Rebecca F. Kuang
Benny Madalijns
fictie
  • 14 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

15 juli 2026 Babel of de noodzaak tot geweld
Ik heb altijd een diep respect gekoesterd voor de universiteit als plek waar kennis ononderbroken wordt onderzocht en doorgegeven, en dat respect is er in de loop van mijn leven niet minder op geworden. Tegelijk heb ik in diezelfde wereld genoeg gekte zien opbloeien om te weten dat een instituut dat zichzelf tot heiligdom van de rede verheft, zich daarmee nog niet van elke dwaasheid heeft gevrijwaard. Babel van R.F. Kuang, nu eindelijk vertaald door Hi-en Montijn, raakt precies die dubbele gevoeligheid, en juist daarom heb ik het boek met heel wat aandacht gelezen.
O ye spires of Oxford! Domes and towers! Gardens and groves! Your presence overpowers The soberness of reason
 
O, gij spitsen van Oxford! Koepels en torens! Parken en struwelen! Uw aanwezigheid overweldigt de nuchtere rede 
 
William Wordsworth, 'Oxford, 30 mei 1820' (Epigraaf, Hoofdstuk XXI, pagina 394)
Het Italiaanse adagium dat elke vertaling tegelijk een verraad inhoudt, traduttore, traditore, staat als motto voorin afgedrukt, en men doet er goed aan die formule ernstig te nemen. Kuang heeft haar hele roman rondom precies die paradox gebouwd: de vertaler als onmisbare tussenpersoon en als schuldig werktuig in één, iemand die bruggen slaat maar daarmee ook grenzen verlegt ten voordele van wie de macht reeds bezit. Dat is, naar mijn aanvoelen, de meest wezenlijke spanning van dit boek, een spanning die zich niet in een enkel genre laat opsluiten en die daarom nog lang blijft naklinken.
Griffin onderbrak hem. 'Wil je weten wat Babels tweede en derde inkomstenbron zijn? 'De rechtenafdeling?' 'Nee, militaire instellingen, zowel die van de staat als de particuliere,' zei Griffin. 'En daarna komt de slavenhandel. Daarbij vergeleken vallen de inkomsten van de juridische afdeling in het niet.' 'Maar dat… dat kan niet.' 'Ja, zo werkt de wereld nu eenmaal. Ik zal je een voorbeeld geven, broertje. Je hebt inmiddels begrepen dat Londen het centrum is van een uitgestrekt rijk dat niet ophoudt te groeien. En Babel is de allerbelangrijkste factor die deze groei mogelijk maakt; Babel verzamelt vreemde talen en buitenlands talent net zoals het zilver vergaart en maakt daarvan gebruik om vertaalmagie te produceren, waarvan Engeland en Engeland alleen profiteert. De overgrote meerderheid van in gebruik zijnde zilverstaven bevindt zich in Londen. De laatste, krachtigste staven die in omloop zijn steunen op het Chinees, Sanskriet en Arabisch, maar in landen waar deze talen alom worden gesproken, zul je minder dan duizend staven aantreffen, en dan alleen nog maar bij vermogende en machtige mensen. En dat is verkeerd. Dat is roof. Dat is fundamenteel onjuist.' (pagina 120)
Kuang studeerde zelf aan Oxford en Cambridge en werkt momenteel aan een doctoraat aan Yale. Zij schrijft vanuit een positie die het boek zelf voortdurend ter sprake brengt, die van de niet-westerse intellectueel die door westerse instituten wordt opgenomen en gevormd, om er uiteindelijk ook door te worden verteerd. Die autobiografische ondertoon is moeilijk te negeren, ook al heeft zij haar verhaal met opzet gesitueerd in het Engeland van 1836, enkele jaren voor de Eerste Opiumoorlog, in een geschiedenis die zich enigszins anders heeft voltrokken dan de onze en waarin het Britse imperialisme zijn macht ontleent aan een merkwaardig magiesysteem, gebaseerd op de kracht die schuilt in wat bij vertalen verloren gaat. 
Robin Swift, de jonge wees uit Kanton die professor Lovell naar Engeland laat overkomen om hem voor te bereiden op een opleiding aan het Koninklijk Vertaalinstituut, belichaamt volgens mij een plundering die zich voordoet als verheffing. Lovell heeft hem niet uit goedheid onder zijn hoede genomen, maar omdat zijn kennis van het Kantonees onmisbaar is voor de staven die Britse handelsbelangen in China moeten dienen. Dat Robin dit aanvankelijk niet ziet, of niet wil zien, en de stad ervaart als een toevluchtsoord waarin kennis en vriendschap onaantastbaar lijken, is, denk ik, de tragische blindheid die Kuang met veel geduld blootlegt. “Kennis gehoorzaamt onvoorwaardelijk aan macht”, zo luidt, durf ik te stellen, de ongeschreven wet van het instituut, en wie meent dat scholing hem daarboven verheft, komt daar vroeg of laat op een pijnlijke manier achter, een les die niet minder waar is aan de universiteiten van onze eigen tijd.
Al pratend graveerde hij snel iets in de ene kant van de staaf en liet vervolgens zien wat hij had geschreven: Vertalen. 
'Het woord vertalen heeft in elke taal enigszins verschillende connotaties. De Engelse, Spaanse en Franse woorden – translate, traducir en traduire – komen van het Latijnse translat(um), wat "overgebracht" betekent. Maar we krijgen iets anders als we verder gaan dan de Romaanse talen.' 
Op de andere kant schreef hij nu een nieuw stel letters. 'Het Chinese fānyì, bijvoorbeeld, betekent "iets omdraaien", terwijl het tweede karakter yì ook de gevoelswaarde van "veranderen" en "ruilen" heeft. Het Arabische tarjama kan naar zowel "biografie" als "vertaling" verwijzen. In het Sanskriet is het woord voor vertalen anuvad, en dat betekent ook "keer op keer herhalen". 
Het verschil hier is meer temporeel dan de ruimtelijke metafoor in het Latijn. In het Igbo behelzen de twee woorden voor vertaling, tapia en kowa, zowel verhaal als deconstructie en reconstructie, iets in stukken breken waardoor een vormverandering mogelijk wordt. En zo voort. (pagina 186)
In Oxford sluit Robin vriendschap met Ramy, een Indiër, met Victoire, een Haïtiaanse, en met Letty, een Engelse uit de lagere adel wier positie steeds ongemakkelijker wordt naarmate de politieke spanningen toenemen, en die vriendschap is, zo lijkt me, de eigenlijke drijfveer van de roman, meer nog dan het magiesysteem zelf. Wanneer Robin zich aansluit bij het Hermesgenootschap, geleid door zijn halfbroer Griffin, en die geheime beweging de zilvermagie wil ontwrichten om het imperialisme te fnuiken, stelt het boek de vraag die zijn ondertitel al aankondigt, namelijk wanneer geweld niet enkel begrijpelijk maar ook noodzakelijk wordt. 
Kuang beantwoordt die vraag niet eenduidig, en laat zowel de reformistische hoop dat instellingen van binnenuit kunnen veranderen als het radicale standpunt dat enkel ontwrichting helpt, hun volle gewicht behouden, zonder haar personages, of de lezer, de troost van een gemakkelijke uitweg te gunnen. 
Ook de opbouw van de roman verdient natuurlijk wat meer uitleg. Het tempo ligt aanvankelijk laag, en de talrijke etymologische uitweidingen en voetnoten, die sommige lezers als storend kunnen ervaren, zijn voor wie zoals ik van taal houdt juist een groot genoegen, want zij verankeren het verhaal in een oprechte taalkundige belangstelling. Pas na een goede tweehonderd bladzijden beginnen de politieke spanningen echt te escaleren, maar die langzame opbouw is functioneel, want zij schept precies de vertrouwdheid met de personages die nodig is opdat de latere gebeurtenissen hun volle gewicht krijgen. Het einde, dat men best zelf al lezend ontdekt, is onverbiddelijk en stevent zonder omwegen, recht op het doel af. Het beklemmende gevoel blijft nazinderen, lang nadat je het boek hebt dichtgeslagen.
Babel kreeg in 2023 de Nebula Award voor beste roman, maar werd datzelfde jaar door het organiserend comité van de Hugo Award, gehouden in Chengdu, van de shortlist geweerd omdat het boek mogelijk gevoelig lag bij de Chinese overheid. Die uitsluiting is, mijns inziens, op zichzelf al een commentaar op wat het boek behandelt, want ook vandaag bepalen machtige instellingen, universitaire zowel als politieke, welke stemmen gehoord mogen worden. Kuang reageerde met gepaste ironie: het enige verschil tussen Babel en de romans die wel in aanmerking kwamen, was dat het voor sommigen kennelijk een ongewenst boek bleek. Zij had, met andere woorden, haar eigen stelling nog maar eens bevestigd zien worden, al zou ik daaraan durven toevoegen dat zulke bevestigingen zich helaas evengoed in eigen academische kring voordoen, wanneer daar bepaalde vragen plots niet meer gesteld mogen worden. 
De Nederlandse vertaling van Hi-en Montijn verscheen pas in maart van dit jaar, geruime tijd na de Engelse editie uit 2022, en de keuze die zij maakt om niet om de etymologische moeilijkheden heen te vertalen maar ze zichtbaar te laten staan, lijkt mij verstandig en komt de intellectuele eerlijkheid van het hele project ten goede. 
Babel is echt geen boek voor wie vluchtig wil lezen of snel beloond wil worden, het veronderstelt liefde voor taal en de bereidheid zich te laten confronteren met hoe kennis en macht elkaar voeden en hoe instellingen de taal van verheffing spreken terwijl ze de logica van uitbuiting in stand houden.
Maar niet alle kranten waren tegen Babel en voor de oorlog. Want voor elke krantenkop die aanzette tot snel ingrijpen in Kanton was er een artikel (hoewel kleiner, specialistischer, radicaler) waarin de oorlog een morele en religieuze wandaad werd genoemd. The Spectator beschuldigde de voorstanders ervan een onverdedigbare misdaad te begaan, Jardine's krant noemde de opiumoorlog een schande, en de Political Register schreef: MR OPIUM WIL DE HAND OP CHINA LEGGEN. 
Elke sociale factie in Engeland vond er het zijne van. De abolitionisten legden een ondersteuningsverklaring voor de stakers af, net als de suffragisten, al deden die dat niet zo luidkeels. Christelijke organisaties verspreidden pamfletten waarin het in stand houden van een bij wet verboden ondeugd onder een onschuldig volk werd bekritiseerd, hoewel de pro-oorlogsevangelisten daarop reageerden met het zogenaamd christelijke argument dat het blootstellen van het Chinese volk aan de vrije handel Gods werk was. 
Intussen beweerden radicale artikelen dat het openstellen van China in strijd was met de belangen van de arbeiders in Noord-Engeland. De chartisten, een beweging van gedesillusioneerde fabrieksarbeiders en handwerklieden, betoonden zich de grootste aanhangers van de stakers; in hun orgaan, de Red Republican, werden de vertalers in een kop de helden van de werkende klasse genoemd. 
Dat gaf Robin hoop. De radicalen waren per slot van rekening de partij die de whigs aan hun kant moesten zien te krijgen, en als de radicalen door dergelijke krantenkoppen ervan overtuigd konden worden dat op de lange termijn een oorlog niet in hun belang was, dan kon misschien alles opgelost worden. (pagina's 536-537)
The seed ye sow, another reaps; The wealth ye find, another keeps; The robes ye weave, another wears; The arms ye forge, another bears. 
 
Het zaad dat jij strooit oogst een ander; de rijkdom die jij vergaart bezit een ander; de kleren die jij weeft draagt een ander; de wapens die jij smeedt gebruikt een ander. 
 
Percy Bysshe Shelley, 'Song to the Men of England' (Hoofdstuk XXVII, pagina 504)
Shelley (1792-1822), de radicale Engelse romanticus uit de generatie van Byron en Keats, schreef die regels in 1819, kort na het bloedbad van Peterloo, en Kuang plaatst ze, volgens mij niet toevallig, bij het hoofdstuk waarin de arbeiders van Noord-Engeland zich uitspreken tegen een oorlog die hun eigen regering voert in hun naam, maar niet in hun belang. Het toverachtige zilver dat de vertalers uit het Babelinstituut voor de geest roepen dient dezelfde logica die Shelley een halve eeuw eerder al blootlegde: wie het werk verricht, is zelden degene die er de vruchten van plukt, of het nu om wol gaat, om wapens, of, in Kuangs geval, om taal zelf.
Ik heb het boek glezen met evenveel bewondering voor wat Kuang wetenschappelijk en literair heeft opgebouwd als ongeduld met de passages waar de theorie het verhaal even opzij duwt, maar dat samenspel van bewondering en ongeduld is mijns inziens precies wat een kritische vrijdenker zelf ook voortdurend voelt binnen de academische wereld. Men kan van een instituut houden en het tegelijk hardnekkig blijven bevragen, Babel herinnert daar op indringende wijze aan.
Volgens Anthony was de overwinning onvermijdelijk. Anthony geloofde dat de materiële tegenstellingen van Engeland het land zouden verscheuren, dat hun beweging zou slagen omdat de luxe staat van het rijk gewoon niet vol te houden was. Daarom, redeneerde hij, hadden ze een kans.
Victoire weet wel beter. Een overwinning is niet gegarandeerd. Misschien staat er een overwinning in de voortekenen, maar die moet afgedwongen worden door geweld, door lijden, door martelaarschap, door bloedvergieten. Overwinning komt tot stand door middel van vindingrijkheid, volharding en opoffering. Overwinning is een zaak van kleine vorderingen, van geschiedkundige toevalligheden, waarbij alles goed gaat omdat ze maakten dat het goed ging.
Ze kan niet weten welke vorm de strijd zal aannemen. Er zijn zoveel gevechten te leveren, zoveel gevechten op zoveel fronten – in India, in China, in Noord- en Zuid-Amerika – die allemaal met elkaar in verband staan door dezelfde drang om wat niet wit en Engels is uit te buiten. Ze weet alleen dat ze erbij zal zijn tijdens elke onvoorspelbare kentering, dat ze zal vechten tot ze erbij neervalt.
'Mande mwen yon ti kou ankò ma di ou,' had ze ooit eens tegen Anthony gezegd op zijn vraag wat ze van Hermes vond, of ze dacht dat ze zouden slagen. Hij deed zijn best het Kreyòl te ontleden met zijn kennis van het Frans, maar had het toen opgegeven. 'Wat betekent dat?' 'Geen idee,' zei Victoire. 'We zeggen dat wanneer we het antwoord niet weten of het antwoord niet willen delen.' 'En wat betekent het letterlijk?' Met een knipoog zei ze: 'Vraag het me later, dan zal ik het je vertellen.' (pagina 589)

Benny Madalijns
Oorspronkelijke titel: Babel, Or the Necessity of Violence
Vertaling: Hi-en Montijn

Rebecca F. Kuang
Benny Madalijns
fictie
Benny Madalijns is van opleiding Leraar Beeldende Kunsten en Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte (PhD, VUB). Hij is schrijver van amper te publiceren verhalen over denken & doen en schilder-collagist van zo maar wat bedenkingen van geest & gemoed. (Foto: Jean Cosyn - VUB)
_Benny Madalijns -
Meer van Benny Madalijns

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies