13 oktober 2026
Bankiers van God en keizer. Het geld van de Fuggers (1475-1625)
Toen ik een tijdje terug ‘Occo’ van Daan Doesborgh las en besprak, leerde ik Pompejus Occo kennen als een Amsterdamse bankier die in het begin van de zestiende eeuw opklom tot huisbankier van de Deense koning Christiaan II en tot vertegenwoordiger van de Fuggers. Achter de jonge bankier uit de roman zag ik voortdurend de figuur van Jakob Fugger opduiken, de Augsburgse koopman op wiens steun Occo steevast kon rekenen.
Over het geslacht van die koopman schreef de Antwerpse jurist en communicatieadviseur Peter F. Anthonissen nu een turf van meer dan achthonderd bladzijden. In een interview vertelde Anthonissen dat hij er tien jaar geleden aan begon, geprikkeld door de vraag waarom deze familie bij ons zo goed als vergeten is. Dat premier Bart De Wever, historicus van opleiding, het voorwoord schreef en het boek begin september zelf kwam voorstellen in een volgelopen Antwerps Provinciehuis, maakte mij alleen maar nieuwsgieriger.
‘Geld is het antwoord op alles,’ staat in het boek Prediker te lezen. De ironische ondertoon moet u er natuurlijk bij denken, maar het is een nuchtere vaststelling van hoe het leven ‘onder de zon’ eraan toe gaat. Eén iemand die dat goed begrepen had, was Margaretha van Oostenrijk. De laatste Bourgondische prinses was door haar vader, keizer Maximiliaan I, benoemd tot landvoogdes van de Nederlanden. Ze nam haar jonge neef Karel onder haar hoede en waakte over zijn belangen. Nadat hij koning van Spanje was geworden, was zijn grootvader Maximiliaan vastberaden om hem in 1519 ook keizer van het Heilige Roomse Rijk te maken. Met prestige alleen zou hij er niet komen. Er was geld voor nodig. Veel geld.
(Bart De wever, Woord vooraf, p. 11)
Bij het woord geld hoor ik onvermijdelijk Joel Grey en Liza Minnelli in Cabaret, de film van Bob Fosse uit 1972. In de Kit Kat Klub van het Berlijn van 1931 zingen de ceremoniemeester en Sally Bowles er samen de oorwurm Money, Money. Omdat Fosse die spottende lofzang op het geld situeert in de nadagen van de Weimarrepubliek, ervaar ik dat lied als des te wranger.
Daarnaast hebben velen van ons de financiële crisis van 2008 nog vers in het geheugen, toen de Belgische overheid samen met haar buurlanden de banken Fortis en Dexia overeind moest houden. De uitgever haalt in de voorstelling van het boek dan ook gretig de journalist Joris Luyendijk aan. Na die crisis stelde Luyendijk vast dat de politici die wij verkiezen, nadien vooral uitvoeren wat de financiële wereld hun oplegt.
Terwijl ik deze bespreking schrijf, zoekt de federale regering naar ongeveer tien miljard euro aan besparingen, met de zogeheten State of the Union van 13 oktober als deadline. Bij de voorstelling van het boek legde De Wever zelf de brug naar het heden. Hij merkte op dat Jakob Fugger de keizer in zijn aanmaningsbrief nog met de grootste eerbied aansprak, terwijl internationale financiële instellingen vandaag uitpakken met zenuwslopende presentaties en ratingbureaus weinig vriendelijke brieven versturen.
Over de Fuggerei, het sociale woningcomplex van de Fuggers in Augsburg, grapte de premier dat wie er wil wonen Augsburger en arm moet zijn. Aan die tweede voorwaarde kon België volgens hem mogelijk binnenkort voldoen.
Anthonissen volgt de familie vanaf 1367, toen de horige boer Hans Fugger zijn dorp ontvluchtte om in Augsburg als wever en handelaar een bestaan op te bouwen. Vier generaties later behoorden zijn nazaten tot de rijkste kooplui ter wereld, met vestigingen van Antwerpen en Amsterdam tot Venetië, Rome, Lissabon en Gdansk.
Jakob Fugger trok in 1473 als veertienjarige naar Venetië, waar hij de dubbele boekhouding leerde kennen en ze daarna ten noorden van de Alpen invoerde. Anthonissen toont hoe de familie via correspondenten en koeriers in een negentigtal vestigingen een eigen berichtennetwerk uitbouwde. Zo waren de Fuggers vaak als eersten op de hoogte van prijsschommelingen en van politiek of militair nieuws.
Vanuit de textielhandel stapten de Fuggers over naar de zilver- en kopermijnen in Tirol en Hongarije. Volgens Anthonissen beheerden ze op een bepaald ogenblik veertig procent van de Europese koperproductie, op een moment dat brons uit koper en tin onmisbaar werd voor kanonnen en musketten.
Als scharnierpunt van het verhaal beschouw ik de aanmaningsbrief van 24 april 1523. Om in 1519 tot keizer verkozen te worden, moest Karel V de zeven keurvorsten, de vorsten die de keizer kozen, uitkopen. Het gros van de ruim achthonderdduizend gulden die hij daarvoor leende, kwam van de Fuggers. Vier jaar later herinnerde Jakob Fugger de keizer eraan dat hij zijn geld nog altijd niet had teruggezien, iets wat Anthonissen ongezien noemt voor een koopman uit de derde stand.
Anthonissen ziet in die brief het moment waarop de macht van de politiek naar de economie verschoof. Karel V loste zijn schuld uiteindelijk in door de Fuggers de lucratieve uitbating van een kwikzilvermijn in Spanje te gunnen.
Mijns inziens raakt Anthonissen de kern wanneer hij het begrip Ehre bespreekt, het familiale leidmotief van de Fuggers. Omdat geen rechtbank een keizer tot betalen kon dwingen, moesten kooplui als de Fuggers bouwen op vertrouwen, zodat hun reputatie samenviel met hun kredietwaardigheid. Het verbaast mij niet dat een specialist in reputatiemanagement dat inzicht naar voren schuift, maar ik lees er ook een kanttekening in bij de ratingbureaus van vandaag.
De Fuggers sloegen munten voor vier pausen en betaalden de eerste soldij van de Zwitserse Garde. Ze zorgden ook voor de overmaking van het aflatengeld naar Rome, waarvan ze volgens Anthonissen de helft inhielden. Tegen die aflatenhandel trok Maarten Luther in 1517 van leer, en de vrome katholiek Jakob Fugger moest tijdens de Reformatie zelfs even onderduiken.
Bij die passages denk ik onwillekeurig aan Max Weber, die in Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus, verschenen in 1904 en 1905, uitgerekend Jakob Fugger als tegenvoorbeeld opvoert. Fugger weigerde zich uit de zaken terug te trekken omdat hij nog meer geld wilde verdienen. Weber zag daarin een persoonlijke ondernemingsdrang, terwijl Benjamin Franklin het verdienen van geld tot een morele plicht verhief.
Anthonissen schenkt bijzondere aandacht aan de stad Antwerpen, waar de Fuggers van 1508 tot 1608 een factorij, een handelskantoor met opslagplaatsen, aan de Steenhouwersvest uitbaatten. Albrecht Dürer, die volgens Michael Pye nergens zulke goede pigmenten kocht als in Antwerpen, verbleef negen maanden in de stad en was onder de indruk van het complex. Antwerpenaren gebruikten nog lang de uitdrukking ‘een rijke fokker’ voor iemand met veel geld.
Toen Filips II het ene staatsbankroet na het andere afkondigde, raakten de handelaars op de Antwerpse beurs danig in paniek. Onbetaalde Spaanse soldaten plunderden in 1576 de stad tijdens de Spaanse Furie en vochten daarbij vlak bij de factorij. Volgens Anthonissen liep de ondergang van het bedrijf gelijk met het verval van het Habsburgse rijk.
Over dat Antwerpen las en besprak ik eerder ook Antwerpen. De gloriejaren van de Britse historicus Michael Pye. Pye laat de Antwerpse gloriejaren beginnen in 1501, toen de eerste Portugese schepen met specerijen en goud aanmeerden, en laat ze eindigen in 1585, toen Alexander Farnese de stad voor de Spaanse Habsburgers heroverde.
In mijn bespreking van Pye stond ik al stil bij de Beurs. In de jaren 1540 gaven de Habsburgers Antwerpen het alleenrecht om voor heel Noord-Europa kredietbrieven in contanten om te zetten, en de handelaars verhandelden die brieven voortaan op de Beurs. Destijds schreef ik dat het geld er de maat van alles werd, voor het geld danst den beer, en dat geld sindsdien een dwingend maar volstrekt abstract idee werd.
Anthonissen toont wie achter die abstracte geldstromen schuilging. De Fuggers hielden hun factorij na de val van 1585 nog ruim twintig jaar open, tot ze die in 1608 definitief sloten.
Anthonissen trekt ook parallellen tussen de vroegmoderne tijd en de onze, van de drukpers tegenover internet en artificiële intelligentie tot het buskruit tegenover drones en cyberoorlog. Mijns inziens houdt hij die vergelijkingen het overtuigendst vol waar het over geld en schuld gaat, omdat machthebbers sinds Jakob Fugger afhankelijk blijven van wie hen krediet verleent.
“De wereld van de Fuggers is een hoofdstuk van een verhaal dat we vandaag opnieuw meemaken. Nieuwe vormen van techniek, informatie en kapitaal hertekenen de samenleving en de politieke orde. Ook onze maatschappij tracht die transformaties te begrijpen en te beheersen. Sommige periodes in de geschiedenis voelen achteraf aan als een breuklijn. De renaissance van het quatrocento was dat. De tijd waarin wij vandaag leven, is dat opnieuw.
Wat beide werelden delen, is onzekerheid. Oude structuren en regels werken niet meer en nieuwe zijn er nog niet. Macht evolueert sneller dan instellingen kunnen volgen.
(…) De boeiende wereld van de Fuggers is voorbij. Het was een spannend era van ontdekkingen en uitvindingen. Een tijd vol nieuwe ideeën in handel, politiek, kunst, architectuur en geloof. Hij toont ons hoe een samenleving omging met versnelling, macht en onzekerheid. Wie begrijpt wat er toen gebeurde, kijkt scherper naar wat er zich nu afspeelt. Dat kan ons inspireren om met andere ogen naar het heden te kijken. Bankiers van God en Keizer nodigt de lezer uit om dat te doen.”
(Peter F. Anthonissen, Inleiding, p.29)
Tussen 1516 en 1523 lieten de Fuggers de Fuggerei bouwen, waar behoeftige inwoners nog altijd voor een habbekrats wonen. In een interview wees Anthonissen erop dat de familie in haar eenentwintigste generatie meer grond bezit dan het Antwerpse grondgebied met de haven erbij. Op de vraag of de Fuggers vandaag armoezaaiers zijn, antwoordde hij droogjes dat hij dat niet denkt.
Toen ik dat antwoord las, hoorde ik in gedachten opnieuw de snerpende, nasale stem van de doldwaze ceremoniemeester van de Kit Kat Klub, want: “Money makes the world go around. The world go around, the world go around. Money makes the ‘clang’ go around of that we both are sure, ‘Raspberry’ on being poor (…)”
Benny Madalijns