Kwintessens
Geschreven door Patrick De Reyck
  • 66 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

30 januari 2026 AI als pharmakon
In de mythe van Theuth en koning Thamus – beschreven in Plato’s 'Phaedrus' – presenteert Theuth het schrift als een uitvinding die het geheugen en de wijsheid zal versterken. Thamus antwoordt dat het schrift precies het tegendeel zal doen: het zal mensen afhankelijk maken van externe tekens, en hun interne herinnering en begrip verzwakken. In dat gesprek gebruikt Plato (via Socrates) het woord 'φάρμακον' ('pharmakon') om het schrift te karakteriseren. En dat woord is fundamenteel dubbelzinnig: medicijn én vergif, remedie én toxine, hulpmiddel én bedreiging.
Socrates stond wantrouwig tegenover het geschreven woord. Via Plato laat hij het schrift bekritiseren als een techniek, een herinneringssteun (hypomnēsis) die het geheugen verzwakt, begrip simuleert zonder het werkelijk te dragen in het levende geheugen en in theoretische en praktische wijsheid (mnēmē, sophia, phronēsis), en zich niet kan verdedigen tegen misinterpretatie. Een tekst kan geen vragen beantwoorden, geen correctie aanbrengen, geen contextgevoelige afstemming realiseren. Tekst fixeert uitspraken en verbreekt de levende feedbacklus waarin denken zich normaal ontwikkelt.
Het gevaar is niet onwetendheid, maar pseudo- of schijnwijsheid (zonder waarheid), door het beschikken over proposities zonder het vermogen ze in dialoog te verantwoorden, of in een modern-functionele formulering, ze te toetsen of functioneel toe te passen. Socrates wantrouwt in zijn denken vermeende sophia wanneer ze losstaat van zelfonderzoek, morele reflectie en verantwoording. Ook phronēsis veronderstelt epistēmē — verantwoord inzicht, werkelijk weten — en kan slechts duurzaam bestaan binnen de vorm van dialoog en levende toetsing.
Jacques Derrida (1930-2004) grijpt in La pharmacie de Platon (1972) terug op het begrip pharmakon om te tonen dat Plato's tekst zichzelf ondergraaft. Voor Derrida is betekenis altijd al 'schriftachtig': iterabel, losmaakbaar van intentie en herhaalbaar in steeds nieuwe contexten, waardoor oorspronkelijke betekenis nooit volledig kan worden gefixeerd. Die gedachte formuleerde hij eerder al in zijn bekendste werk, De la grammatologie (1967), met de beroemde stelling: il n'y a pas de hors-texte. Betekenis is nooit onmiddellijk aanwezig, maar ontstaat steeds binnen netwerken van verwijzingen en interpretatie; zij is onvermijdelijk discursief en contextueel bepaald, ook in het gesproken woord. In die zin berust het logocentrisme van Socrates (en Plato) volgens Derrida op een fundamentele misvatting. Waar Socrates het schrift wantrouwt vanuit een epistemisch en pedagogisch perspectief – omdat het betekenis zou fixeren en onttrekken aan levende toetsing – verschuift Derrida het probleem naar een ontologisch niveau: betekenis is principieel nooit volledig te fixeren. Meer nog: Derrida problematiseert niet enkel semantische betekenis, maar de metafysica van aanwezigheid zelf. Voor hem bestaat er überhaupt geen stabiele, onmiddellijk aanwezige betekenis; betekenis is altijd uitgesteld (différance), altijd verweven met verschil, herhaling en contextverschuiving.
Die kritiek is opmerkelijk actueel, zij het vandaag vooral met betrekking tot cognitieve functionaliteit, en niet zozeer tot betekenis – en tevens bij Socrates: wijsheid en inzicht. Waar beiden het probleem analyseren vanuit de instabiliteit van betekenis en interpretatie, is de hedendaagse problematiek verschoven naar de stabiliteit en betrouwbaarheid van deze functionele cognitiviteit. Het gaat niet langer primair om de vraag hoe betekenis zich fixeert, maar om hoe kennisverwerving en kennisproductie functioneel controleerbaar blijven binnen steeds verder geëxternaliseerde denkprocessen. Derrida analyseert de ontologische instabiliteit van betekenis; epistemische en normatieve functionaliteit vormen echter een andere orde van vraagstelling. Cognitiewetenschappers wijzen erop dat betekenis niet uitsluitend ontstaat in teksten of symbolische systemen, maar in sensorimotorische interactie, dynamische terugkoppeling, voorspellende bijsturing, biologische constraints en omgevingsverankering – waarbij empirische toetsing kan worden begrepen als een systematische vorm van stabiliserende omgevingsinterventie en feedback. Betekenis kan daarom principieel instabiel zijn op representatieniveau, terwijl cognitieve functionaliteit – relevant voor kennisverwerving en waarheidsvinding – toch stabiel kan blijven op functioneel niveau. Die stabiliteit is geen eigenschap van symbolen, maar van systemen. Bovendien: als elke tekst zichzelf ondergraaft, waar situeert zich dan nog het locus van epistemische aansprakelijkheid voor waarheid, correctie en gevolg? John Searle, Habermas en vele analytische filosofen hebben deze vraag herhaaldelijk opgeworpen.
Het antwoord zou kunnen zijn dat er intern locus van epistemische aansprakelijkheid is in teksten of betekenisstructuren – maar dat wordt functioneel weerlegd door het feit dat cognitieve praktijken effectief werken.
De cognitieve praktijk is al lang geen louter intern proces meer – misschien is het dat nooit geweest. Men denke aan taal en aan de eerste werktuigen: al sinds de oudheid denken en argumenteren mensen met externe dragers. Het schrift, later boeken en bibliotheken, vervolgens digitale netwerken en zoekmachines, en vandaag artificiële intelligentie vormen telkens nieuwe lagen van cognitieve externalisering. Elke nieuwe cognitieve technologie wekte aanvankelijk wantrouwen – precies omdat zij het evenwicht tussen intern begrip en externe ondersteuning verschuift. Wat ooit gold voor schrijven, gold later voor de boekdrukkunst, daarna voor het internet, en vandaag voor AI: telkens opnieuw rijst de vraag of men nog werkelijk denkt, of slechts reproduceert wat elders, al dan niet correct, is opgeslagen.
Daarmee hangt ook de klassieke zorg samen: als iedereen kan lezen, opvragen en interpreteren, wie bewaakt dan de juistheid, de hermeneutiek en de normatieve kaders? Ik ben nog juist oud genoeg om katholieke missen in het Latijn te hebben moeten doorworstelen. Het waren toen de pastoors vanaf de kansel en de onderwijzers voor de klas die ons de 'gewijde geschiedenis' uitlegden. Priesterlijke interpretatie en catechese fungeerden daarbij als institutionele waarborgen voor juistheid en hermeneutiek.
Mijn eigen gebruik van AI situeert zich expliciet in het socratische, dialectische spanningsveld. Ik gebruik ChatGPT niet louter als opzoekinstrument. Mijn werkwijze is als volgt: ik schrijf eerst een tekst op basis van persoonlijke kennis, heuristieken en inspiratie, aangevuld met gericht opzoekwerk. ChatGPT leest die tekst na en formuleert vervolgens reacties in de vorm van aanpassingen, alternatieve pistes en invalshoeken, en soms ook kritische vragen. Daarop reageer ik opnieuw met bedenkingen, correcties en bijkomende vragen. Het gaat, met andere woorden, om een afstemmingsproces dat strikte monitoring en voldoende basiskennis vereist, om te vermijden dat het ontspoort in weliswaar elegante, maar ongefundeerde speculatie. De interne cognitieve dialoog wordt zo uitgebreid met AI, alsof er een chip in mijn hoofd werd ingeplant: een cognitieve prothese, naast die van schrijven, rekenen, diagrammen, ezelsbruggen en andere heuristieken.
Belangrijk hierbij is dat men AI – in dit geval ChatGPT – niet laat pleasen. Streng zijn, ook voor zichzelf, is de boodschap: de epistemische kwaliteit moet bewaakt blijven, net zoals dat ook binnen de zuiver interne dialoog het geval zou moeten zijn (voor zover die überhaupt bestaat). Zonder die discipline neemt welklinkende speculatie al snel de vorm aan van schijnbaar plausibele nonsens. De sunk cost-denkfout ligt dan op de loer: al die geïnvesteerde energie, inspanning, tijd en vermeende wijsheid maken het moeilijk om een eenmaal ingeslagen denkspoor los te laten. Killing your darlings is pijnlijk.
Net zoals het gedrukte boek en het internet moet ook AI ingebed blijven in een actief kritisch proces waarin argumenten worden getest, herzien en gedragen door interne én gedeelde cognitieve competenties. Ook boeken en databanken fungeren daarbij niet louter als passieve geheugenextensies: zij stellen vragen – of beter, zij zetten ons ertoe aan zelf vragen te stellen.
Het verschil is dat AI dit nu doet als een operationele medeagent binnen het denkproces. AI formuleert vragen, tegenvoorstellen en kritiek, suggereert alternatieve inferenties en herordent conceptuele structuren. Het denkt creatief mee. Het begrijpt.
Precies dit punt maakt de socratische kritiek – geherformuleerd binnen de context van cognitieve functionaliteit – ambivalent. Enerzijds lijkt AI het kernprobleem van Socrates' kritiek op het schrift, namelijk het ontbreken van dialogische feedback, juist op te heffen. Waar teksten zwijgen, antwoordt AI. Waar een boek zich niet kan verdedigen tegen misinterpretatie, kan een model corrigeren, nuanceren en doorvragen. In die zin herintroduceert AI iets wat dicht aanleunt bij de levende dialectiek die Socrates centraal stelde en in het schrift miste.
Plato was zich hiervan bewust. Zijn dialogen zijn geen dogmatische traktaten, maar dramatisch opgebouwd, open, vaak aporetisch, uitnodigend tot meedenken en tegenspreken, en expliciet onvolledig. Men zou kunnen zeggen dat Plato het dialogische karakter van het denken zo getrouw mogelijk trachtte te articuleren binnen de beperkingen van het schrift.
Anderzijds gaat cognitieve extensivering gepaard met spanningen. Een van de vroegste zorgen bij het gebruik van het internet betrof aandacht en cognitieve fragmentatie. Met de opkomst van zoekmachines ontstond een nieuw probleem: externe geheugenverplaatsing en wat men soms epistemische luiheid noemt, ook wel aangeduid als transactive memory – het geheugen wordt gedistribueerd over systemen. Dat blijft in essentie klassieke extended cognition, maar met een mogelijk bijkomend risico: minder interne consolidatie, zwakkere conceptuele integratie en een grotere afhankelijkheid van toegang en infrastructuur. In die zin echoot opnieuw Socrates' oude vrees: opslag zou internalisatie verdringen.
Die afhankelijkheid is onmiskenbaar reëel. Over de andere effecten ben ik minder overtuigd. Mijn eigen cognitieve praktijk illustreert dat. Mijn biologisch geheugen is vrij beperkt – som tien objecten op en ik zal er hoogstens drie of vier onthouden – maar daartegenover staat een vrij robuuste interne cognitieve architectuur: een door opleiding en studie, met op gezette tijden de nodige dril, geïnternaliseerd skelet van inhoud, concepten, methoden en argumentatieve vaardigheden. Die stelt mij in staat niet alleen te navigeren in een extern kennislandschap – dat was al langer het geval – maar inmiddels ook te interageren met een extern operationeel intellect dat actief meedenkt.
Worden mijn cognitieve competenties daardoor gedeeltelijk geatrofieerd? Mij lijkt veeleer het tegendeel het geval: niet verschraling, maar herconfiguratie van competenties; geen decadentie, maar een verdere herordening van mijn cognitieve ecologie.
Het geheugen – of wat daarvoor doorgaat – functioneert daarbij steeds minder als opslag en steeds meer als een netwerk van pointers binnen een dynamische datastructuur, met automatisch gelinkte lijsten, bomen en grafen, gekoppeld aan de inferentiële capaciteiten van AI. Wat ik ooit gelezen heb en onmogelijk nog letterlijk zou kunnen reproduceren, of zelfs nog bewust paraat zou hebben, wordt opnieuw geactiveerd, getriggerd door de wisselwerking tussen interne en externe dialoog.
Andy Clark en David Chalmers stellen in hun artikel The Extended Mind (1998):
'Wanneer we geconfronteerd worden met een bepaalde taak en een deel van de wereld functioneert als een proces dat — indien het zich in het hoofd zou afspelen — we zonder aarzelen zouden erkennen als onderdeel van het cognitieve proces, dan is dat deel van de wereld (zo beweren wij) onderdeel van het cognitieve proces.' (het gelijkheidsprincipe: geen discriminatie op basis van locatie)
Zij formuleren daarvoor pragmatische criteria. Een extern element telt als cognitief wanneer het betrouwbaar beschikbaar is (always-on access), automatisch wordt geraadpleegd zonder expliciete deliberatie, functioneel geïntegreerd is in probleemoplossing – vandaag ook met inferentiegeneratie – transparant is in gebruik, vergelijkbaar wordt met een lichaamsdeel, en epistemisch betrouwbaar functioneert binnen het systeem.
Sterker nog, in het verlengde van Daniel Dennetts denken: intelligentie is competentie zonder mystiek; begrip is operationeel; agency is emergente functionaliteit, en bewustzijn is irrelevant voor verklaring ('Consciousness explains nothing; it is what needs explaining.’)
Het pharmakon blijft dubbelzinnig: versterking en kwetsbaarheid zijn onafscheidelijk. Bijwerkingen zijn onvermijdelijk. Dit vraagt om een bijsluiter, die ik hieronder toevoeg.
_Bijsluiter – Artificiële intelligentie (ChatGPT)
Werkzame stof: probabilistisch taalmodel met grootschalige statistische inferentie
Farmacologische klasse: cognitieve prothese / epistemisch hulpmiddel
Toedieningsvorm: tekstuele interactie (dialoog)
Aflevering: zonder voorschrift, maar niet zonder verantwoordelijkheid

1. Wat is ChatGPT en waarvoor wordt het gebruikt?
ChatGPT is een systeem dat patronen in taal, kennis en redeneringen statistisch reconstrueert en productief kan combineren. Het toont begrip, argumentatie en creativiteit zonder bewustzijn.
ChatGPT wordt gebruikt voor:
  • het opzoeken van informatie
  • het structureren van ideeën
  • het verkennen van alternatieve hypothesen
  • het synthetiseren van informatie
  • conceptuele herformulering
  • versnellen van schrijf- en denkprocessen
  • genereren van tegenargumenten en perspectiefwissels.
ChatGPT fungeert als extended cognition: een externe cognitieve module die het interne denkproces kan verrijken, maar niet vervangen.
2. Wanneer mag u ChatGPT niet gebruiken? (contra-indicaties)
Gebruik ChatGPT niet als:
  • ultieme autoriteit of waarheidsgenerator
  • vervanging van eigen oordeelsvorming
  • excuus voor epistemische luiheid
  • substituut voor domeinkennis
  • bron van morele of normatieve legitimatie
  • automatische factchecker zonder verificatie.
Bij gebrek aan kritische monitoring verhoogt deze AI de kans op:
  • confabulatie
  • schijnbare plausibiliteit zonder waarheid
  • conceptuele vervuiling
  • circulair redeneren
  • bevestigingsbias
  • narratieve overschatting van coherentie.
3. Hoe gebruikt u ChatGPT correct? (dosering en gebruik)
Aanbevolen gebruik:
  • Stel scherpe, expliciete vragen.
  • Vraag om explicitering van aannames.
  • Laat alternatieve verklaringen genereren.
  • Forceer formele precisie waar mogelijk.
  • Controleer claims extern.
  • Gebruik de AI iteratief, niet lineair.
  • Beschouw output als hypothese, niet als resultaat.
  • Verifieer gepresenteerde referenties.
  • Schakel pleasen uit.
Maximale effectiviteit wanneer menselijke conceptuele controle dominant blijft.
4. Mogelijke bijwerkingen
Vaak voorkomend:
  • overwaardering van stilistische coherentie
  • verleiding tot intellectuele gemakzucht
  • onbewuste verschuiving van auteurschap
  • inflatie van terminologie
  • illusie van begrip.
Soms:
  • epistemische afhankelijkheid
  • afhankelijkheidsgevoel
  • verschuiving van kritisch eigenaarschap
  • neiging tot conceptuele inflatie
  • verminderd onderscheid tussen exploratie en bewijs
  • reputatieschade bij onzorgvuldig gebruik.
Zelden maar ernstig:
  • structurele zelfmisleiding
  • pseudo-expertise
  • ideologische versterking door framing
  • overdosering.
Bij langdurig ongecontroleerd gebruik kan cognitieve autonomie afnemen.
5. Interacties met andere middelen
Versterkt door:
  • domeinkennis
  • formele modellen
  • wiskundige discipline
  • filosofische en wetenschappelijke training
  • bronkritiek.
Verzwakt door:
  • tijdsdruk
  • emotionele betrokkenheid
  • ideologische vooringenomenheid
  • intellectuele luiheid
  • oppervlakkige leescultuur
  • gebrek aan verificatiepraktijk
  • delegeren en outsourcing: verarmen de dialogische structuur en verschuiven epistemische verantwoordelijkheid.
6. Waarschuwingen en voorzorgen
ChatGPT 
  • werkt enkel met waarschijnlijkheid, niet met waarheid
  • heeft an sich geen epistemische verantwoordelijkheid
  • optimaliseert in het beste geval plausibiliteit, niet validiteit
  • kan inconsistenties verhullen door stijl.
Gebruik steeds met:
  • conceptuele discipline
  • verificatieplicht
  • kritische distantie.
7. Overdosering
Symptomen:
  • eigen stem vervaagt
  • te snelle productiviteit zonder inhoudelijke verdieping
  • afnemende foutdetectie
  • meermaals alles laten herschrijven.
Behandeling:
  • tijdelijk stoppen
  • terug naar primaire bronnen
  • eigen redenering expliciteren
  • heropbouw van cognitieve autonomie.
8. Houdbaarheid en opslag
  • Bewaar alleen wat u zelf begrijpt en kunt verantwoorden.
  • Zoals alle output kan ook die van ChatGPT verouderen.
9. Bij twijfel
Raadpleeg:
  • uw eigen verstand
  • een andere AI (niet van harte)
  • primaire literatuur
  • formele modellen
  • empirische gegevens.
Kwintessens
Patrick De Reyck is een gepensioneerde leerkracht wiskunde en wetenschappen, met als opleidingen fysica en wijsbegeerte.
_Patrick De Reyck -
Meer van Patrick De Reyck

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws