5 november 2026
AFVAL - Het leven van een vuilnisman
Afvalinzameling is topsport. Maar in tegenstelling tot echte topsporters worden de ophalers niet naar waarde geschat, integendeel, ze worden zelfs als noodzakelijk kwaad beschouwd. Nochtans halen ze dag in, dag uit het vuilnis en het afgedankte materiaal op ‘van de meest vervuilende beschaving uit de geschiedenis van de mensheid’. De auteur en zijn collega’s ‘poetsen de vlekken van de consumptiemaatschappij weg’. Het was zijn stiefvader die hem ertoe aanzette om ‘een vent’ te worden en dat kon door achter een vuilniswagen te lopen. Paré-Poupaert volgde de raad op, betaalde er zijn studie sociologie mee en liet het vuilnisophalen nooit meer los.
Simon Paré-Poupaert, een Canadese journalist, beschrijft hoe het leven eruitziet lopende achter een vuilniswagen terwijl hij ondertussen zijn blik richt op de samenleving én op de afval producerende mens, de mens die zich niet altijd van zijn beste kant laat zien terwijl de vuilniswagen passeert. De rotzooi die achterblijft na het produceren, kopen en consumeren, daar willen we zo snel mogelijk vanaf. En liefst zo proper mogelijk. Heel af toe is er eens wat ‘waardering voor het werk waar gewoonlijk op wordt neergekeken’.
De auteur schetst op liefdevolle wijze zijn collega’s en brengt de verschillende karakters tot leven. Hij besteedt aandacht aan hen, hij ‘ziet’ ze. Een klim op de sociale ladder is voor hen uitgesloten, ’daar in de krochten van de samenleving valt weinig te verliezen’. Terwijl hij hen met veel sympathie beschrijft, levert hij ook maatschappijkritiek. Die is tweeërlei. Vuilnisfirma’s nemen tegenwoordig managers aan die grof geld betalen voor een mooie website en smetteloze kantoren. Ondertussen proberen ze hun zeer diverse vuilnismannen in het gareel te houden, aldus Paré-Poupaert. In Quebec, waar de auteur meeloopt achter de vuilniswagen, ontmoet hij hen en noemt hen ‘verworpenen’, er zitten ex-gevangenen en kleine criminelen tussen. Maar hij staat veel liever aan hun kant dan aan die van ‘de witteboordencriminaliteit van de wereldwijde afvaleconomie’ of die van de reuzenbedrijven met hun controledrang en hun bureaucratie. Meer zelfs, hij houdt van de bewegingsvrijheid die hij nergens anders vindt en koestert dat schaduwgebied waar hij ‘de misfits, de buitenstaanders’ ontmoet, hij noemt hen ‘zijn vrienden’.
Ten tweede kan het niet anders dan dat het onderwerp van het boek, afval, ruimschoots aan bod komt. De auteur focust zich erop in de vijf hoofdstukken met als titel: ‘Mededelingen van het huisvuil’. Als lezer krijg je een confronterende blik op wat wij als gezamenlijke consumenten aan afval produceren en hoe we bijvoorbeeld in de illusie leven dat ons ijverig gesorteerd plastic hergebruikt wordt.
Paré-Poupaert vraagt met zijn boek respect voor de vuilnisman en geeft voorbeelden van hoe het niet moet. De nette burger die zijn eigen terrein proper wil zien, gedraagt zich niet altijd zo correct tegenover de ophaler die hem van zijn rotzooi komt bevrijden.
Hier en daar heb je soms het gevoel dat je een roman leest, het stilistische is veelal niet ver weg. Onderweg is de auteur bovendien ‘freeganist’ geworden, hij beschrijft het als ‘een filosofische, ethische, economische en politieke houding’ om te leven van alles wat de consumptiemaatschappij weggooit. Hij richtte zijn eerste huis in met de afdankertjes die hij onderweg tegenkwam. Freeganisme staat voor het respect voor de materie, aldus Paré-Poupaert.
Afvalophaling is topsport, en bij blessures doen ze verder, in tegenstelling tot echte topsporters. Wanneer het toch eens tot een staking komt, ligt het afval dagen te stinken in de straten. Dan wordt duidelijk hoe belangrijk ze zijn. De auteur stelt zich voor dat alle beroepen die noodzakelijk zijn meer (financiële) waardering zouden krijgen. ‘Zou de samenleving in een existentiële crisis belanden door een staking van de opiniemakers?’ (p.121) In afwachting stelt hij voor om de vuilnisophaler beleefd te bejegenen, hen te ‘zien’, en hen al eens te bedanken. In tegenstelling tot ons afval dat ogenschijnlijk onzichtbaar wordt nadat het van onze stoep is verdwenen, is de afvalophaler niet onzichtbaar. Hen amper een blik waardig keuren, dat is niet correct. Paré-Poupaert schrijft het al in het begin van zijn tof boek dat niets zoveel pijn doet als een gebrek aan respect. In Canada ging zijn boek al 50.000 keer over de toonbank. Hopelijk hebben de vuilnismannen daar effectief iets van gemerkt.
Sophia De Wolf
Vertaald door Joris Vermeulen