27 april 2026
Trump en de universiteiten
Door het oorlogsgeweld in Iran, Gaza en Oekraïne, de disruptie van de wereldeconomie door de Amerikaanse handelstarieven, het uiteenvallen van traditionele allianties, de ongebreidelde corruptie en zelfverrijking, zou men bijna vergeten dat het Trump-regime doorgaat met nog een andere sloopmissie: het systematisch ondermijnen van de Amerikaanse universiteiten. Trump en zijn administratie hebben het daarbij vooral gemunt op de meest gerenommeerde academische instellingen ter wereld. Dat die gezorgd hebben voor een disproportioneel groot aandeel van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang van de laatste tachtig jaar laat hen daarbij onberoerd. Liefst een derde van alle Nobelprijs-laureaten zijn het product van die zogenaamde Ivy League Plus universiteiten – de Harvards, Yales en Stanfords van deze wereld. Meer dan duizend start-ups zijn ontstaan als rechtstreeks gevolg van wetenschappelijke ontdekkingen in de labo’s van deze universiteiten. Dankzij de symbiose die na Wereldoorlog Twee ontstond tussen academische expertise en overheidsfinanciering, is de VS uitgegroeid tot een wetenschappelijke hegemon, de onbetwiste mondiale leider, een academisch walhalla.
Te beginnen in februari van vorig jaar ontketenden de ministeries van Onderwijs, Justitie en Binnenlandse Veiligheid een ware hetze, waarbij ze miljarden aan subsidies wegritsten van de meest gerenommeerde onderzoeksinstituten. Fundamenteel onderzoek van het hoogste belang inzake bestrijding van kanker, HIV, kindersterfte viel stil van de ene dag op de andere. Longitudinale studies, die al tientallen jaren liepen en belangwekkende bevindingen mogelijk maakten op het gebied van volksgezondheid, werden onderbroken. Onvervangbare databanken gingen verloren. En alles wat niet strookte met de MAGA-ideologie zoals onderzoek rond gender, derdewereldproblematiek, klimaatverstoring of vaccinefficiëntie werd genadeloos gecanceld.
Veel van de getroffen universiteiten sloten ongemakkelijke akkoorden af met de Trump-administratie, en betaalden monsterboetes voor al dan niet vermeende uitingen van antisemitisme of inbreuken op de racismewet. De hoop om hierna gerust te worden gelaten bleek echter ijdel. De administratie kwam steeds aandraven met meer benauwende oekazen. Anderen – in de eerste plaats Harvard University – weigerden gechanteerd te worden en vochten terug langs juridische weg. Op vele vlakken werden ze door de rechters in het gelijk gesteld. Maar Trump en zijn acolieten geven niet op. Ze gaan telkens in beroep of vinden andere wegen om het de universiteiten lastig te maken.
Hoe is het zover kunnen komen? Waarom slacht de Trump-administratie de kip met de gouden eieren? Wat zit er achter die wraakoefening, die stompzinnige daad van zelfsabotage? En waarom is er zo weinig weerstand? Het is niet alsof studenten en docenten massaal op straat komen om hun alma mater te verdedigen. Ook de tegenstanders van Trump onder de bevolking en politici blijven tamelijk onbewogen toezien hoe zijn ministers tekeergaan tegen het hoger onderwijs. Tijdens de massale No Kings protesten wordt de president van alles naar het hoofd geslingerd. Maar zijn aanslag op de academische wereld krijgt nauwelijks aandacht.
Wat is de oorzaak van de huidige malaise? De Amerikaanse topuniversiteiten waren eens de trots van de natie, alom gewaardeerd en geprezen. Waarom blijven ze nu verweesd achter? Waarom herhaalde J.D. Vance al in 2021 de bekende uitlating van Richard Nixon: ‘the professors are the enemy’? Wat is er misgelopen? De universiteiten zijn in een ‘perfect storm’ terechtgekomen. Enerzijds door eigen beleidskeuzes, anderzijds door omstandigheden van buitenaf is hun invloed getaand en kwam hun maatschappelijke positie meer en meer in het gedrang.
_1. Discriminatiemachines
De hoofdreden voor de populistische revolte die over Amerika raast en die Trump aan de macht bracht is een wijdverspreid gevoel van ressentiment onder de bevolking. Vooral de steeds toenemende kloof tussen rijk en arm zorgt voor veel wrevel en opstandigheid. De VS is een kastenmaatschappij geworden, hopeloos verdeeld tussen de ‘haves’ en ‘have-nots’. De vermogenden – de top 10 percent van de inkomenscurve en vooral de puissant rijke bovenste 1 percent – vormen een soort erfelijke geldadel. Binnen die rijke families worden fortuin en andere privileges doorgegeven van generatie tot generatie, terwijl het gros van de bevolking het steeds moeilijker heeft om rond te komen of hogerop te geraken.
In het in stand houden van die klassenmaatschappij spelen de elite universiteiten een cruciale rol. In principe selecteren ze studenten strikt op basis van merite. In de praktijk echter speelt de bankrekening van pa en ma vaak een doorslaggevende rol. Om toegang te krijgen tot die universiteiten, moet men beschikken over zowel riante financiële reserves als aanzienlijk sociaal kapitaal. De astronomische inschrijvingsgelden (in sommige gevallen tot 80.000 dollar per jaar) zijn voor de meerderheid van de bevolking een onoverkomelijke barrière. En hoewel een uitgebreid systeem van studiebeurzen en vrijstellingen ervoor zorgt dat slechts een minderheid van de studenten die ongemeen hoge sommen ten volle betaalt, zijn de toelatingsvoorwaarden zo streng dat in de regel alleen zij die uit een begoed en intellectueel sterk milieu stammen, voor de ingangsproeven slagen. In een artikel met de veelbetekenende titel ‘How the Ivy League Broke America’ verwijst de columnist David Brooks naar onderzoek dat aantoont hoe studenten uit de bovenste 1 percent van de inkomenscurve 77 keer meer kans hebben om toegelaten te worden tot een topuniversiteit in vergelijking met studenten van bescheiden komaf. Veel elite-instellingen trekken meer abituriënten aan uit de top 1 percent van de gezinsinkomens dan uit de laagste 60.
Uit ander onderzoek blijkt dat een verblijf aan een topuniversiteit wel degelijk loont en op die manier de sociale kloof verder uitdiept. In vergelijking met afgestudeerden van de publieke staatsuniversiteiten – ook de meest gerenommeerde – heeft iemand met een Ivy League Plus diploma 50 percent meer kans om een grootverdiener te zijn op zijn of haar drieëndertigste, twee keer meer kans om te worden toegelaten tot doctoraatsstudies aan topinstellingen en drie keer meer kans om werk te vinden bij prestigieuze bedrijven of advocatenbureaus. Na tien jaar is het inkomensverschil tussen de twee soorten afgestudeerden gemiddeld 101.000 dollar.
De elite universiteiten beschouwen het wetenschappelijk werk dat ze verrichten en de excellente vorming die ze hun studenten verschaffen als een dienst aan de gemeenschap. Ze zien zichzelf als instellingen die werken ten bate van het algemeen. Een groot deel van de bevolking denkt daar echter anders over. Meer en meer mensen percipiëren de Ivy League Plus instellingen niet als hefbomen van sociale mobiliteit, maar als discriminatiemachines, broeikassen van de gehate elite die neerkijkt op het gewone volk. Op die manier bepaalt het bredere klassenressentiment ook de wijdverspreide afkeurende houding tegenover de topuniversiteiten, waar de Trump-administratie gretig op inspeelt.
_2. Internationalisering
De laatste decennia nam het aantal internationale studenten aan de Amerikaanse universiteiten exponentieel toe. In het academiejaar 1980-81 bedroeg het aantal buitenlanders 311.882 studenten, zijnde 2,6 percent van de totale studentenpopulatie. In het academiejaar 2024-2025 was dit opgelopen tot 1.177.766 eenheden, zijnde 6,1 percent van de inschrijvingen.
Trump en de universiteiten
De reden voor deze influx is niet ver te zoeken. Buitenlandse studenten zijn een welgekomen bron van inkomsten. Ze genieten minder van beurzen en reducties en betalen dus een hoger inschrijvingsgeld. Die financiële inbreng van een groeiend internationaal contingent wordt meer en meer aangewend door de instellingen om de verminderde overheidssteun aan het hoger onderwijs te compenseren.
Zoals de historicus David A. Bell schreef in een artikel voor de New York Times is de aanwezigheid van internationale studenten op zich een goede zaak. Door de wereldwijde rekrutering stijgt het intellectueel niveau van de studentenpopulatie. Na afstuderen blijven vele internationale studenten in de VS om te werken en op die manier (ook al door hun hoge salarissen) dragen ze bij aan de economie en verhogen ze de productiviteit. Ze scheppen ook vriendschapsbanden tussen de VS en hun land van afkomst en vergroten zo de goodwill tegenover de VS in het buitenland.
Maar er zijn ook grote nadelen, vooral als universiteiten geacht worden de nationale eenheid te consolideren en de sociale mobiliteit te bevorderen. Buitenlanders maken het moeilijker voor Amerikaanse jongeren om een plaats te veroveren aan de streng selectieve topuniversiteiten. En vanwege het hoge collegegeld komen internationale studenten per definitie uit zeer geprivilegieerde milieus. Dat verhoogt het gevoel dat universiteiten speeltuinen zijn van de rijken en de superrijken – sociaal geïsoleerde eilanden van kennisvergaring, die niet zozeer ten dienste staan van de eigen bevolking als van een internationale financiële en sociale toplaag.
_3. DEI
De universiteiten zijn zich terdege bewust van de rol die ze spelen in het doorgeven en bestendigen van overgeërfde rijkdom en privileges. Al jaren proberen ze hun studentenpopulatie te differentiëren door wat ‘affirmative action’ wordt genoemd. Bepaalde quota aan inschrijvingen worden gereserveerd voor raciale en sociale minderheden met de bedoeling het studentenbestand meer inclusief te maken, meer een weerspiegeling van de bevolking als geheel. Maar in een reeks arresten van het Hoger Gerechtshof, waarvan het laatste dateert van 2023, werd dit beleid als discriminerend en ongrondwettelijk bestempeld en om die reden verboden.
Terzelfdertijd werden door de universiteiten initiatieven genomen om ervoor te zorgen dat studenten uit minderheden zich meer thuis voelen binnen de academische context. Dergelijke acties – waaronder gerichte rekrutering van studenten en vooral docenten, sensitiviteitstrainingen, pedagogische seminaries, vieringen van culturele identiteit, lezingenreeksen, bookclubs, enz. – worden gevat onder de naam DEI: diversity, equity and inclusion (diversiteit, gelijke kansen, inclusie).
Goede bedoelingen leiden evenwel niet altijd tot goede resultaten. DEI – op zich een waardevol initiatief – zorgde soms voor wrevel en frustratie. De DEI-programma’s, die op de meeste universiteiten verplicht werden opgelegd aan studenten en personeel, schoten in bepaalde gevallen hun doel voorbij en creëerden meer verdeeldheid en onderlinge spanning dan voorheen.
Een bekend geval van zo’n goedbedoelde mislukking betreft de University of Michigan in Ann Arbor. Op die campus werd, beginnend in 2015, een uitgebreide DEI-systematiek ontwikkeld, die men ook trachtte te exporteren naar andere instellingen. Uit een lang en ophefmakend onderzoeksartikel in de New York Times blijkt echter dat de investering van een kwart miljard dollar die de instelling veil had voor de uitwerking van hun DEI-concept niet het beoogde resultaat opleverde.
Eerst en vooral viel het hele proces ten prooi aan bureaucratisering. DEI werd in Ann Arbor geïntroduceerd met managementtechnieken vanuit de overtuiging dat correcte procedures automatisch het gewenste gedrag genereren. Door de strikte toepassing van die methodologie verwerd DEI echter tot een systeem van niet-aflatende verantwoordingsplicht, eindeloos invullen van vragenlijsten, heel wat ‘window-dressing’, en het aanwerven van een leger van liefst 241 DEI-medewerkers, die meer dan de helft van het beschikbare budget opslorpten.
Daarnaast verhardde DEI tot een opgelegde ideologie, die voor veel wrijving en controverse zorgde en door heel wat professoren gezien werd als een aanslag op de academische vrijheid. Verplichte DEI-verklaringen speelden een belangrijke rol bij aanstellingen en benoemingen. DEI begon ook te wegen op het curriculum – wat er gedoceerd werd en hoe – en zelfs op het getolereerde taalgebruik.
In het algemeen creëerde DEI een toxische atmosfeer vol onderling wantrouwen, overgevoeligheid, beschuldigingen en cancelcultuur. En per batig saldo nam, ondanks de vele inspanningen, het aantal studenten uit de zwarte bevolkingsgroep nauwelijks toe. In december 2024 heeft de University of Michigan dan ook een deel van haar DEI-programma opgedoekt. Hetzelfde gebeurde al eerder, onder andere, aan Harvard en M.I.T.
Dat er vaak iets verkeerd is gelopen met goedbedoelde DEI-initiatieven wordt ook in progressieve kringen toegegeven. Zo citeerde Nicholas Dirks, voormalige rector van de linksgezinde University of Berkeley, de excessen van DEI en ‘woke’ als een van de redenen waarom het academisch establishment zo kwetsbaar is gebleken voor de aanvallen van de Trump-regering. En zelfs Barack Obama maakte een gelijkaardige kritische bedenking toen hij in een rede aan Hamilton College beweerde dat de universiteit een plek moet zijn waar studenten geconfronteerd worden met een diversiteit aan standpunten en waar ze leren hun kritisch vermogen aan te scherpen, niet een plek voor het ventileren van grieven.
Natuurlijk komt de felste kritiek op DEI niet uit progressieve, maar conservatieve hoek. In radicale MAGA-kringen worden de universiteiten en in het bijzonder de elite universiteiten beschreven als broeihaarden van linkse indoctrinatie. De meest recente en lang uitgesponnen diatribe komt van Elise Stefanik, het congreslid dat op 5 december 2023 in een beruchte hoorzitting in het Huis van Afgevaardigden de rectoren van Harvard en de University of Pennsylvania zodanig wist te strikken in hun eigen antwoorden over al dan niet vermeend antisemitisme op de campus dat ze zich genoopt zagen kort nadien ontslag te nemen. In haar boek Poisoned Ivies (2026) – bestempelt Stefanik de Ivy League universiteiten (gemeenzaam de Ivies genoemd) als oorden van radicale linkse ‘groupthink’, waar vrijheid van meningsuiting gesmoord wordt door een cultuur van censuur en ideologisch conformisme.
De waarheid is veel genuanceerder. DEI kende excessen en gaf in sommige gevallen aanleiding tot een verstikkend ideologisch eenheidsdenken. Maar dit is geen algemeen verschijnsel. Op de meeste campussen heerst nog steeds een cultuur van debat en objectieve waarheidsvinding. Professoren staan op hun zelfstandigheid en huldigen een wijde variëteit aan opinies en ideeën. Zo schrijft Meghan O’Rourke, professor Engelse literatuur aan Yale University: ‘While there have been instances of a campus left that was hubristically convinced of its own point of view, the reality for most of us who teach on campus looks nothing like the distorted portrait that the right has painted’. In dezelfde trant schrijft Tressie McMillan Cottom, een zwarte vrouwelijke hoogleraar aan de University of North Carolina School of Information and Library Science: ‘I think we overstate the rampant ideological uniformity in higher education. We take political identification as ideological destiny. There aren’t droves of raging Marxists yelling people down on the college campuses where I spend a lot of my time. And every college campus I am aware of has an economics department or a science department that teaches that Western civilization is the gold standard. Students may not be exposed to the type of political conservatism some pundits prefer. But they have a lot of opportunities to learn from people who disagree with each other’.
Waar het op neerkomt is dat de incidentele gevallen van een onbeholpen en aanmatigende toepassing van DEI als voorwendsels misbruikt worden door de Trump-regering om de waarden zelf van diversiteit, gelijke kansen en inclusie in vraag te stellen en aan te vallen. In verordeningen en decreten, die de Trump-administratie aan de universiteiten oplegt, wordt op de meest cynische manier DEI voorgesteld als een vorm van discriminatie en ongelijkheid, waardoor blanke studenten benadeeld worden ten opzichte van studenten uit etnische, sociale of seksuele minderheidsgroepen. Dat is de wereld op zijn kop. Wat achter de conservatieve aanvallen op DEI schuilgaat, is niet de wil om het speelveld voor iedereen te effenen. De poging om initiatieven ter bevordering van diversiteit, gelijke kansen en inclusie de kop in te drukken stoelen op een radicale weigering om rekening te houden met de historische achterstelling van minderheden en de socio-economische omstandigheden waarin ze zich, als gevolg van die tragische geschiedenis, tegenwoordig bevinden. Een dergelijke onwil en bewuste ongevoeligheid voor sociaal onrecht kunnen niet anders geduid worden dan als een uiting van blank ressentiment, paradoxaal samengaand met blank superioriteitsdenken.
_4. Covid
Naast de selectie-, internationaliserings- en DEI-strategie – allemaal zaken van interne beleidsvoering – zijn er ook externe factoren die recent de positie van de universiteiten in de maatschappij hebben ondermijnd. Covid is er een van. In vele opzichten bewees de wetenschap haar waarde tijdens de pandemie. De tachtigjarige dr. Anthony Fauci, de Amerikaanse tegenhanger van Steven Van Gucht, bezorgde de natie nuttig en verantwoord advies, in tegenstelling tot Trump zelf die vertrouwen stelde in kwakzalverij en op een bepaald ogenblik injecties met bleekwater suggereerde als geneesmiddel tegen de ziekte. Ook de uiteindelijke overwinning op het virus kan geclaimd worden als een triomf van de wetenschap. Op basis van fundamenteel onderzoek in universiteitslabo’s slaagde de farmaceutische industrie er in recordtempo in nieuwe revolutionaire RNA vaccins te ontwikkelen, waardoor honderdduizenden levens werden gered en de ziekte werd bedwongen.
Maar dit is niet hoe het covidbeleid door een significant deel van de Amerikaanse bevolking werd ervaren. Met name de Trump-aanhang wantrouwde de wetenschappelijke richtlijnen omdat die, als gevolg van voortschrijdend inzicht, occasioneel werden aangepast en gewijzigd. De lockdowns en de maskerplicht werden niet beschouwd als maatregelen van onderlinge samenhorigheid of wederzijdse verantwoordelijkheidszin, maar als vormen van machtsmisbruik door de overheid en belemmeringen van persoonlijke vrijheid. In de perceptie van een groot deel van de Amerikanen leverden de wetenschappelijk onderbouwde covidmaatregelen het zoveelste bewijs dat de elite neerkijkt op het gewone volk en hen met opgestoken vingertje de les wil leren. De universiteiten kregen een deel van de schuld. Veelzeggend is het feit dat vóór de pandemie, in 2015, het hoger onderwijs het vertrouwen genoot van 57 percent van de Amerikaanse bevolking. Na de pandemie, in 2023, was dat cijfer gedaald tot 36 percent. Bij de Republikeinse kiezers was het verval nog beduidender. Terwijl in 2015 nog 56 percent van de Republikeinen een positieve kijk hadden op de universiteit als instelling was dat aantal in 2023 gezakt tot onder de 20 percent.
_5. Gaza
De pro-Palestijnse protesten die uitbraken op de campussen na de massale bombardementen op Gaza door het Israëlisch leger werden door rechts gezien als het ultieme bewijs dat de campussen waren overgenomen door een linkse, anti-Amerikaanse en antisemitische ideologie. De onhandige optredens van een aantal universiteitsrectoren tijdens de hoorzitting van 5 december 2023 versterkten nog die indruk. In werkelijkheid was slechts een relatief klein aantal studenten betrokken bij de protesten en bevond de universiteitsleiding zich in een onvermijdelijke lose-lose-situatie. Er was geen mogelijkheid om een perfect evenwicht te vinden tussen de vrijheid van meningsuiting van de protesterende studenten enerzijds en de verplichting om orde op de campus te handhaven en andere studenten, in het bijzonder de Joodse studenten, te beschermen anderzijds. Wat de academische overheden ook beslisten, er was altijd en onontkoombaar een gekrenkte partij.
_6. Autocratie
Ten slotte zijn de universiteiten in het vizier van de regering Trump gekomen omdat ze de vestiging van een autocratie in de weg staan. Dat is de belangrijkste factor die de gecoördineerde sloopmissie schraagt. Alle hogervermelde factoren die de positie van de topuniversiteiten verzwakten, worden door de Trump-administratie aangegrepen als voorwendsels om de institutionele en ideologische belemmeringen op te ruimen op weg naar de totale politieke overheersing. De vernietiging van een onafhankelijk hoger onderwijs is deel van een internationaal autoritair draaiboek, zoals ook de afbouw van een neutrale bureaucratie, de onafhankelijke pers en een onpartijdig rechtssysteem. Niet toevallig zijn universiteiten ook de mond gesnoerd in landen als Rusland, en in mindere mate Turkije, India en het Hongarije van Viktor Orbán.
Het afschaffen van het vrij onderzoek is een essentieel bestanddeel van een autoritaire machtsgreep. De invloedrijke extreemrechtse ideoloog en Trump-fluisteraar Christopher Rufo maakt hier geen geheim van. Uit zijn geschriften blijkt dat de aanval op de elite universiteiten past binnen een uitgekiende strategie om te monopoliseren wat gedacht en gezegd wordt.
Ook de controversiële Amerikaans rassenonderzoeker Nathan Cofnas, die onlangs aangesteld werd aan de Universiteit Gent, heeft een plan uitgewerkt om de universitaire instellingen in te palmen. Hij verschilt scherp van mening met Rufo over de intellectuele grondslagen waarop dit moet gebeuren. Maar hij is het eens met de noodzaak van een rechtse overname van de academische wereld, die volgens hem vergiftigd is door ‘woke’ brainwashing.
De strategieën die door deze rechtse ideologen worden voorgesteld, zijn geenszins gericht op het remediëren van de factoren die de elite universiteiten in recente tijden sociaal en politiek kwetsbaar maakten. Ze hebben niet als doel de toegang te verruimen voor minderheden of studenten met bescheiden middelen, zodat een grotere doorsnede van de eigen bevolking kan genieten van een eersteklasse academische ervaring. Hun plannen zijn evenmin begaan met het in stand houden of herstellen van een gezond intellectueel klimaat zodat de campussen blijven wat ze horen te zijn en in wezen ook altijd geweest zijn: plaatsen van ongehinderde, intellectuele uitwisseling, waar het zware werk van de waarheidsvinding zich voltrekt. Sommige van die extreemrechtse intellectuelen doen zich voor als de witte ridders van het vrij onderzoek. Maar in de feiten plaatsen ze zich buiten de Habermasiaanse publieke sfeer (Öffentlichkeit), waarin met respect voor andermans mening vrijuit gedebatteerd wordt. In hun ideologische Sturm-und-Drang verzaken ze aan de Verlichtingsidealen waarop de Amerikaanse natie is gebouwd en willen ze die vervangen door hun eigen eenzijdige conservatieve pensée unique. Wat ze echt haten aan universiteiten is het feit dat ze verzamelplaatsen zijn van onafhankelijke denkers, waar kritische geesten worden gevormd die zich niet laten misleiden door leugens of verzinsels. De professoren zijn hun vijanden, niet omdat ze indoctrinatie bevorderen, maar omdat ze zich ertegen verzetten.