Het Vrije Woord
Geschreven door Johan Swinnen
  • 65 keer bekeken
  • minuten leestijd
  • Reacties

2 april 2026 Panorama van Aotearoa #10: Hobbiton, of hoe een valse boom echte wortels krijgt
‘Ik was in Hobbiton’, en misschien is dat precies het soort zin waarvoor een ernstig mens zich een fractie van een seconde schaamt – alsof hij ongevraagd in een scenario van Studio 100 is beland.
Want Hobbiton is natuurlijk geen dorp. Het is een decor, een geconstrueerde herinnering, een geregisseerde illusie in het glooiende Waikato-landschap. En toch zou het goedkoop zijn om daar smalend over te doen, zoals men op recepties graag smalend doet over alles wat te veel volk trekt en dus per definitie verdacht moet zijn. Wat men hier heeft gebouwd, is meer dan toerisme. Het is een pelgrimage voor mensen die niet meer goed weten waarin zij nog geloven, maar wel nog altijd bereid zijn ver te reizen voor iets wat hen even minder verloren doet voelen.
En ver is hier echt ver.
U neemt er, laten we eerlijk zijn, met enig masochisme bijna dertig uur reistijd bij, plus een jetlag van twaalf uur die uw lichaam eerst beleefd en daarna agressief laat weten dat het ergens anders thuishoort. Tegen de tijd dat u aankomt, weet u niet meer of het ontbijt, avondmaal of een existentiële vergissing is. Maar goed: dan bent u ook wel weg. Weg van het Europese klimaat van onrust, van het permanente geruis van crisis, conflict, dreiging en overspannen commentaar, en van de vermoeiende geopolitieke draaitol die sinds Trump alleen maar sneller lijkt te tollen. Niet dat de wereld hier plots gered is. Zo kinderachtig ben ik nu ook weer niet. Maar u zit wel, voor even, in een ander ritme, een andere schaal, een andere lichtval. En soms is dat al genoeg om weer iets helderder te zien. Al kan ik het intussen niet laten om hier, ergens rond vier uur in de namiddag, toch even de Vlaamse kranten op mijn iPad te openen, om te zien wat er in de Lage Landen weer suddert, sist of zichzelf belangrijk zit te maken.
En dan moet het eigenlijke werk nog beginnen: niet het kijken, maar het voorbereid worden op wat u geacht wordt te zullen zien. Dat begint al in de shuttle. U stapt in als sceptische bezoeker, met nog wat ironie in de broekzak, en op het scherm begint meteen de catechismus van de plek: Peter Jackson, Ian Alexander, de schapenboerderij, de heuvels, het beslissende ogenblik waarop iemand begreep dat dit geen gewone weide meer was maar potentieel. Men vervoert u niet alleen; men kadert uw blik. Men leert u kijken nog voor u iets hebt gezien.
Ik merkte het ook bij mezelf. Mijn Zweedse camera lag eerst nog rustig in de hand, als een gehoorzaam werktuig. Maar op zulke plekken houdt een toestel op een toestel te zijn. Dan wordt het een verlengstuk van begeerte, een kleine lichtmachine met een eigen wil. Dan neemt zij het van u over. Dan hoort u haar bijna fluisteren: daar, nu die lijn, nu dat licht, nu die schaduw, nu die ronde deur waardoor u, als volwassen mens, toch weer heel even gelooft dat Bilbo elk moment met thee en cake naar buiten komt.
Dat is de macht van cinema.
Film heeft in de moderne wereld discreet maar doeltreffend een aantal functies overgenomen die vroeger bij religie, volksverhalen en nationale geschiedenis lagen. Zij doet dat ook stukken eleganter. Geen catechismus, maar beelden. Geen doctrine, maar sfeer. Geen geloofsbelijdenis, maar een universum waarin de mens zichzelf herkent zonder eerst een formulier te moeten invullen. Tolkien werd door Jackson niet verfilmd als louter avontuur, maar als morele cartografie: thuis, vertrek, plicht, vriendschap, verlies, volharding, terugkeer. Dat zijn nog altijd de hoofdstukken waarin een mensenleven zich afspeelt, ook al leeft men vandaag graag in de fictie dat alles herleidbaar is tot opinies, posities, data en algoritmes. Alsof een mens zichzelf beter begrijpt sinds hij permanent meetbaar, profileerbaar en op afroep verontwaardigd is.
Ik herinner mij nog goed dat ik Tolkien las op internaat in Bokrijk en dacht: dit is onverfilmbaar. Niet omdat het te groot was, maar omdat het te innerlijk was. Omdat het niet zomaar een verhaal vertelde, maar een wereld liet ademen. Omdat die bladzijden vol stonden met ritme, genealogie, landschappelijke traagheid, morele resonantie en die zeldzame tijdsdiepte die zich niet gewillig laat omzetten in beelden zonder dat er onderweg iets kostbaars sneuvelt. Sommige literatuur leeft nu eenmaal niet van plot, maar van densiteit. Niet van actie, maar van atmosfeer. Een veldslag filmen kan men nog. Een wereldbeeld verbeelden: daar begint doorgaans de ellende.
En toch is dat hier, in Nieuw-Zeeland, in hoge mate gelukt. Niet zonder verlies, uiteraard. Kunst zonder verlies bestaat alleen in subsidieaanvragen, persmappen en andere genres waarin men professioneel optimistisch moet liegen. Maar wel overtuigend genoeg om miljoenen mensen het gevoel te geven dat zij Midden-aarde niet alleen hebben gezien, maar er bijna zelf hebben rondgelopen. Film, wanneer zij op haar best is, illustreert niet. Zij herschept.
Opmerkelijk genoeg stopt die lijn bij Jackson niet bij Tolkien. Via Spielberg kwam hij ook terecht bij The Adventures of Tintin: The Secret of the Unicorn uit 2011. Ik geef toe: als Belg vond ik dat een aangename, zij het ietwat surrealistische omweg naar huis – van Midden-aarde naar onze kuifdragende reporter en zijn schepper Hergé, aan wie ik als kind zelfs ooit nog eens een hand heb mogen geven, op een schip in Walcheren. Maar de onderliggende vraag bleef exact dezelfde: hoe zet men een universum met een eigen lijn, ritme en mentale ruimte om naar film zonder het te reduceren tot bewegende plaatjes? Niet door het eerbiedig na te tekenen, maar door het opnieuw uit te vinden. Niet illustreren dus, maar herscheppen.
En intussen staat in Wellington, op een heuvel boven Miramar – de kustwijk op het schiereiland waar ook Weta en een flink deel van de Nieuw-Zeelandse filmindustrie huizen – een groot bord dat nadrukkelijk op Hollywood wil lijken. Eerst was er zelfs het lumineuze plan om ‘Wellywood’ te maken. Dat bleek gelukkig te gênant. Uiteindelijk werd het ‘Wellington Blown Away’, met letters die half wegwaaien in de wind. Een kopie dus, maar dan met lokale meteorologie als schaamlap. Ik moest daar hard om lachen. Niet uit dedain. Eerder uit herkenning. Zo werkt cultuur vaak: eerst imiteren, dan aanpassen, dan doen alsof het altijd al eigen was.
Nieuw-Zeeland bleek voor Tolkien het ideale toneel. Niet alleen omdat het mooi is, maar omdat het nog ruimte heeft – geografisch, zeker, maar vooral in de verbeelding. Het landschap is er nog niet overal dichtgeregeld door lintbebouwing, hekken en verkavelingsdrift. Er blijft iets open, iets waarin projectie mogelijk blijft. Jackson filmde dus niet zomaar een land; hij activeerde een sluimerend decor van het mythische.
Precies daarom is Hobbiton zo interessant. Het is erfgoed van fictie: niet van wat ooit was, maar van wat verzonnen werd en daarna echte werking kreeg. Men bewaart er geen ruïne, kerk of slagveld, maar een verbeelding van eenvoud, geborgenheid en morele helderheid. En dat gebeurt met een ernst en zorg waarvan heel wat echte dorpen alleen maar kunnen dromen.
Daar komt natuurlijk economie bij. Forse economie. Men kijkt hier niet alleen naar de mythe; men circuleert erin. De façades volstaan niet meer; men heeft intussen ook interieurs op Bagshot Row geopend, zodat de bezoeker niet alleen buiten mag dromen, maar ook binnen mag geloven. En ja, ik bewonder dat. Kritiek is alleen geloofwaardig wanneer men durft toegeven dat iets werkt. Hobbiton werkt. Niet ondanks zijn kunstmatigheid, maar dankzij de precisie waarmee die wordt georganiseerd. Zelfs de Green Dragon aan het einde van de tour is geen bijzaak, maar onderdeel van het ritueel – het best draaiende café van heel Nieuw-Zeeland, als men ziet hoeveel duizenden bezoekers hier dagelijks met voorbeeldige overgave hun pint of gemberbier aanvaarden. Romantiek is hier geen alternatief voor logistiek. Romantiek ís logistiek.
En dan is er natuurlijk Ian Alexander zelf. Ook dat verhaal verdient aandacht. De boer bleef niet gewoon de man van wie men ooit een lap grond leende voor een filmopname. De familie Alexander is mee ingestapt in de economie die uit Jacksons verbeelding is voortgekomen. Wat ooit een schapenboerderij was, werd een bijzonder rendabele combinatie van landbouw en toeristische exploitatie, een familiebedrijf waarvan men intussen heel behoorlijk kan leven. Dat heeft iets licht ongemakkelijks, jazeker, maar ook iets verfrissend eerlijks. Men heeft daar niet alleen een mythe verkocht; men heeft er ook gewoon verstandig en degelijk een bestaan op gebouwd. Boeren begrijpen zoiets doorgaans sneller dan cultuurbeleidsmakers. Mijn peter Maurice was boer op de markt in Halen, en tijdens vakanties leerde ik als puber al vroeg dat grond, arbeid en opbrengst samen een eerlijker grammatica vormen dan menig beleidsnota die later mijn pad zou kruisen.
Panorama van Aotearoa #10: Hobbiton, of hoe een valse boom echte wortels krijgt
Het beeld dat mij het meest bijblijft, is de boom boven Bag End. Eerst denkt u: het is maar een boom. Dan kijkt u langer, en merkt u dat hij meer is dan dat. Hij draagt iets vertrouwds in zich, iets bijna huiselijks, alsof hij al jaren ergens in u bestond zonder dat u het wist. En dan verneemt u dat ook deze boom geholpen werd om te worden wat hij voor het oog moest zijn: voor de set kwamen kunstmatige bladeren uit Taiwan, blad voor blad aangebracht, tot het geheel precies dat fragiele evenwicht vond tussen natuur en verbeelding.
Ik vond dat minder storend dan ontroerend. Alsof men hier niet geprobeerd heeft de natuur te vervangen, maar haar een beetje heeft geholpen om in een verhaal te passen. Die boom is niet helemaal echt, dat weet u. Maar wat hij losmaakt, is dat wel. En uiteindelijk is dat misschien wat wij het moeilijkst durven toegeven: dat iets kunstmatigs ons soms oprechter kan raken dan veel wat zich in deze wereld luid als authentiek aandient.
Dat is misschien precies waarom hij mij zo treft. Wij spreken graag over echt en onecht alsof het twee helder gescheiden werelden zijn. Alsof alleen wat vanzelf groeit waarachtig kan zijn. Maar zo leven mensen niet. Wat ons vormt, is bijna altijd gemaakt, verzorgd, doorgegeven. Een tuin ontstaat ook niet vanzelf. Een ritueel wordt bedacht en daarna langzaam bewoond. Een portret is niet alleen gelijkenis, maar ook kadrering, licht en aandacht. Zelfs herinnering is geen zuivere bewaarplaats. Zij is een zachte montage van wat wij konden dragen, van wat wij niet wilden verliezen, van wat wij nodig hadden om onszelf te blijven verstaan.
En dan dacht ik aan Loksbergen.
Niet op een grote of plechtige manier. Eerder zoals een geur ineens iets ouds kan openen. Zoals u ergens ver van huis uit een auto stapt, naar een helling, een boom of een weg kijkt, en plots voelt dat u niet alleen daar bent, maar ook heel even ergens anders, veel vroeger.
Loksbergen bij Halen is voor mij nooit zomaar een dorp geweest. Het was het landschap van mijn eerste blik. Daar heb ik als kind leren zien zonder te weten dat zien ooit een vorm van werk, denken en leven zou worden. Daar waren de velden niet alleen velden, maar ruimtes waarin iets kon gebeuren. Daar hadden bomen nog karakter. Daar droegen huizen, cafés en schuren meer dan een functie; zij droegen toon, sfeer, verhaal.
Ik herinner mij nog hoe ik als jongen langs een veldrand stond, niet eens op weg naar iets bijzonders, en bleef kijken naar hoe de wind over het graan streek. Dat lijkt achteraf een klein beeld, bijna niets. Maar misschien begint precies daar een leven van aandacht: in het moment waarop u voelt dat een landschap niet zwijgt, maar spreekt, al doet het dat zonder woorden.
Ook daar wist men hoe een kleine plek zichzelf groter maakt dan zij is. Cafés heetten Hollywood en Zanzibar, lang voor Bart Kaëll dat laatste nog van extra glans voorzag. Er was Marvana, toen gewoon een naam die erbij hoorde, en nu bijna zelf erfgoed in mijn geheugen. Vandaag heet het De Loxberger en De 12de Oogst. En daartussen leefden verhalen die nooit helemaal feit hoefden te zijn om toch echt te worden: losse handjes, hanengevechten die bleven rondzingen, een wijk die met volstrekte ernst Klein Frankrijk heette, en ergens dat taaie vermoeden dat Caesar er misschien ooit ook nog is gepasseerd. Als kind en zoon van een onderwijzer vraagt men daar geen bewijs voor. Men neemt het op als onderdeel van de lucht.
Er was ook arbeid. Dat vergeet men later vaak, maar een dorp leeft niet van namen alleen. Er was een pannenfabriek, een klompenfabriek, een houtbedrijf, en natuurlijk de boomgaarden, met appelen, peren en perziken. Mensen maakten er dingen. Mensen droegen er iets. Misschien heb ik daar voor het eerst begrepen, zonder het zo te kunnen zeggen, dat een landschap niet alleen bekeken wordt, maar ook gebouwd, onderhouden, bewerkt en verdiend.
En er was geschiedenis, of althans haar schaduw. De Slag der Zilveren Helmen lag daar niet ver vandaan. Honderden paarden sneuvelden er, en de Duitse opmars werd er in de Eerste Wereldoorlog een dag lang tegengehouden. Dat beeld is mij altijd bijgebleven: een veld, helmen, dieren, modder, en daarna de stilte. Alsof onder het gewone van een dorp altijd nog een tweede laag ligt. Iets wat niet meteen zichtbaar is, maar wel voelbaar blijft. Iets dat maakt dat grond nooit zomaar grond is.
Misschien dacht ik daarom in Hobbiton even aan Loksbergen. Niet omdat die plekken op elkaar lijken, maar omdat zij allebei tonen hoe een landschap meer kan zijn dan decor. Hoe een plaats zich vastzet in een mens. Hoe u, zelfs aan de andere kant van de wereld, blijft kijken met ogen die lang geleden gevormd zijn tussen het Hageland, dorpsnamen en verhalen die groter waren dan hun bewijs.
Misschien reizen wij daarom nooit helemaal weg. Omdat elke nieuwe plek, als zij ons echt raakt, ook iets aanraakt van het eerste landschap dat ons heeft leren kijken.
En toen dacht ik, heel even, ook aan Stijn Baron Coninx. Niet omdat hij nu meteen met camera, kraan en catering naar Loksbergen moet trekken, maar omdat het mij opnieuw trof hoe vaak wij in Vlaanderen onze verbeelding elders gaan zoeken, terwijl het materiaal hier al die tijd gewoon onder onze voeten heeft gelegen. Alsof het verre per definitie waardiger zou zijn dan het nabije. Alsof een landschap pas betekenis krijgt wanneer iemand van buitenaf het komt legitimeren.
Ik zou hem dus niet nog eens Tijl Uilenspiegel toewensen, die brave culturele reflex die telkens weer opduikt wanneer Vlaanderen zichzelf een historische borstkas probeert aan te meten. Laat hem liever kijken naar wat kleiner is, en daardoor misschien juist groter. Naar wat dwarser is, lokaler, minder opgepoetst en precies daarom rijker aan leven. Een landschap met cafés die Hollywood en Zanzibar heten. Met Marvana, Klein Frankrijk, losse handjes en hanengevechten in het geheugen. Met dakpannen, hout, klompen en de Zilveren Helmen. Met gewone mensen die, zonder veel drukte, al generaties lang hun eigen mythe bewonen zonder daar eerst een subsidiedossier of een visienota voor nodig te hebben.
Misschien is dat uiteindelijk ook de licht vernederende les van Hobbiton. Dat men daar iets ernstig heeft genomen wat wij hier te vaak achteloos voorbijlopen: de kracht van een plek wanneer verhaal, landschap en economie elkaar niet tegenwerken, maar juist versterken. Men heeft er de fictie niet weggelachen, niet gerelativeerd, niet kapot geanalyseerd voor zij kon ademen. Men heeft haar verzorgd, georganiseerd, bewoond. En precies daardoor werd zij reëel. Niet waar in historische zin, maar werkzaam in culturele zin. Soms is dat meer dan genoeg.
Misschien is dat, alle ironie ten spijt, precies waarom zo’n plek de moeite waard blijft.
Niet omdat wij hobbits willen worden. Ook niet omdat een valse boom beter zou zijn dan een echte. Maar omdat een beschaving die alleen nog commentaar levert en niets meer bouwt, vanbinnen verarmt. Mensen hebben plekken nodig waar verbeelding vorm krijgt. Niet om aan de wereld te ontsnappen, maar om er minder verhard in terug te keren.
Daar staat hij dan: die namaakboom, boven een valse hobbitwoning, in een echt Nieuw-Zeelands landschap. Alles eraan is geconstrueerd. En toch toont hij iets dat waar blijft: dat mensen verzonnen plaatsen nodig hebben om zich even minder verloren te voelen.
Misschien is dat de les van Hobbiton. Niet dat wij ronde deuren nodig hebben, maar dat cultuur pas gewicht krijgt wanneer zij meer durft te zijn dan commentaar achteraf. Wanneer zij bouwt. Wanneer zij haar verhalen niet wegrelativeert, maar vorm geeft. Wanneer zij, desnoods met kunstbladeren uit Taiwan en een stalen skelet, opnieuw een boom maakt waaronder mensen willen blijven staan.
En ja, misschien moet u daar gewoon eens heen. Na dertig uur reizen en met een jetlag die u eerst sloopt en daarna weer op scherp zet. Niet om kind te spelen. Niet om u te laten inpakken door merchandising met heuvels en schapen. Maar om te voelen dat verbeelding geen luxe is, maar een voorwaarde voor beschaving. Een samenleving die alleen nog analyseert, bekritiseert en relativeert, maar niets meer durft te dromen of te bouwen, wordt vroeg of laat hard, schraal en geestelijk arm.
Het Vrije Woord
Kunstexpert
_Johan Swinnen -
Meer van Johan Swinnen

_Recent nieuws

Bekijk alle nieuwe berichten

_Populair nieuws

Bekijk meer populair nieuws