3 november 2026
Geesten van het heden. Het denken van Theodor Adorno, Susan Sontag, Michel Foucault en Paul Feyerabend (1948-1984)
De Duitse filosoof Wolfram Eilenberger bracht in ‘Het tijdperk van de tovenaars’ en ‘Het vuur van de vrijheid’ telkens vier denkers samen. In ‘Geesten van het heden’ doet hij dat een derde keer, met de Frankfurtse filosoof Theodor Adorno, de Amerikaanse essayiste Susan Sontag, de Franse denker Michel Foucault en de Oostenrijkse wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend.
Na de motto’s opent Eilenberger zijn boek met een korte scène onder de drietalige titel ‘Eerste opslag / Premier Service / First Serve’. Op de avond van 10 juni 1984 staan de Tsjechische tennisser Ivan Lendl en de Amerikaan John McEnroe in Parijs tegenover elkaar in de finale van de French Open, en in de beslissende vijfde set heeft Lendl bij 6-5 en 40-30 een matchbal. Eilenberger geeft toe dat hij McEnroe graag had zien winnen. Lendl won die finale, en twee weken later overleed Foucault in dezelfde stad. Mogelijk wil hij met die ene matchbal het beslissende moment oproepen waarop zijn personages alles op het spel zetten. Ook zijn sympathie voor de onstuimige McEnroe past bij de weerbarstige denkers die hij daarna portretteert.
Het eigenlijke verhaal laat Eilenberger kort na de Tweede Wereldoorlog beginnen. Adorno keert dan als Joodse balling uit de Verenigde Staten terug naar Frankfurt, waar hij de maatschappijkritische denkrichting van de Kritische Theorie nieuw leven wil inblazen. Feyerabend probeert in Wenen opnieuw te beginnen, nadat hij als soldaat van de Wehrmacht aan het oostfront had gevochten. De zestienjarige Sontag gaat in Californië op bezoek bij de Duitse romancier Thomas Mann, terwijl de jonge Foucault in Parijs met zijn studies en met zichzelf overhoop ligt.
In de inhoudsopgave lees ik dat Eilenberger het boek in vijf delen verdeelt, elk rond een kort tijdvak: 1948-1950, 1957-1958, mei 1968, 1969 en ten slotte 1984. Tussen die momentopnamen liggen telkens jaren zonder eigen deel, de hele periode van 1970 tot 1983 incluis. Binnen die delen wisselt hij in meer dan tweehonderd korte paragrafen voortdurend van denker en van stad. Zo reis ik in enkele bladzijden van Frankfurt naar Berkeley, Stockholm of Tunis. Voor de titels van die paragrafen put hij uit vier talen, en soms leent hij ze bij popsongs als ‘Stop making sense’ en ‘Anarchy in the UK’.
Ruim een derde van het boek, de delen over mei 1968 en over 1969, wijdt Eilenberger aan de jaren van de studentenopstanden. Foucault staat dan in Vincennes op de barricaden, terwijl Adorno in Frankfurt de woede van zijn eigen studenten ondergaat, kort voor zijn dood in 1969.
Wat mij in dit boek zeker aanspreekt, is de existentiële dimensie die Eilenberger aan het denken toekent. Adorno moet na de oorlog leven en doceren in het land dat hem had verdreven, en Feyerabend draagt de herinnering mee aan een oorlog waarin hij aan de verkeerde kant vocht. In zijn slotbeschouwing beschrijft Eilenberger het filosofische zoeken van alle vier als een tocht uit een gevoel van existentiële verlorenheid en benauwdheid (p. 435).
In datzelfde besluit verantwoordt Eilenberger zijn keuze. Alle vier keerden zich volgens hem af van de filosofie zoals die na de oorlog aan de universiteiten in vaste scholen werd ondergebracht, en geen van hen stichtte zelf een school of bouwde een systeem (p. 435). Wat hen verbindt, noemt hij een leven in de geest van de Verlichting. Hij verwijst daarbij naar de Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant. Die omschreef de Verlichting in 1784 als het moment waarop de mens zijn zelfverschuldigde onmondigheid achter zich laat. Als oud-student van de Vlaamse filosoof Leopold Flam hoor ik daarin een echo van diens opstel De heterodoxie uit 1966. Flam schrijft daar: ‘Alleen in het anders-denken begint het denken’ (Zelfvervreemding en zelfzijn, Wereldbibliotheek, p. 205).
Eilenberger zegt ook uitdrukkelijk dat hij geen volledigheid nastreeft, niet in de levens van zijn personages en evenmin in hun werk (p. 436). Op het te verwachten verwijt dat hij iets over het hoofd heeft gezien, antwoordt hij bij voorbaat volmondig ja. Uit een labyrint, zo schrijft hij, raak je niet door elke haag bij te knippen en elk blaadje om te keren.
Met 1984 als eindpunt laat Eilenberger bovendien veel ongezegd. Feyerabend leefde nog tien jaar en Sontag zelfs twintig. Zij keerde in Kijken naar andermans leed uit 2003 terug naar de vraag hoe we naar beelden van oorlog en geweld kijken.
Wat Eilenberger aflevert, is naar mijn aanvoelen een lappendeken met serieuze gaten. Elke lap afzonderlijk heeft kleur en tekening, maar hij heeft ze eerder naast elkaar gelegd dan aan elkaar genaaid. Hij besluit zijn boek met de aansporing ‘Houd moed!’ (p. 437). Wie in dit boek naar de samenhang zoekt, zou er nochtans zowaar de moed bij verliezen.
Toch houd ik het op een nobele poging, ook al weet ik na de laatste bladzijde nog altijd niet of deze vier ooit door één deur zouden kunnen. Bezint eer gij begint, zou ik de lezers willen meegeven: lees misschien eerst het besluit vanaf p. 433, en pas daarna het begin. Na Eilenbergers portretten krijg ik vooral zin om de teksten zelf ter hand te nemen. Wie Kants oproep tot mondigheid ernstig neemt, laat zich ook door deze gids niet bij de hand leiden en grijpt daarna best naar Sontags Tegen interpretatie of naar Adorno’s Minima moralia.
Benny Madalijns
Oorspronkelijke titel: Geister der Gegenwart (Klett-Cotta 2024)
Vertaald door Wil Hansen
Vertaald door Wil Hansen