9 februari 2026
Mensen in de oorlog
De Oostenrijks-Hongaarse schrijver Andreas Latzko werd in 1876 in Boedapest geboren. Zijn eerste toneelwerken schreef hij in het Hongaars. Nadat hij zich in Berlijn gevestigd had schreef hij nog enkel in het Duits.
In 1915 vertrok hij als pacifist vrijwillig naar het front om met kennis van zaken tegen de oorlog te kunnen schrijven. Hij werd ingezet in Noord-Italië aan het Isonzofront. Hij werd er geconfronteerd met de gruwelen van de oorlog en stortte in 1916 fysisch en mentaal in. Hij werd behandeld in Davos maar herstelde nooit volledig.
In Zwitserland schreef hij het besproken werk dat daar ook uitgegeven werd. Het is zijn bekendste boek gebleven en het wordt nog steeds beschouwd als het belangrijkste Duitstalige antioorlogsboek. Het bleef verboden in Duitsland en het ontsnapte ook niet aan Hitlers boekverbranding.
In 1931 verhuisde de auteur naar Amsterdam waar hij in 1943 overleed.
In 1931 verhuisde de auteur naar Amsterdam waar hij in 1943 overleed.
Het boek bevat zes verhalen waarin “de oorlog aan de schandpaal genageld wordt” zoals Stefan Zweig het in zijn voorwoord stelt.
In het eerste verhaal De Afmars wordt de ijdelheid van vrouwen gehekeld. Ze sturen hun geliefden naar het front in de hoop later met hen als helden te pronken, terwijl zij er ondertussen getuige van zijn dat verminkte mannen op krukken terug naar huis strompelen.
Aan het front wordt in De Vuurdoop een kapitein die een hekel aan de oorlog heeft en met weerzin zijn manschappen de dood injaagt, geconfronteerd met een ijzer vretende luitenant die zo vlug mogelijk het Kruis van Verdienste hoopt te ontvangen. Beiden worden door dezelfde granaat gedood. Er bestaat nog een summiere vorm van gerechtigheid.
In De overwinnaar geniet de Generale Staf ver van het front een luxeleventje in een mondaine omgeving. Gewonde soldaten vertroebelen de sfeer. Zij mogen zich niet in het stadje vertonen en moeten in het ziekenhuis blijven. De Generaal vindt de oorlog een “verrukkelijk sprookje” waar geen einde mag aan komen want “wat kan een veldheer voor goeds van de vrede verwachten?” Als hij in de verte de kanonnen hoort trekt er een zweem van diepe tevredenheid over zijn gezicht: “Godzijdank! Het was nog oorlog”.
In De Kameraad – Een dagboek lijdt een officier aan een psychisch trauma. Hij kan het beeld van een gesneuvelde soldaat niet van zich afzetten. De artsen willen hem van deze waanzin verlossen. Maar moet hij wel genezen? Is het niet juist eervol aan dergelijke waanzin te lijden? Getuigt het niet van moed de zinloosheid van het uitmoorden van miljoenen mensen aan de kaak te stellen? Zij die, bedwelmd door allerlei holle leuzen, hun bek niet opendoen bij het aanschouwen van de miljoenen doden, zijn de echte lafaards.
Soldaten sterven De Heldendood. Eerst verliezen zij hun hersenen door de oorlogspropaganda, daarna door bommen en granaten.
Voor enkelen is er nog De Thuiskomst zoals voor soldaat Johann Bogdan die, met één oog en afschuwelijk verminkt, in zijn dorp terugkomt waar een jeugdvriendin hem niet herkent en zijn verloofde vol afgrijzen op de vlucht slaat.
Op basis van zijn frontervaringen formuleert de auteur een striemende aanklacht tegen het militarisme. Hij kon de aanblik van de talrijke gedode en verminkte soldaten niet langer aanzien. Hij schreef het boek herstellende van shellshock. Zo kon hij op papier vastleggen wat voor hem onuitspreekbaar was.
Marcel Misset, de vertaler van het werk, stelt terecht in zijn nawoord:
“Arme Latzko, die te midden van het kanongebulder, die onvoorstelbare slachting, als een der weinigen weigerde ‘de vijand’ als slachtvee te zien en zo zijn menselijkheid wist te bewaren. Arme Latzko. Arme wij.”
Inderdaad arme wij. De aanklacht van Latzko tegen de oorlog was tevergeefs. Amper twintig jaar later brak nog een bloediger treffen uit. Ook nu woedt een oorlog in Europa in alle hevigheid en worden soldaten en burgers door een psychopathische despoot uitgemoord.
Ignace Claessens