Judith Vanistendael
Victor De Raeymaeker
fictie
  • 267 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

Waardering

26 oktober 2022 Atan van Kea. Een Cycladische leerschool.
De Bronzen Adhemar is toegekend aan Judith Vanistendael. Verwonderlijk dat het zo lang heeft moeten duren vooraleer dat ze eindelijk eens een prijs kreeg, als je het lijstje van de strips bekijkt die ze tekende in de 15 jaar dat ze met verbazende energie en talent aan het tekenen van strips bezig is.
Het tweeluik De maagd en de neger (2007-2009) waar ze letterlijk de stripwereld mee binnen barstte. Toen David zijn stem verloor (2012) dat pakkend haar talent en sociale betrokkenheid bevestigde, (waarvoor ze wel de Eisner Awards en de Fauves in Angoulême kreeg, maar geen prijs). Dan kwam Mikel waarvoor ze een nieuwe techniek wilde gebruiken, kleurpotloden als werkmiddel koos en er haar arm quasi mee buiten werking stelde. Daarna moest ze op een ander werkmiddel overschakelen en dat werd penseel en aquarel waarmee ze het merkwaardige Penelope (2019) tekende-schilderde. Werk waarvoor ze zeker een prijs zou gekregen hebben als ze maar een man was, vind ze… Dan kreeg ze vorig jaar toch de tweejaarlijkse Willy Vandersteenprijs voor het prachtige De Walvisbibliotheek.
Daarna keerde blijkbaar het getij. Ze was ze de eerste vrouw die uitgenodigd werd om deel te nemen aan de stripreeks van Futuropolis in het Louvre en waarvan het resultaat dit boekje Atan van Kea is, dat vorige week verscheen. Dat hield in dat ze tijdens de lockdown rondgeleid werd in een leeg Louvre en op zoek mocht gaan naar een kunstwerk, zaal, stroming… die haar zou inspireren tot een stripverhaal waarna ze met een speciale pas zo dikwijls naar het Louvre kon gaan als ze wou. Wat haar in haar zoektocht uiteindelijk trof waren kleine, witte, eigenaardige beeldjes die er primitief uitzagen en toch Grieks-klassiek aandeden, gemaakt op een Grieks eilandje van de Cycladen, Kea, in een cultuurperiode 5000 jaar oud.
Die beelden, die tijdsperiode, dat eilandje en Griekenland waren de verbeeldingsgrond waarop Atan plots rondliep. Het verhaal van Atan is eenvoudig, zonder “spannende” cliffhanger momenten, zonder vaart, problematiek of mysterie. De magie ervan zit hem ergens anders.
Atan speelt met klei. Het is een stille jongen die niet veel zegt en zo opgaat in het maken van figuurtjes met die klei dat hij wel eens vergeet “zich nuttig te maken”. Uit die klei tovert hij mooie beeldjes. Hij weet hoe figuurtjes eruit zien want hij kreeg een overgeërfd “marmerhart” dat eerst de ogen kreeg van zijn overgrootmoeder. Dat marmerhart is een klein, wit, vrouwelijk, marmeren beeldje dat kan meegedragen worden, of thuis in een niche geplaatst waar de “eigenaar” er mee kan praten, raad vragen, naar luisteren. Ze mogen op niemand lijken want iedereen moet ze kunnen gebruiken.
Het zijn beeldjes die ergens in een atelier in serie (niet uit klei maar uit spierwitte marmer) met de hand en na veel schuur- en klop werk gemaakt worden en waarvan blijkbaar traditiegetrouw iedereen er eentje bezit.
Atan heeft al zijn eigen idee en gevoel over waar deze beeldjes moeten aan voldoen en hij ziet bijvoorbeeld dat de rug van dat ene  beeldje nog niet de juiste spanning heeft en dat een ander mooie horens heeft. Hij neemt er eentje mee naar de pottenbakkers om het mee in de oven te laten bakken. Die bewonderen het: “Net alsof het leeft.” “Hoe bedenkt hij het?”  “Straks springt het weg.” Meer mensen zien die beeldjes. Het is duidelijk: “Jij hebt gouden handen.”
Zoals dat hoort in hun dorp, als er een moeilijke beslissing dient genomen te worden, gaan vader en moeder en hijzelf eerst praten met de wijze van de gemeenschap, de oude Sara, “Die kan in de nacht kijken”. Die heeft hem op de wereld geholpen en hem zijn naam gegeven.
Ze zegt aan zijn ouders dat hij zijn gave moet leren gebruiken en delen en niet laten verpieteren. Ze geeft hem een marmeren vrouwtje “die wordt jouw marmerhart”, met de ogen van zijn betovergrotmoeder. Hij moet naar Naxos, een eilandje dat drie eilanden verder ligt en waar de marmeren “hartjes” gemaakt worden in het atelier van de befaamde (beruchte) meester Dario.
In een roeibootje gaat hij met zijn opa op weg, met het vooruitzicht van minstens een proefjaar verblijf, als meester Dario hem als leerling wil aannemen. Die kijkt erg kritisch naar een beeldje dat Atan maakte. “Je hebt lef. Maar je stem dringt zich teveel op. Daar moeten we aan werken.” Door die commentaar weet hij dat hij kan blijven, maar zal moeten werken en doen wat de meester zegt. “Hard en geconcentreerd.” Samen met een andere jongen begint zijn leertijd.
Dario geeft hem in de loop van zijn opleiding belangrijke stukjes raad. Raad die deugd doet om te lezen, want hij is degelijk, van nog in de tijd van de Griekse klassieke traditie, zoals “Je blik is de eerste leermeester. Dan komen je handen. En dan pas kom ik. Alles begint met de verhoudingen. Die moeten in harmonie zijn. De beste vorm daarvoor is de cirkel.” Atan leert cirkels maken met prikpunt, touwtje en potlood aan het uiteinde, zoals we allemaal op school leerden. We gebruikten toen dus een truc, 5000 jaar oud, zonder dat we het beseften.

“Je verbinden met het geheel in harmonie.”
“Met steen kan je in gesprek gaan. Wat wil de steen zijn en wat wil jij dat de steen wordt.
“Gebruik je handen om te luisteren.”
“We zijn op zoek naar de orde en de regelmaat die in alle dingen verborgen zitten.”
“Alles begint met de verhoudingen. Die moeten in harmonie zijn.”
Hij leert kleuren maken met mortier, vijzel en pigmenten die gebonden moeten worden. “Blauw is gemaakt met azuriet, gebonden met ei.  Rood met vermiljoen gebonden met olie.”
Hij leert gebroken stukken aan elkaar kleven met een natte, leren veter. (Ik vraag me af of dat echt werkt…)
Hij leert het soort steen kiezen. Die stenen gaan zijn maat en hijzelf gewoon oprapen in de heuvels. Daar liggen er genoeg. Bij iedere steen die ze vinden, kijken ze wat er in zit, welke figuur aanwezig is. Wat een beetje in contrast is met wat de meester vraagt. Wat zie je al in de steen, waarna er eigenlijk niets anders uit gemaakt wordt dan het witte vrouwenbeeldje. Ogen blauw, mond-lippen rood, streepjes op de wang.

Dan volgen weken en weken en weken van schuren en kloppen, steen tegen steen.
Stiekem maakt hij toch een varkentje: “Jij bestaat immers ook uit cirkels.” Na maanden zegt meester Dario: “Je bent klaar om aan een levensgroot marmerhart te beginnen.”
Atan zoekt en vindt een grote steen. “Deze steen is het”, zegt hij.
Meester Dario houdt ook dit keer de strenge regels van het beeldhouwen in marmer nog eens voor: “Zo, op zoek naar een ziel.”  en “Het is een steen. Probeer het niet van vlees en bloed te maken.”
Alhoewel hij later wel toont dat hij de aandrang van Atan om realistische beelden, of toch minstens levensechte beelden, te maken en niet de verbruiksartikelen die van hem verwacht worden, zeer  goed begrijpt. Ook zijn “muze houdt van variatie”, verklaart hij. Hij neemt Atan  mee naar zijn eigen vertrekken en uit een houten brandkast haalt hij een schat aan  beeldjes. “Onaards mooi.” Die komen vanuit het verre verre Noorden en van over de ganse wereld. Hier schiet de nonchalante stijl van Judith Vanistendael wel wat te kort. Deze beeldjes zouden inderdaad mooi moeten zijn en schoonheid tonen. Wat niet het geval is.
De laatste raadgevingen die meester Dario meegeeft: “En vergeet niet dat het een steen is. Sculptuur uit steen moet eruitzien als steen, nog eens: hard geconcentreerd.” Zoals Henry Moore het later zal zeggen.
Hij werkt noest, klopt, schuurt, twijfelt dat het niet goed al zijn. De schrik als meester Dario een eerste keer komt  controleren. “De spanning in de vorm niet verliezen,” zegt die enkel.
Een volgende keer: Je bent goed gestart. Je toont inzicht.
En eindelijk: “Mooi werk, jongeman.” En dan de verlossende zin: “Jij bent klaar om aan een levensgroot marmerhart te beginnen.”
Hij wast ze “weer mooi wit”, schildert oog blauw, en mond en lippen rood en dan de 3 strepen op de wang die beduiden: het leven.
Het verhaal draait dus vooral rond het leren, het hart-beeldje, werken, marmer, steen, ontdekken, werken… Er gebeurt nog wel  meer. Er is een feest met harp en stem als instrumenten; er wordt natuurlijk gedanst. Hij kust een onbekend meisje dat volgende dag weg is, maar het alles overwegend thema is kunst, de regels van het werken, de stiel leren.
Wat deze strip (dat is eigenlijk niet het juiste woord voor een boekje dat eigenlijk een kunstwerk is) zo bijzonder maakt, zijn al de ingrediënten die daar voor nodig zijn, en die Judith Vanistendael op een haar bijzondere en eigen manier beheerst.
Gebaren zijn stuk voor stuk zo nadrukkelijk juist. Bijvoorbeeld het uitpakken van iets dat in een rugzak zit. Hoe die afnemen, open doen, er induiken, iets naar boven halen, het touwtje losmaken. Dat touwtje hoe smakelijk getekend en wat erin zit met beide rillende handen vasthouden. Dansen, werken met klei en met marmer, een heuvel opstappen, slaperig op de rand van de matras, het torsen van een zware steen, harp en fluit spelen.

Kleur: Geen enkele felle kleur en ook weer zo juist gedoseerd en raak. Het schemerduister ‘s avonds als ze aankomen bij de oude Sara is die van een avond buiten na een warme, zonnige dag. De schemer binnenkamers is er één die magie bevat en voorspelling. Zonder het effect te vergeten waardoor het wit randje van Sara’s kous nog witter is.

Dieren: Enkel het zwarte hondje is al een aparte herlezing van de strip waard…

Tekst: Vertrouwde, alledaagse taal maar die drijft op een stevige laag verhaalkleur.

Geen enkel strikt bladschema. Zeker geen kadertjes-op -rij van de gewone strip. Geen eenvormig formaat. De grootte van de tekening hangt af van de bedoeling. Kom je mee van kortbij kijken? Een close-up om dat te tonen. Een reeks handelingen naast elkaar, zodat je mee kan werken aan dat beeldje dat Atan boetseert. Een dubbele pagina: grote uitbundigheid. Een landschap.

De tekeningen. Het plezier van het tekenen druipt er af. Niets is hard of stijf. Veel is zelfs slordig en niet “af” maar eerder schetsmatig, net alsof het “nu” nog aan het groeien is onder de hand van de tekenaar. De charme van het bijna rommelige.
Die deugd ervaar je ook in de vele prettige, kleine details zoals die beeldjes die overal rondslingeren en die in zich ook weer grappige details tonen. Het smakelijke van de kleine “kijk”: een eindje touw, stro, kruiken, een houten emmer, versiering op een kleien pot, penseeltjes, pluim, stokjes als werktuigen bij het schilderen, de tastbaar druipende verf, een bankje, druiven, de blaadjes aan struiken en bomen, een blauwe zee met rechte horizon. De enige rechte lijn in het boek waar misschien zelfs een tekenlat voor gebruikt zou kunnen. Takjes om het kookvuur brandend te houden, een mes op een laag houten tafeltje, een hangend, brandend olielampje, oude bomen met dikke, gebogen stammen.
Daar stopt het verhaal van de jonge Atan. 
Hij is nu grootvader van een kleindochtertje dat al met klei speelt en ook beeldhouwer wil worden. Een laatste beeld van een zee met ondergaande zon aan de horizon en Atan en kleindochtertje die ernaar kijken vanop het balkon en kleindochtertje die vraagt: “Opa Atan? Weet jij wat er achter de zee ligt?”
Het doet deugd, dit boek te “zien” en te lezen. Het heeft iets feestelijks. De blijdschap van het ontdekken, van het maken, de deugd van het hard werken, kloppen en schaven, uren lang, dagen lang, weken, maanden. Honderden beeldjes maken, allemaal gelijk, allemaal witte hartjes, een stiel leren. “Goed” worden in je vak, je ambacht. Het ontdekken van de onvervreemdbare kern, je talent. En ontdekken wat je met je talent kan doen. Het plezier van het scheppen. Het zien van wat er werkelijk is. In een steen, maar ook overal rondom je. Maken, scheppen, de schoonheid, het mooie, de spanning van het scheppen.
Je vraagt je wel af in hoeverre wat je ziet ook ergens historisch juist is. Sommige 5000 jaar oude voorwerpen, gebruiksartikelen, meubels, vertrekken, doen zo erg hedendaags aan…

Gelukkig weet men zo heel weinig over dit eiland en deze oude cultuur – er zijn ook geen teksten of opschriften teruggevonden -  dat Judith Vanistendael met tamelijk gerust hart beroep heeft kunnen doen op haar intuïtie, aangevuld door haar artistieke feeling en verbeelding.

Een schat van een boekje, ook als voorwerp  aangenaam in de hand en waar je na lectuur en kijken blijer en rijker achterblijft, met misschien zelfs een melodietje van naklinkende verwondering.

Victor De Raeymaeker
Judith Vanistendael
Victor De Raeymaeker
fictie
-
_Victor De Raeymaeker - Recensent
Meer van Victor De Raeymaeker

_Van zelfde auteur

_Nieuwste recensies

Bekijk alle nieuwe recensies