6 mei 2026
Job
Eerder las ik al verschillende boeken van Joseph Roth, maar zijn ‘Job’ uit 1930 was mij tot voor kort op een of andere manier steeds ontglipt. Een gemiste kans, want het is een van de mooiste en meest ontroerende boeken die ik de laatste jaren las. De nieuwe vertaling van Els Snick, fraai geïllustreerd door Koen Broucke en uitgegeven bij Van Oorschot, maakte het lezen ervan tot een bijzondere ervaring.
Het verhaal is in zijn essentie eenvoudig. Mendel Singer, een vrome joodse dorpsonderwijzer in het tsaristische Rusland van het begin van de twintigste eeuw, leidt een bescheiden en weinig spectaculair leven. Dan wordt zijn jongste kind geboren, Menoechim, een jongen die zich niet normaal ontwikkelt en die zijn moeder haar leven lang zal achtervolgen met zijn stil en onbegrijpelijk wezen. Roth opent zijn roman met een zin die de toon meteen zet:
“Vele jaren geleden woonde er in Zoechnov een man genaamd Mendel Singer. Hij was vroom, godvrezend en gewoon, een alledaagse jood. Hij beoefende het eenvoudige beroep van leraar. In zijn huis, dat slechts bestond uit een ruime keuken, bracht hij kinderen de kennis van de bijbel bij. Hij gaf les met oprechte ijver en zonder opzienbarend resultaat. Honderdduizenden voor hem hadden op dezelfde manier geleefd en lesgegeven.” (p. 13)
Het klinkt als het begin van een sprookje. Logisch, want Roth wil zijn lezers maar al te graag meenemen naar een wereld die voor de meesten van ons zo ver weg lijkt als een verzonnen volksverhaaltje, maar die hij tegelijk zo concreet en herkenbaar maakt dat je er middenin staat voor je het beseft. Die wereld is die van de Oost-Europese sjtetl, met zijn armoede, zijn vroomheid, zijn kleine tragedies en zijn grote hoop op verlossing. Wanneer de familie naar Amerika emigreert en Menoechim noodgedwongen achterblijft bij vreemden, begint de eigenlijke beproeving. Maar de aankomst in de nieuwe wereld wordt door Roth eerst nog beschreven vol ironie en warmte:
“Een paar honderd jaar eerder was een van Mendel Singers voorvaderen waarschijnlijk uit Spanje in Wolhynië terechtgekomen. Hij had een gelukkiger, alledaagser en in ieder geval minder in het oog springend lot dan zijn nakomeling, en daarom weten we niet of die voorvader veel of weinig jaren nodig had om in het vreemde land thuis te gaan voelen. Maar van Mendel Singer weten we dat hij na een paar maanden thuis was in New York. Ja, hij voelde zich bijna een Amerikaan! Hij wist al dat old chap Amerikaans was voor vader en old fool voor moeder, of andersom. Hij kende een paar zakenlieden uit de Bowery met wie zijn zoon omging, Essex Street, waar hij woonde, en Houston Street, waar het warenhuis van zijn zoon was gevestigd, van zijn zoon Sam. Hij wist dat Sam al een American boy was, dat je goodbye, how do you do en please zei als je een voornaam man was, dat een zakenman van Grand Street respect kon afdwingen en in sommige gevallen aan de River mocht wonen, aan de River waar ook Sjemarja van droomde. Ze hadden hem verteld dat Amerika God's own country heette, dat Amerika het land van God was, zoals ooit Palestina, en dat New York eigenlijk 'the wonder city', de stad der wonderen was, zoals ooit Jeruzalem. Bidden daarentegen noemden ze dan weer 'service', evenals liefdadigheid.” (p. 131)
Die ironie is noch vals noch wreed. Ze is de mildheid van een schrijver die zijn personage begrijpt in al zijn goedgelovigheid en die precies daarmee het drama van de ontnuchtering des te zwaarder laat wegen. Want de ontnuchtering komt, en ze is meedogenloos. Een zoon sterf in de oorlog, een andere sterft. Zijn vrouw bezwijkt aan verdriet, hun dochter verliest haar verstand. En Mendel Singer, de man die altijd had geloofd en gehoorzaamd, keert zich in zijn wanhoop af van de God die hem dit heeft aangedaan:
“Niemand lette op hem. De joden deden hun best om hem niet te zien. Een vreemde was hij in hun midden. Een enkeling dacht aan hem en bad voor hem. Maar Mendel Singer stond rechtop bij de deur en was boos op God. Ze bidden omdat ze bang zijn, dacht hij. Maar ik ben niet bang. Ik ben niet bang! Toen iedereen was vertrokken, ging Mendel Singer op zijn harde sofa liggen. Die was nog warm van de lichamen van de bidders. Er brandden nog veertig kaarsen in de kamer. Hij durfde ze niet te doven, ze hielden hem uit zijn slaap. Zo lag hij wakker, de hele nacht. Hij bedacht godslasteringen zonder weerga. Hij stelde zich voor dat hij nu naar buiten liep, naar de Italiaanse wijk in een restaurant varkensvlees kocht en terug keerde om het hier, in gezelschap van de stil brandende kaarsen, te verorberen. Hij knoopte zijn zakdoek wel los, hij telde wel de munten die hij bezat, maar verliet de kamer niet en at niets. Hij lag aangekleed, met grote, wakkere ogen op de sofa en mompelde: 'Uit, uit, uit is het met Mendel Singer! Hij heeft geen zoon, hij heeft geen dochter, hij heeft geen vrouw, hij heeft geen geld, hij heeft geen huis, hij heeft geen God! Uit, uit, uit is het met Mendel Singer!'” (pp. 184-185)
Het is een moment dat de lezer raakt, ook wanneer hij of zij geen gelovige is, want wat hier kapotgaat is niet alleen het geloof van een man maar het fundament waarop een heel leven is gebouwd. En dat is iets wat ieder mens kent, op zijn eigen manier, in zijn eigen schaal. Dat is precies het geheim van Roth en van dit boek: hij schrijft over het lot van een Oost-Europese joodse man uit een vergane wereld, maar wat hij beschrijft overstijgt elke culturele en religieuze grens.
Stefan Zweig, Roths grote vriend en weldoener, begreep dat meteen. In zijn in memoriam na Roths dood in 1939 schreef hij over Job dat hij daarin de joodse mens in Roth bewaard zag voor vergankelijkheid, de mens van de eeuwige Godsvraag, de mens die gerechtigheid eist voor deze wereld en alle toekomstige werelden. En elders, even laconiek als trefzeker: Roth schreef elke pagina van zijn boeken met de inborst van een ware dichter, als een goudsmid polijste hij elke zin steeds weer opnieuw, tot het ritme perfect was en de kleur schitterde. Weinig uitspraken over literaire stijl zijn zo raak als deze.
Ook in Vlaanderen werd Roth vroeg onderkend. Louis Paul Boon, die via zijn vriend en medewerker Nico Rost in contact was gekomen met de Duitstalige letterkunde, schreef in Vooruit een recensie van Job waarin hij verwees naar een interview dat Rost met Roth zelf had gehad. Rost, die in 1934 Roths Tarabas in het Nederlands vertaalde, zorgde er mede voor dat Roth in de linkse Vlaamse intellectuele kringen van de jaren dertig werd gelezen. Dat Boon zich door dit boek aangesproken voelde, is niet moeilijk te begrijpen: de aandacht voor de kleine mens, de ergernis over onrecht en toeval, het weigeren van berusting als levenshouding, dat zijn thema's die Boon en Roth delen over de grenzen van taal en nationaliteit heen.
De eeuwige Godsvraag, de vraag naar gerechtigheid voor deze wereld en alle toekomstige, is niet joods of christelijk of seculier. Ze is menselijk, en ze is, in 2026, breder en prangender dan ooit. Het is onmogelijk dit boek te lezen zonder te denken aan het heden. Roth schreef Job in 1930, op de vooravond van de grootste catastrofe die het Europese jodendom zou treffen. De wereld van Mendel Singer, de sjtetl, de Oost-Europese joodse gemeenschap die Roth zo liefdevol beschreef in zijn essay Joden op drift, zou een decennium later vrijwel volledig worden uitgeroeid. Maar ook vandaag, nu Israël zwaar onder internationale druk staat en het antisemitisme in Europa opnieuw zichtbaar oplaait, heeft dit boek een urgentie die niemand onbewogen kan laten die eerlijk leest.
Toch is Job geen aanklacht en geen pamflet. Het is een roman over een eenvoudige man, over hoe mensen omgaan met wat hun overkomt, over de kracht en de kwetsbaarheid van geloof, over de vraag of het noodlot te dragen is en onder welke voorwaarden. En het is, ten slotte, een roman die eindigt met hoop, of misschien beter: met de mogelijkheid van hoop. Want Menoechim, de verloren gewaande gehandicapte zoon, keert terug als een genezen man en een beroemd musicus. Mendel Singer sterft in vrede, omringd door zijn kleinkinderen. Roth, die zelf zo ongelukkig leefde en zo ellendig stierf in een Parijs armenhospitaal in mei 1939, liet zijn personage het goede einde vinden dat hemzelf niet was gegund.
Dat het boek nu verschijnt in een nieuwe vertaling van Els Snick, die haar leven aan het werk van Roth heeft gewijd en in 2014 samen met Geert Mak het Joseph Roth Genootschap oprichtte, is een reden tot dankbaarheid. Haar Nederlands klinkt vanzelfsprekend, als had Roth zelf in deze taal gedacht. De illustraties van Koen Broucke, die Snick bij meerdere Roth-uitgaven begeleidde, verdiepen het boek zonder het te overheersen: gelaagde aquarellen die de sfeer van een verdwenen wereld oproepen zonder er nostalgisch over te worden.
Job is een tijdloos boek. Dat het nu, in dit beladen tijdsgewricht, opnieuw beschikbaar is in deze prachtige editie, is voor mij reden genoeg om het iedereen aan te bevelen die nog gelooft dat literatuur iets kan toevoegen aan wat het leven van ons vraagt.
Benny Madalijns
Meer van Benny Madalijns