Arnold Ziegelaar
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 77 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

7 januari 2026 De wandelaar en zijn schaduw – filosofie van het parareligieuze leven
In ‘De wandelaar en zijn schaduw’ onderzoekt filosoof Arnold Ziegelaar de levensbeschouwelijke toestand van de hedendaagse Europese mens. Het boek richt zich nadrukkelijk niet tot gelovigen die hun geloof bevestigd willen zien, maar tot lezers die leven na het verdwijnen van traditionele religies en die merken dat het seculiere wereldbeeld alleen niet volstaat om existentiële vragen recht te doen. Voor humanisten, atheïsten en agnosten die verdieping zoeken zonder geloof, is dit boek dan ook opvallend relevant.
Ziegelaar vertrekt vanuit de overtuiging dat het verdwijnen van religie geen louter intellectuele winst heeft opgeleverd. Wetenschap en rationaliteit zijn onmisbaar, maar zij hebben de fundamentele bestaansvragen niet opgelost: waarom is er iets en niet niets? Wat betekent het om te bestaan in een onverschillig universum? En hoe leven we met eindigheid, toeval en dood? Het moderne secularisme, zo suggereert hij, heeft deze vragen eerder genegeerd dan werkelijk doordacht, of vervangen door pragmatische antwoorden die het ongemak dempen maar niet werkelijk adresseren.
Aan de hand van denkers als Søren Kierkegaard, Friedrich Nietzsche en Albert Camus analyseert Ziegelaar hoe de Europese cultuur is beland in wat men een seculiere malaise zou kunnen noemen. Nietzsches diagnose van de dood van God, Camus’ absurdisme en Kierkegaards analyse van existentiële wanhoop maken duidelijk dat het wegvallen van religieuze kaders niet automatisch leidt tot vrijheid of diepgang, maar ook tot leegte en vervreemding.
Belangrijk is dat Ziegelaar deze denkers niet inzet om nostalgie naar religie op te wekken. Integendeel: hij accepteert de dood van God als een onomkeerbaar feit. Tegelijk laat hij zien dat het atheïsme niet vanzelfsprekend resulteert in een rijker mensbeeld. Wanneer de mens uitsluitend wordt begrepen als rationeel, functioneel of maakbaar wezen, dreigt een andere vorm van verarming.
Het centrale en meest weerbarstige begrip in het boek is dat van het parareligieuze leven. Voor seculiere lezers vraagt dit begrip om zorgvuldige lezing. Ziegelaar bedoelt hiermee nadrukkelijk geen religie zonder God, geen seculiere spiritualiteit en geen nieuw zingevingssysteem. Het is geen levensbeschouwing en geen overtuiging, maar een houding tegenover het bestaan zelf.
Ook zonder God blijft het bestaan een raadsel: dat er iets is en niet niets, dat wij bewustzijn hebben, dat schoonheid en geweld, leven en dood naast elkaar bestaan. Deze vragen laten zich niet oplossen door wetenschap alleen. Ziegelaar weigert echter om deze onverklaarbaarheid te vullen met metafysische aannames. Voor humanisten is dit een herkenbare positie: het erkennen van grenzen aan verklaringen zonder ze te overschrijden.
Verdieping betekent hier niet het vinden van zin, maar het leren uithouden van het ontbreken ervan. Niet-weten is geen tekort, maar een fundamentele menselijke conditie. Daarmee sluit Ziegelaars benadering aan bij een kritisch, niet-triomfalistisch humanisme.
Een van de sterkste kanten van De wandelaar en zijn schaduw is de impliciete kritiek op wat men comfortabel atheïsme zou kunnen noemen: een houding waarin het ontbreken van God wordt gecompenseerd door welzijn, autonomie en persoonlijke groei. Hoewel deze waarden binnen het humanisme essentieel zijn, waarschuwt Ziegelaar ervoor dat zij existentiële vragen ook kunnen neutraliseren.
Het boek pleit niet voor somberheid, maar voor ernst: de bereidheid om het bestaan niet te reduceren tot wat werkt of rendeert. Dat maakt het denken ongemakkelijk, maar ook waardevol voor humanisten die hun levensbeschouwing niet willen beperken tot ethiek en welzijn alleen.
In plaats van religie wijst Ziegelaar op de betekenis van kunst, natuur en aandachtige ervaring. Kunst fungeert niet als drager van transcendentie, maar als ruimte waarin het bestaan zelf voelbaar wordt. Filosofische analyse en poëtische passages wisselen elkaar af in een rustige, essayistische stijl. Het boek vraagt aandacht en traagheid, maar geen academische voorkennis. Het nodigt uit tot reflectie, niet tot instemming.
Afijn. De wandelaar en zijn schaduw is geen religieus boek en geen spiritueel alternatief voor geloof. Het is een filosofische verkenning van hoe mensen zonder God toch serieus kunnen omgaan met bestaan, eindigheid en betekenisloosheid. Voor humanisten die zich niet willen neerleggen bij oppervlakkig secularisme, maar ook geen behoefte hebben aan nieuwe zekerheden, biedt Ziegelaar geen oplossingen — wel een intellectueel eerlijke houding.
Wat volgt is geen voortzetting van de recensie, maar een persoonlijke beschouwing die het boek oproept bij mij als kritrische lezer en die mijns inziens perfect aansluit bij het hedendaagse humanistische debat…
Na het lezen van De wandelaar en zijn schaduw dringt zich een vraag op die het besproken boek overstijgt en die ook binnen het humanisme zelden expliciet wordt gesteld: is het vandaag nog zinvol om over God na te denken, wanneer we ervan overtuigd zijn dat hij niet bestaat?
Op het eerste gezicht lijkt het antwoord ontkennend. Wie zich atheïst of vrijdenker noemt, heeft het bestaan van God immers verworpen. Toch is die vanzelfsprekendheid problematisch. God was eeuwenlang niet alleen een object van geloof, maar ook een ordenend principe dat richting gaf aan moraal, zingeving en wereldbeeld. Met zijn verdwijnen verdwijnt niet alleen een antwoord, maar ook het kader waarin fundamentele vragen werden gesteld.
Wie vandaag zonder God leeft, doet dat niet in een neutrale leegte. Begrippen als vooruitgang, autonomie, authenticiteit en geluk nemen vaak ongemerkt functies over die vroeger religieus waren. Dat is op zichzelf niet problematisch, maar vraagt wel om kritische reflectie. Ook deze waarden kunnen verabsoluteren en zich onttrekken aan kritiek. In die zin blijft het nadenken over God relevant — niet als geloof, maar als filosofische toetssteen.
Veel hedendaagse vormen van secularisme zijn pragmatisch geworden. Existentiële vragen worden snel gepsychologiseerd of herleid tot welzijn en zelfzorg. Dat kan helpend zijn, maar het risico bestaat dat vragen naar zinloosheid, eindigheid en onoplosbaarheid systematisch worden geneutraliseerd. Wat niet hanteerbaar is, verdwijnt naar de marge. Daarmee verliest het seculiere mensbeeld aan diepte.
De waarde van een boek als De wandelaar en zijn schaduw ligt precies daarin dat het deze neiging zichtbaar maakt zonder te vervallen in religieuze of spirituele alternatieven. Het suggereert dat verdieping niet ontstaat door nieuwe antwoorden te formuleren, maar door de bereidheid om het ontbreken van antwoorden ernstig te nemen. Dat sluit aan bij een kritisch humanisme dat intellectuele eerlijkheid verkiest boven troost.
Vanuit mijn eigen achtergrond als kunstenaar en collagist herken ik deze houding. In kunst ontstaat samenhang niet door alles glad te strijken, maar door spanning en breuklijnen zichtbaar te laten. Mogelijk geldt dat ook voor een humanistisch mensbeeld. Een volwassen seculariteit verdraagt het feit dat niet alle vragen oplosbaar zijn en dat betekenis niet volledig kan worden geproduceerd of beheerst.
Is het dan zinvol om als vrijdenker over God te blijven nadenken? Mijn antwoord is bevestigend — juist omdat God niet bestaat. Niet om hem te rehabiliteren, maar om te onderzoeken wat zijn afwezigheid van ons vraagt. God fungeert in dat opzicht niet als waarheid, maar als kritische grensfiguur: een test van onze bereidheid om zonder metafysisch vangnet te denken.
Misschien is dat wel een kernvraag voor het hedendaagse humanisme: niet of verdieping zonder geloof mogelijk is, maar of wij bereid zijn toe te laten dat ook een seculier leven ons kan ontregelen, zonder die ontregeling onmiddellijk te willen oplossen. Zoals Albert Camus het formuleerde in De mythe van Sisyphus:

“Het absurde ontstaat uit de confrontatie tussen het menselijke verlangen naar zin en de onredelijke stilte van de wereld.”

Juist in het niet ontwijken van die confrontatie ligt mogelijk de ernst — en de waardigheid — van een humanistisch bestaan zonder God.

Benny Madalijns
Arnold Ziegelaar
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies