19 april 2026
De dood en de tuinman
Georgi Gospodinov opent zijn boek met één zin die onmiddellijk de toon zet: "Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin." Wie dat leest, weet meteen wat er komen gaat, maar niet hoe. En het hoe is alles in dit literaire meesterwerkje.
De Bulgaarse schrijver, in 2023 bekroond met de International Booker Prize voor Schuilplaats voor andere tijden, schrijft hier zijn meest persoonlijke boek. Zijn vader staat op de drempel, pijnlijk vermagerd, na driehonderd kilometer liggend op de achterbank. "Ik heb, denk ik, in mijn broek geplast," zegt hij, "beschaamd als een klein kind." Het is het begin van het einde. Kanker met uitzaaiingen door het hele lichaam. Een behandeling is niet meer mogelijk.
Gospodinov neemt zijn vader in huis en begint een notitieboekje bij te houden. Hij noteert kenmerkende uitspraken, herinneringen, details. Hij staat in de winkel en vraagt zich af welke maat luiers hij moet kopen voor de man die ooit de grootste, de knapste was. Hij koopt te veel scheermesjes van het merk dat zijn vader altijd gebruikte, alsof hij de dood daarmee op afstand kan houden. "Want hoe kun je nu sterven als je zoveel ongebruikte, prachtige Duitse scheermesjes hebt?"
Dat is Gospodinov op zijn best: de grote dingen opvangen in kleine, concrete beelden. De tuin van de vader is geen metafoor die hem wordt opgelegd, maar een werkelijke tuin, een binnenhof vol tomaten, pioenrozen, tulpen en aardappelen, die de vader tot op zijn negenenzeventigste met schoffel en gieter bewerkte. "De tuin was zijn andere mogelijke leven, zijn stem en alles wat verzwegen werd. Hij sprak via de tuin en zijn woorden waren appels, kersen, grote rode tomaten." Een man van weinig woorden, maar zijn handen spraken.
De tuin als symbool van een goed en zinvol leven is zo oud als de filosofie zelf. Voltaire sloot zijn Candide uit 1759 af met de zin die een gevleugeld woord werd: “Il faut cultiver notre jardin”, wij moeten onze tuin bewerken. Na alle rampen, oorlogen en illusies die Candide heeft doorstaan, is dat zijn conclusie: geen grote utopieën meer, geen blind vertrouwen in de Voorzienigheid, maar het kleine, concrete, beheersbare werk van de eigen tuin. Gospodinovs vader heeft dat zonder Voltaire te kennen zijn hele leven in de praktijk gebracht. De pioenrozen en aardappelen, de tulpen en kersenbomen waren zijn filosofie. En zijn zoon schrijft ze op.
Het boek beweegt zich soepel heen en weer tussen het sterfbed in het heden en de verhalen uit het verleden. We zien de vader als jonge man in het communistische Bulgarije, die op de nationale feestdag van 9 september doodgemoedereerd paprika's staat te roosteren op zijn balkon in plaats van naar de verplichte parade te gaan. Die de kans om profbasketballer te worden liet liggen omdat zijn ouders er het nut niet van inzagen. Die bij uitzondering naar Finland mocht reizen maar slechts vijf dollar mee mocht nemen, en toch een bloemenjurk voor zijn vrouw wist mee te brengen "die ze jarenlang droeg, totdat de bloemen geheel verwelkt waren." Een man die de fiasco's aaneenreeg maar er een verhaal van wist te maken. Zijn devies, dat als een refrein door het boek klinkt: "Niks aan de hand."
In die combinatie van persoonlijk verdriet en collectieve herinnering aan het leven achter het IJzeren Gordijn doet Gospodinov denken aan de Poolse schrijver Andrzej Stasiuk, wiens Dukla (1997) dezelfde toon heeft: laconiek, weemoedig, doordrongen van het besef dat een wereld verdwijnt. Maar waar Stasiuk die verdwijning beschrijft vanuit de buitenkant, vanuit het landschap en de wegen, beschrijft Gospodinov haar van binnenuit, vanuit de lichamen en de verhalen van zijn eigen familie.
Gospodinov gaat de aftakeling, de pijn en het stervensuur niet uit de weg. Hij beschrijft hoe zijn vader in het ziekenhuis, na een van de slechtnieuwsgesprekken, plots zegt: "Dokter, ik wil graag een orgaan doneren, maar ik denk niet dat er iets over is wat nog gezond is en waar niet in is gesneden." Galgenhumor als overlevingsstrategie. De vader leerde het zijn zoon, de zoon geeft het door aan zijn lezers.
Wanneer het schrijven over de ziekte te zwaar wordt, schakelt Gospodinov over op wat hij "voorspoedige verhalen voor alle gelegenheden" noemt. Het is niet toevallig dat het woord "spoed" daarin zit, merkt hij zelf op. Verhalen zijn hier eerste hulp, iets om je aan vast te klampen als het even niet gaat. De wisselwerking tussen het verdriet en de anekdotes geeft het boek zijn bijzondere adem: je leest door zonder dat het je verplettert, maar je ontsnapt ook nergens.
De vader was een man die elk stukje grond kon veranderen in een tuin en elk huis in een thuis. Zijn lievelingstulp, een donkerblauwe Hollandse, nam hij bij elke verhuizing mee, stak hem voorzichtig uit de grond en plantte hem opnieuw in de nieuwe tuin. "Zijn bloemen in wezen geen geheime periscopen van de doden die onder hun wortels begraven liggen en die de wereld bekijken door hun steeltjes?" Het is de toon die dit boek onderscheidt van een gewone rouwroman: teder, ironisch, filosofisch, zonder ooit zwaar of pretentieus te worden.
Gospodinov schrijft over zijn vader, maar de lezer leest over zichzelf. Want iedereen heeft een vader, of heeft er een gehad. Iedereen kent de angst om iemand te verliezen die de schatbewaarder is van de vroegste herinneringen. En iedereen weet, ergens, dat die dag komt. Gospodinov schrijft over dat weten zonder er de ogen voor te sluiten en zonder erin te verdrinken. Hij schrijft over rouw zoals een goede tuinier over zijn tuin schrijft: met aandacht voor elk detail, met geduld, met de wetenschap dat wat geplant is blijft groeien, ook als de planter er niet meer is. "Mijn vader was een tuinman. Nu is hij een tuin." In die cirkel ligt alles besloten. Meer heeft een goed boek niet nodig.
Benny Madalijns
Vertaald door Hellen Kooijman