5 mei 2026
Negende brief van Johan Braeckman aan Hans Van Dyck
Beste Hans
Hartelijk dank voor je zeer inspirerende brief. Die dateert alweer van 18 mei 2025. Het spijt me oprecht dat ik niet eerder reageerde. Het is bizar hoe kort de dagen zijn en hoe snel ze elkaar opvolgen. Nog erger, zoals Seneca al aangaf, is dat we er zoveel van verspillen. Het treft dat we het over de biologie van veroudering hadden, een onderwerp waarover het laatste woord duidelijk nog niet is gezegd. Maar is dat in de wetenschap ooit zo? Vermoedelijk niet, al kunnen we dat niet zeker weten. (En hoe kunnen we ooit weten dat we over iets alles weten wat erover te weten valt?) Het is intrigerend dat meerdere van de grote vragen in de biologie nog niet bevredigend zijn beantwoord. Ik denk onder meer aan die over de oorsprong van het leven, de verklaring van bewustzijn, het raadsel van seksuele voortplanting, en of er leven op andere planeten is. Zelfs wat we precies onder leven moeten verstaan, plaatst ons nog steeds voor problemen.
Zeker, dankzij onze kennis over DNA, RNA, de genetische code, eiwitconstructie etc. begrijpen we al bijzonder veel over het specifieke van het levende. Biologen die zijn geboren na 1953 kunnen zich moeilijk voorstellen hoe raadselachtig voortplanting en erfelijkheid waren, vóór James Watson en Francis Crick de structuur van DNA blootlegden. Jaren geleden las ik het lijvige boek Histoire de la notion de vie (2004), van de Franse wetenschapshistoricus André Pichot. Misschien ken je hem, hij schreef ook boeken over de oorsprong van de wetenschap en over de verhouding tussen biologie en eugenetica. Zijn werk over de geschiedenis van de opvattingen over wat leven is, biologisch gesproken, legt in detail uit hoe de knapste koppen van de voorbije paar duizend jaar erover dachten. Het zal je niet verwonderen dat Aristoteles het er al over had. De bioloog, auteur en documentairemaker Armand Leroi noemt hem in zijn prachtige boek De Lagune (2014) niet voor niets de grondlegger van de biologie. Alle visies die Pichot bespreekt, zijn tegenwoordig achterhaald. Ik ben geneigd om eraan toe te voegen: vanzelfsprekend zijn ze dat. Het overgrote deel van de wetenschappelijke kennis uit het verleden bleek gaandeweg fout te zijn. Soms een beetje, soms totaal. Dit roept zoveel vragen op Hans, dat ik bijna niet weet waar te beginnen. Ik beperk me hier tot één bedenking: kijken we niet te vaak en te snel neer op de wetenschappelijke vergissingen uit het verleden? Ook wat de biologie betreft?
Ik denk onder meer aan Jean-Baptiste de Lamarck (1744-1829). Elke bioloog kent zijn naam. En verder weet men dat hij een dwaze kijk op evolutie had, die Charles Darwin later onderuit haalde. Dat is het zowat. Als men al naar Lamarck verwijst, is het contrasterend, om Darwins theorie uit te leggen. Dit is om meerdere redenen ongelukkig. Lamarck was zonder twijfel een van de grootste biologen van de achttiende en negentiende eeuw. Hij bracht de eerste volwaardige evolutietheorie naar voren, in zijn boek Philosophie zoologique (1809). Zijn theorie is trouwens helemaal niet dwaas. Darwin schreef er eerder neerbuigend over, maar dat was omdat hij zijn eigen opvattingen niet wou associëren met iemand waarop zijn wetenschappelijke tijdgenoten grotendeels neerkeken. Lamarck behandelde ook botanische onderwerpen, de classificatie van ongewervelden en vissen, enzovoort. Het is pijnlijk om telkens opnieuw weer vast te stellen hoe men hem reduceert tot die ene gedachte, namelijk dat verworven eigenschappen erfelijk zijn. Niet alleen wijdt hij daar minder dan een pagina aan in zijn werk over evolutie, maar bovendien dacht iedereen er toentertijd zo over, teruggaande tot Aristoteles. Meer verrassend is wellicht dat ook Charles Darwin die zogenaamde Lamarckiaanse theorie aanvaardde. Het belang van Darwins theorie situeert zich bijgevolg niet daar. Het is pas na Darwin, dankzij het werk van August Weisman (1834-1914), dat het besef indaalde dat verworven eigenschappen niet door voortplanting worden doorgegeven. Erfelijkheid gaat via geslachtscellen, het kiemplasma zoals Weisman dat noemde. Hoe dit precies in zijn werk ging, kon hij niet weten. Een van de experimenten die Weisman deed, ging als volgt. Hij knipte de staart af van tientallen tot honderden muizen, tot twintig generaties na elkaar. De nakomelingen hadden telkens weer staarten. Hij kon zich de moeite besparen – en de muizen de pijn – door de simpele vaststelling dat de besnijdenis van een ontelbaar aantal jongens over vele generaties heen, nog steeds geen mannelijke baby's zonder voorhuid oplevert.
Een ander interessant voorbeeld is het vitalisme, de deels wetenschappelijke, deels metafysische theorie dat er een bijzondere kracht actief is die het biologische onderscheidt van het louter fysische en chemische. Die force vitale, zoals de helaas reeds lang vergeten Franse arts Xavier Bichat (1771-1802) ze noemde, zorgt voor het leven in organismen, met alles erop en eraan, zoals het behoud van orde en structuur, voortplanting en autonoom gedrag. Als de levenskracht stopt of als het ware het organisme in de steek laat, dan treedt de dood in. In thermodynamische termen: de verzameling atomen waaruit het organisme bestond, vallen uit elkaar en komen opnieuw in evenwicht met de omgeving. Uiteindelijk verliest elk organisme de strijd tegen de tweede wet van de thermodynamica. Wij vormen daar geen uitzondering op.
Het vitalisme kende een zekere mate van populariteit tot in de twintigste eeuw. Zo had de Duitse bioloog Hans Driesch (1867-1941) het over entelechie, een immateriële, organiserende kracht die structuur aan het leven geeft. Men noemde de visie van Driesch, niet ten onrechte, een vorm van neovitalisme. Ondertussen weten we dat een force vitale of een entelechie overbodige veronderstellingen zijn om biologische vraagstukken te beantwoorden. Net zoals men naar Lamarck verwijst als de verliezer van het – grotendeels gefabuleerde – debat met Darwin, zo valt de term vitalisme om te illustreren hoe fout sommige wetenschappers waren, tot inzicht in DNA, RNA en de genetische code de geesten verlichtte. Onbegrijpelijk is dit niet, maar het is evenzeer misleidend, of in elk geval ongenuanceerd. Toen Xavier Bichat veronderstelde dat er een force vitale bestaat, had hij de zwaartekracht voor ogen, zoals beschreven door Isaac Newton. Die kracht zorgt ervoor dat planeten rond de zon draaien en appelen naar de aarde toe vallen. Newton beschreef hoe de kracht werkt tussen twee massa's onderling: evenredig met hun product, omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand ertussen. Het was een buitengewone prestatie, zonder meer een mijlpaal in de geschiedenis van de wetenschap. Maar kon Newton uitleggen wat de zwaartekracht precies is? Dat kon hij niet en dat besefte hij ook, zie zijn beroemde uitspraak 'hypothesis non fingo'. Hij observeerde en beschreef de kracht en kon er berekeningen door uitvoeren. Maar wat die kracht, die onmiskenbaar bestaat, precies is en hoe ze op afstand kan werken, daarover kon ook hij enkel maar speculeren – wat hij liever niet deed. Welnu, zo redeneerden Bichat en andere vitalisten, moeten we niet precies zoals Newton te werk gaan wat de levende natuur betreft? De verschillen tussen levende organismen en niet-levende objecten zijn doorgaans duidelijk. Als je een dode vogel in de lucht gooit, valt hij domweg terug naar beneden. Een levende vogel daarentegen vliegt vrolijk weg. Als er zoiets bestaat als de zwaartekracht, waarom zou er dan ook geen levenskracht kunnen zijn? We kunnen ze observeren en beschrijven, en wie weet de werking ervan in een natuurwet weergeven, net zoals Newton deed met de aantrekking tussen voorwerpen. Immanuel Kant zei dat er nooit een 'Newton van de biologie' zou zijn. Het is ironisch dat de vitalisten, die tegenwoordig een slechte naam hebben, zich daar niet wilden bij neerleggen.
Je begrijpt me uiteraard niet verkeerd, Hans. Ik wil niet zeggen dat Xavier Bichat, Jean-Baptiste de Lamarck of Hans Driesch gelijk hadden. Maar ze hadden veel minder ongelijk dan we tegenwoordig denken. En zeer vermoedelijk zullen ook diegenen aan wie we nu de waarheid toedichten, in de toekomst minder gelijk hebben. Natuurlijk weet ik dat niet zeker. Maar het lijkt me een goed uitgangspunt om over wetenschappelijke kennis na te denken. Ik ben benieuwd hoe jij hier tegenover staat.
Hartelijk groet
Johan
15 april 2026