12 oktober 2026
Een wereld zonder boeken - Wat ontlezing met onze samenleving doet
Toegegeven, ik ben soms heel gul in het geven van sterren, het liefst zou ik daarvan vrijgesteld worden, maar deze uitgave geef ik met volle goesting en in volledige toerekeningsvatbaarheid vijf volle sterren. Meer zelfs, een paar keer baande de spontane gedachte zich een opdringerige weg in mijn ondertussen gretig lezende hersenen dat dit boek op de leeslijst - als die tenminste nog bestaat - van de middelbare school zou moeten staan. Maar dat is waarschijnlijk geen goed idee, iets verplichten werkt veelal averechts, bovendien kunnen tendensen niet gestuurd, noch gekeerd worden.
De overduidelijke tendens die in Een wereld zonder boeken beschreven wordt, is die van de opkomst van het lezen en het helaas stilaan weer verdwijnen ervan. De jonge James Marriott (33), columnist van The Times schreef een noodzakelijk boek over het verdwijnen van geletterdheid en wat we daardoor dreigen te verliezen. Het aantal mensen dat boeken en kranten leest is immers razendsnel aan het dalen.
Halverwege de 18e eeuw voltrok zich een leesrevolutie. Via boeken en kranten bereikt nieuwe informatie steeds bredere lagen van de bevolking. Via boeken leerde de lezer een gedachtegang te volgen en logisch te redeneren. Samen met de opkomst van het gedrukte boek groeide het afwijzen van bijgeloof, en werd het vertrouwen in de rede en de zich ontwikkelende wetenschap versterkt. Historici koppelen de verspreiding van de geletterdheid aan “een complexe, rationele manier van denken en dat heeft de wereld blijvend veranderd”. Lezers leerden die wereld op een andere manier kennen. Een meer rationele manier van denken kende ingang. Dit is echter een verhaal dat nu blijkbaar stilaan zijn einde nadert. Academici merken al een poos dat studenten meer en meer moeite hebben met het lezen van de boeken die ze hen te lezen geven. Ook verdwijnt de vaardigheid om “lange, ingewikkelde teksten” te lezen.
Marriott vindt de teloorgang van het lezen niet alleen een culturele tragedie, maar ook een persoonlijk verlies. “Literatuur was onze religie”. Het stelt de gepassioneerde lezer in staat zichzelf én de wereld te leren kennen, voor die lezer is het een “aangename liefhebberij” en een manier om kennis op te doen. Geletterdheid gaf ook de arbeidersklasse in de vorige eeuw de kans op te komen voor hun rechten doordat ze via lezen kennis en kritisch denkvermogen ontwikkelden. Charles Duncan, een pionier van de vroege Labourpartij spoorde arbeiders aan om te lezen. Hij was zelf een hartstochtelijk lezer en ervan overtuigd dat “wie niet leest een beperkte horizon houdt en gemakkelijk op een dwaalspoor raakt; hij wordt de speelbal van politieke bedriegers en het werktuig van allerlei schurken”.
De auteur geeft ook het voorbeeld hoe er begrip kwam voor de tot slaaf gemaakten doordat de lezer zich kon inleven in romans die door en over hen geschreven werden. De Duitse filosoof Jürgen Habermas vond dat door de geletterdheid van burgers de “publieke sfeer” ontstond, een intellectuele ruimte waarin burgers zich konden buigen over problemen. En Steven Pinker merkte op dat de geschiedenis talloze voorbeelden kent “waarin romans en memoires hebben geholpen de publieke opinie achter een morele zaak te scharen”. Marriott plaatst daar de kanttekening bij dat het geen constante is, immers Duitsland verviel in barbarij terwijl ze zich in een periode van hoge geletterdheid bevonden en de kampcommandant Goethe las ter ontspanning. Geletterdheid is dus niet dé grote garantie, maar toch stelt de auteur dat moderne democratie opkwam en haar bloei kende tijdens een tijdperk van massale geletterdheid.
De auteur ziet met lede ogen dat het tijdperk van het gedrukte woord helaas plaats maakt voor het tijdperk van het scherm. Marriott citeert Neil Postman die in 1985 een boek schreef waarin hij zich sterk kantte tegen de televisie. Hij meende dat de opkomst van de televisie “de redelijke en vruchtbare publieke discussie ondermijnde waarop elke beschaafde democratie is gebaseerd”. Hij werd aanzien als een cultuurpessimist, maar ondertussen heeft de tijd hem gelijk gegeven, de televisie is ondertussen al lang niet meer het enige scherm en volgens James Marriott zijn wij, naarmate het lezen verder afneemt, terechtgekomen in een postgeletterde wereld. “Zonder lezen wordt de wereld minder rationeel en meer chaotisch” en verspreiden complottheorieën zich met het grootste gemak. Boeken en kranten zijn vervangen door schermen en dat is volgens de auteur ook de reden waarom het publieke debat oppervlakkig geworden is en onze politici lichtgewichten lijken. De auteur geeft het voorbeeld van Harry Truman, hij was een fervent lezer die in zijn jeugd in Missouri de plaatselijke bibliotheek leeg las. Ook Winston Churchill, Theodore Roosevelt en John F. Kennedy waren verwoede lezers. Door hun geletterdheid waren ze in staat een logisch betoog met een duidelijke structuur op te bouwen. Zet daar Trump tegenover, hij leest niets en is het voorbeeld van “het verval van coherent denken in de politiek”. Zijn toespraken zijn gewoon een opeenstapeling van beweringen en zijn taalgebruik is beperkt. Hij is nauwelijks in staat om zijn gedachten te ordenen met hoofd- en bijzinnen, dat laatste is net kenmerkend voor geletterde communicatie.
Volgens de auteur bestaat er een link tussen postgeletterdheid en de teloorgang van de democratie. Hij maakt zijn punt in het zesde en laatste hoofdstuk met als weinig opbeurende titel: Het einde van de democratie. Er zijn drie factoren die een grote rol spelen en dat zijn de groeiende ongelijkheid, economische stagnatie en onvrede over massale immigratie, maar volgens Marriott voltrekt zich onder die ontwikkelingen een ingrijpender verschuiving: “de geletterde fundamenten waarop de liberale democratie rust, brokkelen af onder onze ogen”. Hij staaft dat met cijfers uit Our World in data.
Toch blijft hij ook positief, boeken blijven verankerd in onze cultuur en zijn “prestigieuze voorwerpen die mensen graag kopen”. Er zijn nog altijd schrijvers met ambitie, sommige boeken worden nog steeds bestsellers en fervente lezers koesteren nog altijd boeken. In zijn conclusie aan het eind van zijn boek eert hij het boek, en dan vooral de roman die “het vermogen bezit om ons toegang te geven tot het innerlijk van andere mensen”. Hij wil niet elitair overkomen en beklemtoont dat hij zich niet tegen schermen keert, maar hij is opgelucht bemoedigende tekenen te zien van een groeiende tegenbeweging tegen verslavende schermen. Boeken lezen maakt je niet tot een beter mens, aldus James Marriott, maar een wereld zonder boeken oogt uiterst onaantrekkelijk. Boeken zijn allerminst overbodig. Deze uitgave, zijn eerste boek, evenmin. Het is een mooi pleidooi voor het lezen in het algemeen. En als hij het bij het rechte eind heeft, ook belangrijk voor de kostbare democratie. Dus ja, vijf sterren! Zonder enige twijfel.
Sophia De Wolf