Kwintessens
Geschreven door Ann De Buck en Lieven Pauwels
  • 722 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

16 december 2025 Robert L. Trivers (°1943) – Portret van een briljant en onconventioneel evolutionair denker. De mens achter de wetenschap (deel 2)
In het tweede deel van dit artikel verschuift de aandacht van de theorieën naar de mens achter de wetenschap. Robert Trivers is niet alleen een briljant denker, maar ook een eigenzinnige en onstuimige persoonlijkheid, iemand die, zeker in zijn jongere jaren (hij is nu 82) even intens leeft als nadenkt over het leven.
In het voorwoord van zijn autobiografie Wild Life: Adventures of an Evolutionary Biologist (2015) geeft hij dat spanningsveld treffend weer: voor een wetenschapper is er altijd het evenwicht tussen 'het leven bestuderen en het leven zelf’. De verleiding is groot om enkel te studeren en nauwelijks nog te leven, schrijft hij, want wetenschap lokt je in een wereld van boeken, theorieën en eindeloos lezen. Hij schetst het droogkomische beeld van twee biologen die elkaar in de donkere kelders van Harvards Museum of Comparative Zoology ontmoeten, ‘tussen rijen specimens, in lange, duistere gangen’ en daar, voor één wilde seconde, zowel wetenschappelijk als sociaal contact beleven. Hij zal verder kevers bestuderen, zij muggen. 'Geen competitie, alleen complementariteit.’
Maar dat soort leven trok hem niet aan. Trivers beschouwde zichzelf van nature als een 'outbreeder’: iemand die nieuwsgierig is naar het onbekende, die zich niet beperkt tot veilige of conventionele paden, en die juist zoekt naar nieuwe ervaringen. Opgegroeid in een diplomatengezin, gewend aan reizen, talen en ontmoetingen met mensen uit andere culturen, paste dit avontuurlijke karakter perfect bij zijn manier van leven en werken. Waar veel collega’s zich in steriele laboratoria verschansen, zocht Trivers het veld op, letterlijk. Evolutionaire biologie bood hem 'de juiste soort buitenlandse reis’: niet naar Europa, maar naar de tropen, het platteland, het wilde. In Jamaica vond hij een tweede thuis, een plek die voor hem evenzeer een intellectuele thuis werd als de evolutionaire biologie zelf. Daar combineerde hij intens veldwerk, wetenschappelijke inzichten en persoonlijke avonturen, soms met gevaar voor eigen leven. Hij vertelt bijvoorbeeld over een gewapende overval die hij meemaakte. Aanvankelijk had hij er geen idee van hoe gewelddadig de samenleving in Jamaica werkelijk was en nog steeds is.
Trivers’ politieke en maatschappelijke betrokkenheid waren ongebruikelijk voor een Harvard-academicus. Hij had nauwe contacten met Huey Newton en de Black Panther Party en uitte scherpe kritiek op de Amerikaanse politiek, waaronder de Vietnamoorlog. Zijn veldwerk bracht hem vaak in gevaarlijke situaties, van bijna van kliffen afrijden op afgelegen wegen tot tijd doorbrengen in een Jamaicaanse gevangenis. Tegelijkertijd had hij een stormachtig privéleven: het gebruik van marihuana, romantische relaties in Jamaica en vriendschappen met invloedrijke figuren. Hij schrijft er openhartig over in zijn autobiografie. 
_Sociale gevoelige kwesties
Dat Trivers sociaal gevoelige kwesties nooit uit de weg is gegaan, blijkt uit zijn interactie met de eerste academische feministen. In de jaren ’60 werkte hij aan zijn theorie over ouderlijke investering en introduceerde wat hij zelf noemde een 'seks-blind’ variabele: een geslachtsneutrale maatstaf om objectief te analyseren hoeveel elk geslacht bijdraagt aan het verzorgen en overleven van nakomelingen. Vanuit deze analyse ontstond zijn idee van een vrouwelijke dominantie in de natuur (female bias in nature), omdat leven, in zijn definitie van een repliceerbare biologische vorm, aanvankelijk vooral 'vrouwelijk’ was en mannen pas relatief recent op het evolutionaire toneel zijn verschenen. Trivers concludeerde dat mannen vergeleken met vrouwen daarom niet helemaal aan hetzelfde niveau kunnen tippen.
Hij dacht aanvankelijk een bondgenoot te hebben gevonden in de eerste golf van academische feministen, die net als hij een vrouwelijk georiënteerd wereldbeeld hadden. In werkelijkheid zagen sommigen hem echter als een vertegenwoordiger van genetisch determinisme. Zijn redenering over natuurlijke selectie, waarbij evolutionaire veranderingen voortkomen uit genen die hun frequentie in de populatie veranderen, werd door deze feministen opgevat als biologisch deterministisch. Later beschreef Trivers hoe naïef hij eerst was geweest en besloot hij zich niet langer actief met feminisme bezig te houden. Gelukkig zijn er ook feministen, zoals Griet Vandermassen, die zijn werk waarderen.
Een andere sociaal gevoelige kwestie die Trivers vanuit evolutionair standpunt onderzocht, is homoseksualiteit, een onderwerp dat hij meer dan vier decennia bestudeerde. Toen Hamiltons inclusieve fitnesstheorie verscheen, stelde deze dat het niet alleen gaat om je eigen reproductief succes: je bent even nauw verwant aan je broers en zussen als aan je eigen kinderen. In theorie zou een gen dat de overleving van je broers en zussen meer bevordert dan die van je eigen kinderen zich kunnen verspreiden, zelfs als het je eigen reproductief succes beperkt. Sommige onderzoekers zagen hierin een verklaring voor homoseksualiteit: het was altruïsme ten voordele van verwanten (kin-directed altruism). Trivers nuanceerde dit meteen vanuit zijn eigen ervaring in San Francisco, destijds de hoofdstad van (openlijk) gay America. Hij vond die verklaring zeer onwaarschijnlijk en formuleerde het, tijdens een lezing, droogjes als volgt: 'De Western Union-kantoren zitten op vrijdag niet vol met homoseksuele mannen die geld naar Iowa sturen om hun familie te helpen – er gaat geen geld naar Iowa!’ 
Vanuit zijn ervaringen in Californië in de jaren zeventig en tachtig, toen San Francisco uitgroeide tot het centrum van de homobeweging in de VS, observeerde Trivers bepaalde patronen onder homoseksuele mannen. Volgens hem vielen toen vooral twee levensstijlen op. De eerste was gebaseerd op een exuberante nachtelijke cultuur van feesten, seks en kortstondige relaties zonder reproductieve investeringen, wat volgens Trivers middelen opslokte die anders aan familie besteed hadden kunnen worden. De tweede betrof koppels van twee mannen die samenwoonden, meestal uit de middenklasse, zonder kinderen maar met een stabiel en comfortabel leven. In beide gevallen kon kin-directed altruism volgens Trivers niet verklaren wat er evolutionair gebeurde: seksuele voorkeur leek in dit opzicht te interfereren met familiegerichte altruïstische genen.
Later werkte hij samen met de Australische geneticus David Haig aan onderzoek naar mogelijke genetische componenten van dit complexe fenomeen, waaronder de vermeende rol van het Xq28-gen. Zoals onder meer Rudy Van Giel eerder toelichtte, blijft dit onderwerp tot op vandaag onderwerp van debat: hedendaags onderzoek nuanceert eerdere conclusies en benadrukt dat seksuele oriëntatie het resultaat is van een complex samenspel van genetische, hormonale en sociale factoren.
Nog een controversiële stelling van Trivers betreft het fenomeen van eermoorden (honor killings) in relatie tot religieuze culturele contexten (bij moslims en hindoes dus wel een cultureel evolutionaire component). Vanuit een evolutionair-genetisch perspectief ziet hij eerwraak niet enkel als een cultureel verschijnsel, maar ook als een strategie om genetische belangen in patrilineaire samenlevingen te beschermen. 
In vele culturen worden dochters uitgehuwelijkt aan mannen binnen de vaderlijke familie (bijvoorbeeld een neef langs vaderskant), zodat afstamming binnen de vaderlijke lijn blijft en ouders een hoger genetisch rendement op hun dochters behalen. Met andere woorden, de kinderen van hun dochters dragen nog steeds deels het genetische materiaal van de vaderlijke lijn. Wanneer een dochter een seksuele relatie aangaat met een man van buiten de vaderlijke lijn, bedreigt dat deze strategie; verlies van eer betekent in evolutionaire termen verlies van genetisch voordeel. Dit kan leiden tot extreme sancties, waaronder in sommige gevallen het doden van volwassen dochters (soms ook zonen), een schijnbare paradox: hoe kan een ouder die zoveel jaren in een kind investeerde, het leven van dat kind beëindigen?
Voor Trivers biedt deze paradox een belangrijke casus om zijn evolutionaire theorieën te toetsen en te verfijnen. Hij ziet hierin een illustratie van hoe diep evolutionaire belangen en culturele normen met elkaar verstrengeld zijn. Tegelijkertijd benadrukt hij een bredere wetenschappelijke houding: iedere theoreticus behoort zich te interesseren in fenomenen die zijn theorie lijken tegen te spreken. Juist die tegenstrijdigheden scherpen het denken en maken theorieën robuuster. Hij maakt duidelijk dat het voor een theoreticus geen kwestie van gemak of comfort is, maar een verplichting om ook de meest ongemakkelijke fenomenen te onderzoeken. In meerdere interviews heeft Trivers aangekondigd dat hij een boek over het fenomeen van eermoorden wilde schrijven, maar tot op heden is dat nooit verschenen. Of dit komt door de controversiële aard van het onderwerp, is niet zeker.
_Wetenschappelijke controverse
Zijn onafhankelijke en controversiële houding leverden hem ook bakken kritiek op in de academische wereld. Binnen de evolutiebiologie waren sommige collega’s sceptisch over zijn radicale ideeën, zoals het Trivers–Willard effect. Dit effect voorspelt dat ouders hun investeringen in nakomelingen aanpassen op basis van hun verwachte reproductieve opbrengst, maar het is complexer dan vaak wordt voorgesteld. Trivers maakte onderscheid tussen effecten op de sekseratio bij geboorte (primary seks ratio) en effecten op de mate van ouderlijke investering na de geboorte (secondary investment), en wijst erop dat omgevingsfactoren deze effecten moduleren. De controverse rond dit effect is zowel wetenschappelijk als ideologisch. Wetenschappelijk gezien is het lastig te testen bij mensen, omdat culturele, sociale en economische omstandigheden de sekseratio en ouderlijke investeringen sterk beïnvloeden. Hierdoor zijn de empirische resultaten vaak wisselend en blijft het een verhit onderwerp van debat. Ideologisch roept het effect soms bittere weerstand op omdat het kan worden geïnterpreteerd als biologisch deterministisch of discriminerend, terwijl Trivers het uitsluitend vanuit een evolutionair-theoretisch perspectief bedoelde en een evolutionair perspectief is vooral dynamisch en niet statisch. 
Interdisciplinair botste hij ook met sociologen en andere sociale wetenschappers, die zijn benadering vaak te reductionistisch vonden. Trivers sprak zelf denigrerend over deze disciplines: "hoe socialer de discipline, hoe meer ze achterblijft in haar ontwikkeling.” Die uitspraak komt uit zijn boek The Folly of Fools (2011), waarin hij de neiging tot zelfbedrog bij mensen analyseert. Volgens Trivers zijn psychologie, sociologie, antropologie en economie kwetsbaar voor misleiding en zelfbedrog, omdat ze volgens hem te vaak het individu negeren en functies op een hoger niveau interpreteren, bijvoorbeeld de samenleving in plaats van het individu.
Hij ergerde zich vaak aan de sociale wetenschappen, die hij te beschrijvend, ideologisch gekleurd en weinig theoretisch vond. Hij bekritiseerde hun verwarrende jargon. Zo vond hij termen als pro-social behavior en antisocial behavior verwarrend: een handeling die anderen helpt kan tegelijk conflict veroorzaken, terwijl een eenzame kluizenaar als antisociaal kan worden bestempeld, hoewel hij niemand kwaad doet. Voor Trivers maken zulke vage categorieën het onmogelijk om gedrag logisch en wetenschappelijk te analyseren. Zijn fascinatie ligt bij de effecten van gedrag op het reproductief succes van individuen; interne motivatie is voor hem een secundair probleem. Hij blijft pleiten voor een functionele, evolutionaire benadering: gedrag moet worden begrepen binnen een coherent, biologisch kader, waarin elke handeling een betekenisvolle rol speelt in de context van natuurlijke selectie en reproductief succes. Ook in recentere interviews blijft hij misprijzende uitspraken doen over de sociale wetenschappen. 
Als sociale wetenschappers voelen we ons niet direct geviseerd door zijn uitspraken, omdat we van oordeel zijn dat een integrale benadering ruimte biedt voor wat we eerder beschreven als de vier vragen van Tinbergen en daar hoort de evolutionaire benadering eenvoudigweg bij. Daarnaast is er evenveel ruimte voor ecologie en biopsychosociale en culturele ontwikkeling. Controversieel of niet, zijn ideeën en theorieën lagen wel aan de basis van de evolutionaire psychologie en evolutionaire sociologie. In hedendaags onderzoek, ook in ons eigen werk, blijkt dat evolutionaire kaders zinvol kunnen worden geïntegreerd in sociaalwetenschappelijke vraagstukken en dat evolutionaire inzichten verrijkend kunnen zijn.
_Terugblik en huidige werk
Terugkijkend op zijn eigen leven benadrukte Trivers dat hij vaak impulsief en zonder zelfreflectie handelde. Beslissingen zoals het verlaten van Harvard in 1978 nam hij zonder grondige afwegingen, en zijn keuze voor de Universiteit van California in Santa Cruz leidde tot een scheiding en gemiste kansen.
Op hoge leeftijd (hij is nu 82 jaar) blijft Trivers actief in de wetenschap. Hij woont nog steeds in Jamaica en leidt daar het Jamaican Symmetry Project, gestart in 1996, dat onderzoekt hoe lichamelijke symmetrie samenhangt met fysieke prestaties. Zijn bevindingen tonen dat symmetrie bij achtjarige kinderen sterk correleert met latere prestaties, waardoor vroege metingen verrassend voorspellend zijn. Het project wordt nog steeds uitgevoerd samen met andere onderzoekers. Naast veldwerk schrijft Trivers review-artikelen over soortenselectie en probeert hij de theoretische logica achter evolutie verder uit te werken.
Wat Trivers’ werk zo waardevol maakt, is niet alleen zijn theoretische nalatenschap, maar ook zijn voorbeeld als wetenschapper: durf te observeren, kritisch te denken en open te staan voor fenomenen die je theorie uitdagen. Hij laat zien dat wetenschap het meest verrijkend wordt wanneer persoonlijke ervaringen, veldwerk en theoretische nieuwsgierigheid samenkomen. Harde leermeesters, zoals Ernst Mayr, dwingen intellectuele grenzen te verleggen, en de confrontatie met onverwachte of tegenstrijdige data verdiept het begrip. Trivers’ leven en werk zijn een inspiratie voor wie bereid is de eigen hypothesen en overtuigingen kritisch te onderzoeken, dwars te denken, vertrouwde kaders te bevragen en moeilijke vraagstukken niet uit de weg te gaan. Een houding die ook in deze tijd waardevol blijft.x
Lees hier deel 1.

Kwintessens
Ann De Buck is doctor-assistente aan de Universiteit Gent. Haar onderzoek focust op de rol van morele emoties in de verklaring van antisociale gedragskeuzes. Lieven Pauwels doceert onder meer biologische antropologie en criminaliteitspreventie aan de Universiteit Gent.
_Ann De Buck en Lieven Pauwels Auteur
Meer van Ann De Buck en Lieven Pauwels

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws