31 januari 2026
Tussen mij - gedichten
De dichter is niet wijzer dan de lezer, maar kan soms emoties onder woorden brengen in een taal die ons raakt.
Is Barnas daarin geslaagd? Vanuit kleine observaties leidt ze ons naar grote vragen. Ze kijkt “naar een boom in een rijtje” en denkt aan “hij is me al drie keer voorbij gedribbeld” en dat leidt haar en ons naar “Het goede obstakel blijft achter”. We moeten gissen wat ze precies bedoelt, maar haar poëzie doet ons in elk geval nadenken.
IK – MIJ
De meeste gedichten drukken de innerlijke wereld van de dichter uit, waarin we onszelf willen of kunnen herkennen. In de titel vinden we het woord “mij” en in de tekst is “ik” veelvuldig aanwezig.
Het is geen proza, het hoeft niet te rijmen, maar de leefwereld moet kort en krachtig verwoord zijn: “We doopten onze armen tot de oksels in nacht”. Ze lijkt te onderzoeken of ze met zichzelf samenvalt, ook als je naar jezelf kijkt vanuit verschillende perspectieven. Hoe verhoudt het lichaam zich tot het (onder)bewuste? Kunnen het aanwezige en het afwezige samenvallen, zoals Patti Smith zich afvraagt op de eerste bladzijde: “And so, though visible to all, I would sometimes disappear.”
MIJN IK, ALS LEZERES
Barnas geeft niet om grammatica: “Waar ben ik als ik heel iemand anders” en vele andere voorbeelden. Ze refereert dikwijls naar dromen, spoken, een glanzende vrouw, iets. Er zijn vele Engelse woorden en uitdrukkingen verweven in de verzen.
Een gedicht raakt als we onze eigen leefwereld herkennen of toch minstens verstaan wat de dichter bedoelt. Dat lukt me maar moeizaam bij Barnas. Ik hou meer van iemand als Elsschot die duidelijke taal schrijft: “Mijn moederke, ik kan het niet verkroppen dat ge gekromd zijt…”. Vergelijk dat met Barnas: “Een moeder wit tussen de lakens in de tuin…” waar je op het einde van het gedicht enkel weet dat ze een bepaald negatief gevoel uitdrukt.
Gerda Sterk
Maria Barnas (1973) is een Nederlandse schrijver, dichter en beeldend kunstenaar. Inmiddels heeft ze een drietal romans gepubliceerd, een kleine tien dichtbundels en een boek met essays. Ze ontving in 2003 de C. Buddingh-prijs voor haar poëziedebuut Twee zonnen, de J.C. Bloemprijs in 2009 voor Er staat een stad op en de Anna Bijnsprijs in 2013 voor Jaja de oerknal. Kenmerkend voor haar werk is dat tekst en beeld gelijkwaardig zijn.