje in de schaduw van haar beroemde promiscue man moest werken. Gelukkig en met een beetje leedvermaak staat Diego Rivera nu vooral bekend als een vergeten en gedateerde muralist in de schaduw van zijn voormalige vrouw Frida. Pas in 2019 krijgt ze een megaretrospectieve in het Brooklyn Museum in New York. In 2016 haalt ‘Dos desnudos en el bosque’ zelfs 6,9 miljoen euro. En wat staat er op dit werk? Jawel, twee naakte vrouwen! Staat daartegenover dat ze zichzelf meermaals als getormenteerde eigenzinnige vrouw met heel veel twijfels over haar eigen seksualiteit en vooral heel kwetsbaar afbeeldde. Ook over haar tumultueus leven werd een sterke film ‘Kahlo’ gemaakt met Salma Hayek (Khalo) en Alfred Molina (Rivera).
En dan duik ik met hoge verwachtingen in hoofdstuk 3, ‘Vrouwelijke kunstenaars in New York 1940-1970’. Net daarvoor en in het jaar 1930 heeft New York reeds schitterende musea voor moderne kunst. Die musea bezitten meer beroemde werken dan Parijs en Londen samen. Er zijn daar echter nog steeds heel weinig vrouwelijke kunstenaars te zien terwijl nota bene de meeste musea door vrouwen werden gesticht. Een lijstje: MoMa (Abby Aldrich Rockefeller), Whitney museum (Gertrude Vanderbilt Whitney/Juliana Forg), Solomon R. Guggenheim (Hilda von Rebay). Het houdt niet op want nu er steeds meer vrouwen afstuderen in het kunstonderwijs zijn ze plots ook directrice of eigenaar van prestigieuze galerieën. Meer aanwezig aan de muren van de musea? Nog niet!
Doelbewust kies ik in die periode voor Yayoi Kusama (1929) want zij is weeral het sprekende voorbeeld hoe er zelfs in die baanbrekende zogezegd moderne tijden met vrouwelijke kunstenaars wordt omgegaan. De strenge patriarchale familie in ruraal Japan beu kiest ze in 1958 voor New York. Ze brengt talloze fraaie geseksualiseerde sculpturen. Haar werken worden echter vlijtig gekopieerd door mannelijke kunstenaars. Claus Oldenburg doet er nauwelijks 3 maanden over om haar falluszetel na te maken, terwijl Lucas Salmaras met een kopie van haar spiegelkamer wereldberoemd wordt. Foei! Zelfs popart icoon Andy Warhol kopieert haar behangpapier op zijn tentoonstelling bij Leo Castelli ‘Wallpaper and Clouds’. In 1973 is ze moegestreden en depressief. ‘Ze keert definitief terug naar Japan. Sinds 1977 woont ze in een psychiatrisch instituut en werkt dagelijks in een dichtbijgelegen atelier met assistenten.’ (p. 136)
Wordt het stilaan beter? Ik haast me naar hoofdstuk 4, ‘Feminisme en feministische kunst in de VS 1970-1990’. De schrijfster geeft eerst een duidelijk beeld van de verschillende golven feminisme en vrouwenemancipatie. Daar merk je echter bitter weinig van in de kunstwereld ondanks de toch indrukwekkende lijst van beloftevolle vrouwelijke kunstenaars. Struyven noteert Lee Krasner, Joan Mitchell, Agnes Martin, Alice Neel, Louise Bourgeois, Eva Hesse…  Ik kies meteen voor de fotografie van Hannah Wilke (1940-1993) want… ze staat nota bene halfnaakt op de cover van dit boek! Haar foto’s zijn provocerend. Ze kleeft tot vulva’s gekauwde kauwgom op haar lichaam en wordt beroemd met performances waarin ze de draak steekt met de vrouw als godin, engel en gekruisigde. Een performance Super-t-Art (1974) en geïnspireerd door de rockmusical Jezus Chris Superstar legt ze in 20 poses vast op foto. Op het einde van haar leven en zwaar ziek door lymfeklierkanker maakt ze met ‘Intra-Venus’ één van haar laatste werken. Het is haarzelf naakt en een door chemotherapie zwaar toegetakeld lichaam. Ze kijkt brutaal en eerlijk in de lens.
Conclusie en daarvoor sprint ik nog eventjes (tweemaal) doorheen hoofdstuk 5, ‘Vrouwen in de hedendaags kunst 1990-2020’. Ik word plots een stuk vrolijker.  Ze werden voorheen ongevraagd en onbezoldigd gekopieerd door mannen. Ze kregen weinig plaats in musea en hun werken werden ondergewaardeerd maar vooral onder de prijs verkocht. Meestal postuum geprezen maar soms opgesloten in psychiatrische inrichtingen, aan de bedelstaf, zelfmoord en zelfs vermoord, eindelijk wordt het beter. Vanaf 2010 tonen topinstellingen voor hedendaagse kunst in New York, Los Angeles, Londen, Parijs en Madrid vele jonge kunstenaressen. Vooral jonge vrouwelijke kunstenaars van Afrikaanse oorsprong doen het zeer goed. Ze exploreren koloniale seksistische en racistische stereotypen en ervaringen van zwarte vrouwen. Weeral noteert Struyven namen zoals Julie Mehretu, Wangechgi Mutu, Njideka Akunyili Crosby en Lynette Yiadom-Boakye. Vanaf 2015 vinden ook opvallend veel groepstentoonstellingen van vrouwelijke kunstenaars plaats in o.a. Miami en Londen. Sommige dames zoals Camille Claudel, overleden in 1943, krijgen eindelijk de aandacht die ze verdienen.
Dit overzichtsboek, ik heb ervan genoten en vooral veel bijgeleerd. Het blijft nog maanden op mijn salontafeltje liggen. Maar ook nog eventjes een werk op pagina 237 dat special mijn aandacht trok. Het is ‘Selfless in a bath of Lava’ van Pipilotti Rist. Zoek het even op! ‘Een piepkleine video van enkele vierkante centimeters die de aandacht trekt door zijn geluid. Uit een poel oranjekleurige gesmolten lava strekt Pipilotti Rist haar armen uit naar de kijker, als uit een soort hel of vagevuur. Poedelnaakt roept ze de kijker om hulp in vier talen’. Dit werk resumeert mijns inziens het boek, een fraaie aanwinst in mijn boekenkast. Moet je dus als vrouw naakt zijn om aandacht te krijgen? Blijkbaar en spijtig genoeg wel!
“Wanneer een vrouw lang genoeg naakt is, kijkt men terug naar haar gezicht.” Norman Mailer, 1923 – 2007, Amerikaans schrijver, journalist, opiniemaker, filmmaker
Eén minpuntje en eigenlijk heel tegenstrijdig met de inhoud en stellingen in dit werk: ‘Moest er nu echt een naakte vrouw op de cover staan om dit boek te verkopen?’  

Michel Ackaert
Christiane Struyven
Michel Ackaert
Non-fictie
Michel Ackaert (1957) was cipier in de gevangenis van Brugge. Publiceerde reisverslagen, opiniestukken, recensies en een boek over menswaardige detentie ‘Seks in de gevangenis’.
_Michel Ackaert Recensent, reiziger, vrijwilliger en cultuurfanaat
Meer van Michel Ackaert

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies