Ian Buruma
Benny Madalijns
Non-fictie
  • 15 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

12 juni 2026 Blijf in leven. Berlijn 1939 – 1945
Geschiedschrijving heeft de volhardende neiging om de loop van gebeurtenissen te reconstrueren via de personen die de touwtjes in handen hadden: de veldheren, de staatslieden, de ideologen. Het perspectief van degenen die de geschiedenis ondergingen zonder haar te bepalen, verdwijnt daarbij geregeld naar de achtergrond, gereduceerd tot een pathetische illustratie bij het eigenlijke verhaal. Naar mijn aanvoelen is dat niet enkel een methodologisch ongemak maar een morele tekortkoming: wie de gewone mensen doorkrast, maakt van de geschiedenis een abstractie die haar meest wezenlijke dimensie verliest, namelijk dat zij door mensen van vlees en bloed werd doorstaan.
Ian Buruma neemt in Blijf in leven. Berlijn 1939–1945 nadrukkelijk een ander vertrekpunt. Buruma (1951), winnaar van de Erasmusprijs en de Gouden Ganzenveer en al decennia een van de scherpzinnigste Europese cultuurhistorici, heeft een oeuvre opgebouwd dat telkens opnieuw de verhouding onderzoekt tussen macht, geheugen en morele verantwoordelijkheid. Hij richt zijn blik nu op de Duitse hoofdstad gedurende de meest catastrofale periode uit haar geschiedenis, niet via de brallende gebaren van het regime maar via de tastbare, dagelijkse ervaringen van mensen die simpelweg voor de banaliteit van het voortbestaan stonden.
Zijn methode is sober en raak tegelijk: dagboeken, brieven, krantenartikelen, herinneringen opgetekend door tijdgenoten die zichzelf zelden als historische subjecten beschouwden. Wat daaruit ontstaat is een veelstemmig, soms schrijnend portret van een stad in verval, bezien door de ogen van hen die er gewoonweg doorheen moesten zien te komen.
Wat dit boek onderscheidt van vergelijkbaar werk is de persoonlijke benaderingswijze. Buruma’s vader Leo was als rechtenstudent uit Nijmegen in 1943 als dwangarbeider tewerkgesteld in een Berlijnse fabriek die remmen en machinegeweren produceerde. Na diens dood in 2020 bestudeerde Buruma de correspondentie die zijn vader in een tinnen doosje had bewaard: gecensureerde, zorgvuldig gekozen woorden, gericht aan ouders die hij niet wilde verontrusten, geschreven onder het wakende oog van nazicensors. Die stilzwijgende liefde is op zichzelf een historisch document. In de inleiding formuleert Buruma de morele toon die het hele boek draagt:
“Zijn lot als dwangarbeider in Berlijn in oorlogstijd zou hem blijven achtervolgen. Had hij de juiste keuze gemaakt? Had hij op het station van Arnhem misschien toch moeten proberen te ontsnappen? […] Niet iedereen is een held en zelfs helden zijn niet altijd moreel zuiver. Compromissen hebben hun prijs en de ene keer is die acceptabeler dan de andere.” (pagina 9)
Die ingehouden, nooit triomfalistische toon is precies wat dit boek onderscheidt van de doorsnee oorlogsgeschiedschrijving.
Vanuit vrijzinnig-humanistisch perspectief is het juist deze methodologische keuze die het boek zijn bijzondere morele gewicht geeft. Buruma laat bewust mensen aan het woord die geen sleutelfiguren waren in het politieke of militaire apparaat. Naast de correspondentie van zijn vader haalt hij de ervaringen aan van een twintigtal uiteenlopende Berlijnse inwoners: Joodse onderduikers, buitenlandse dwangarbeiders, doorsnee burgers die hun twijfels zelden hardop uitspraken maar ze wél neerpenden in de beslotenheid van dagboeken die zij nooit voor publicatie bedoelden.
"Neem Marie Jalowicz Simon, de jonge Joodse vrouw die de oorlog doorbracht als zogeheten U-Boot, een term voor Joden die niet op transport waren gegaan maar volledig buiten het officiële zicht leefden, zonder papieren, zonder registratie, zonder vaste verblijfplaats, en voor haar opeenvolgende onderduikadressen soms met seksuele handelingen betaalde."
Of Horst Selbiger, een Mischling die op 94-jarige leeftijd nog zelf aan Buruma kon vertellen hoe hij na bombardementen puin ruimde in brandende huizen. Of neem Lilo, het vijftienjarige Hitlermädchen dat, getuige haar dagboek, ondanks haar overtuiging vanaf 1944 wanhopig naar vrede begon te verlangen.
Wat me daarin het sterkst treft, is Buruma’s weigering om het morele landschap te simplificeren. Dat de meeste Berlijners geen ideologische fanaten waren maar ook geen helden, dat zij eenvoudigweg schikten en wegkeken, is voor hem geen ontlastende vaststelling maar een verontrustende. Het regime was niet enkel het werk van bullebakken in bruinhemd: het was ook, en misschien vooral, het product van de brede, benauwde stilte van fatsoenlijke mensen. Buruma schrijft dat met een kille zakelijkheid die des te harder aankomt:
“De meeste mensen waren echter geen cynici, bullebakken of ideologische fanaten. Zij schikten zich eenvoudigweg, deden wat er van hen werd gevraagd, keken weg als er iets onaangenaams gebeurde en veinsden niet te weten wat er gebeurde met de mensen die in de nacht verdwenen.” (pagina 12)
Die formulering veroordeelt niet, ze houdt ons een spiegel voor. De vraag die hij daarmee opwerpt raakt iets fundamenteels: hoe gedragen wij ons wanneer elke keuze een prijs heeft en wanneer de omstandigheden ons langzaam ontmenselijken?
Het is bovendien boeiend om Blijf in leven te lezen in een bredere literaire traditie van schrijvers die Berlijn als moreel laboratorium hebben behandeld. Twee namen dringen zich daarbij op: Joseph Roth, de Galicisch-Joodse journalist en romancier die in de jaren twintig voor de Frankfurter Zeitung vanuit de stad berichtte, en Armando, de Nederlandse beeldend kunstenaar die in de vroege jaren tachtig zijn columns voor NRC Handelsblad schreef, later gebundeld als Uit Berlijn (1982). De drie posities vormen samen een onverwacht coherent drieluik: Roth registreerde de stad vóór de catastrofe, Buruma reconstrueert haar erín, Armando ondervroeg haar erna.
Joseph Roth (1894–1939) hield niet van Berlijn; zijn banden met de stad waren van strikt zakelijke aard. Maar in zijn talloze feuilletons en reportages heeft hij geen enkele andere stad zo omvattend beschreven. Waar andere journalisten de Weimarrepubliek analyseerden via haar politieke turbulentie, richtte Roth zijn scherpe blik op de gewone straatmens: de uitgeputte oorlogsveteraan, de cabaretganger, de immigrant die tevergeefs een voet aan de grond probeerde te krijgen. Hij noemde zichzelf geen commentator maar een dichter, maar wat hij in wezen was, is een moralist van het alledaagse. Roth verliet Duitsland op de dag dat Hitler de macht greep, in januari 1933. Zijn Berlijnse feuilletons zijn geschreven aan de rand van de afgrond; Blijf in leven schrijft vanuit de bodem ervan.
Armando (1929–2018) brengt de derde en misschien meest ongemakkelijke dimensie. Wanneer hij in de vroege jaren tachtig als kunstenaar en schrijver in West-Berlijn verblijft, zijn de mensen die hij op straat tegenkomt bejaarde deelgenoten of getuigen van het regime. Hij oefent wat hij zelf Feindbeobachtung noemt: hij zoekt de schuldige plekken, hij ondervraagt oude Berlijners, hij kijkt naar de stad als naar een landschap vol onuitgesproken schuld. Zijn aanpak is het spiegelbeeld van Buruma’s begrijpende blik: waar Buruma de gewone Berlijnse inwoner rehabiliteert als historisch subject, bekijkt Armando diezelfde gewone Berlijnse inwoner als potentiële getuige of medeplichtige. De spanning tussen die twee posities is vruchtbaar en ongemakkelijk tegelijk: zij samen vormen het volledige morele portret van een stad die zichzelf niet zomaar vrij kan pleiten.
De drie schrijvers benaderen Berlijn elk vanuit een andere tijdspositie, maar zij delen een wezenlijk inzicht: de geschiedenis van een stad is niet los te maken van de morele biografie van haar gewone inwoners. Dat Blijf in leven in die traditie een eigenstandige plaats inneemt, getuigt van de ernst en de literaire scherpzinnigheid van Buruma’s aanpak.
Buruma’s bronnengebruik is breed en gelaagd: van krantenartikelen en propagandafilms tot straatadvertenties en bittere moppen die onder de bevolking circuleerden. Dat spectrum toont iets wat puur politieke geschiedschrijving zelden laat zien: totalitarisme heeft ook een esthetiek, een doordringende taal van reclame, vermaak en massacultuur die de stapsgewijze normalisering van het onmogelijke bewerkstelligt. Al in de openingspagina’s legt Buruma de vinger op de wond: de nazipers beschreef op 1 september 1939 een stad die in patriottisch vuur stond. De ooggetuige CBS-correspondent William Shirer registreerde iets heel anders:
“Vandaag geen opwinding, geen hoera’s, geen gejubel, geen bloemenkransen op straat, geen oorlogskoorts en geen oorlogshysterie. Niet eens haat tegen de Fransen en Britten, en dat in weerwil van Hitlers proclamaties aan de bevolking.” (pagina 20)
Dat contrast tussen de officiële mythe en de stille, sombere werkelijkheid van de straat is het terrein waarop Buruma het scherpst en meest overtuigend is. De Berliner Lokal-Anzeiger schreef over stormachtige hartstocht; Shirer zag lege straten en angstige voorgevoelens. Dat verschil vertelt meer over de werking van het totalitarisme dan een heel hoofdstuk politieke analyse zou vermogen.
Vanuit een vrijzinnig-humanistisch perspectief draagt Blijf in leven ook een scherpe actuele waarschuwing. De impliciete vraag die het boek van begin tot einde openhoudt, is er een die wij liever niet rechtstreeks beantwoorden: wat zou ik doen? Niet als abstracte moraalfilosofische oefening, maar als tastbare levenskeuze in een tijd waarin democratische instituties opnieuw onder druk staan, waarin demagogen terrein winnen en waarin de normalisering van het extreme zich, zoals destijds in Berlijn, ook nu via de populaire cultuur voltrekt. 
De titel van het boek, Bleiben Sie übrig, de groet waarmee uitgeputte Berlijners in het laatste oorlogsjaar afscheid van elkaar namen, draagt in zijn sobereformulering meer dan een redenering zou vermogen. Niet: wees dapper. Niet: weersta de vijand. Gewoon: blijf in leven. Die nuchtere berusting is geen moreel hiáat maar het tegendeel ervan: zij is de uitdrukking van een menselijk minimum dat ook in de meest extreme omstandigheden overeind wil blijven. Buruma heeft dat minimum als historicus ernstig genomen en het als schrijver met grote scherpzinnigheid en ingehouden bewogenheid in kaart gebracht. Daarmee geeft hij de gewone mensen terug wat hun zo vaak en zo graag wordt ontzegd: een volwaardige plaats in het verhaal.

Benny Madalijns
Ian Buruma
Benny Madalijns
Non-fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies