3 juni 2026
Aanzetten tot haat schrappen? De geschiedenis heeft ons al verteld waar dat eindigt
Naar aanleiding van de veroordeling van Dries Van Langenhove voor haatspraak klinkt de roep om de antiracismewet te herzien luid. Kamervoorzitter Peter De Roover en andere politici pleiten ervoor om ‘aanzetten tot haat’ uit het strafrecht te halen of suggereren dat het aan herziening toe is. De kern van hun argument: het begrip ‘aanzetten tot haat’ zou te vaag en te ruim interpreteerbaar zijn, en daardoor op gespannen voet staan met de vrije meningsuiting.
Net die redenering is voor iedereen erg gevaarlijk, en ik wil uitleggen waarom.
_Woorden en taal als voorbode
Zoek het niet te ver. Kijk naar de Jodenvervolging in Europa. Die begon niet met treinen en kampen. Ze begon met woorden, karikaturen, met de systematische voorstelling van een hele bevolkingsgroep als bedreiging. Ontmenselijking via taal ging vooraf aan de daad. Meer zelfs, het maakte de daad mogelijk en in de ogen van velen aanvaardbaar. Wie naar (vergelijkbare) conflicten elders in de wereld kijkt, ziet steeds opnieuw dit patroon: eerst wordt een groep met taal en framing afgeschilderd als minder dan menselijk, dan volgt het geweld.
Dit is geen juridisch betoog. Ik ben geen jurist en de precieze afbakening van wetsartikelen laat ik graag aan de experts. Mijn punt is eenvoudiger, en zou, gezien de actualiteit en onze geschiedenis, voor ons allen heel dichtbij moeten aanvoelen: het bewust en publiek aanzetten tot haat tegen een groep mensen blijft zelden bij woorden alleen. Het is de eerste stap, nooit het eindpunt.
Dat is precies waarom ons land elk jaar investeert in herinneringseducatie. We brengen scholieren naar Breendonk en Auschwitz. De Canon van Vlaanderen, uitdrukkelijk ook bedoeld als beleidsinstrument, besteedt er uitgebreid aandacht aan, net als instellingen zoals Kazerne Dossin en het Hannah Arendt Instituut. Opdat we niet vergeten en de mechanismen ervan doorgronden. Het zou incoherent zijn om met de ene hand miljoenen te investeren in het sensibiliseren van ‘wat er gebeurd is’ en ‘hoe het zover kon komen’, en met de andere hand de wettelijke drempel weg te halen die precies dát mechanisme – het bewust aanzetten tot haat – een halt probeert toe te roepen.
_Vrije meningsuiting én bescherming tegen haat
Het recht op vrije meningsuiting is een hoeksteen van onze democratie en moet te allen tijde beschermd worden. Daarover bestaat geen discussie. Maar vrije meningsuiting en de strijd tegen het actief verspreiden van haat zijn geen tegenstanders. Het zijn twee waarden die samen overeind moeten blijven. Het ene beschermen door het andere te slopen, is geen evenwicht, het is een keuze met voorzienbare slachtoffers en een gekend patroon van geweld.
Maar laten we niet doen alsof de schade pas begint bij fysiek geweld. Aanzetten tot haat richt nú al schade aan: het zaait angst, het duwt hele groepen uit het publieke debat en het normaliseert vijandigheid tot ze vanzelfsprekend lijkt: een vrouw die online wordt bestookt en haar account sluit, een politicus in spe die haar campagne moet stopzetten voor de eigen veiligheid, een gezin dat een buurt mijdt, een jongere die niet meer durft te zeggen waar hij vandaan komt of durft te gaan solliciteren. Dit is geen toekomstscenario, dit gebeurt nu al en is de directe impact. Het is net de taak van de overheid om burgers daartegen te beschermen en niet die bescherming weg te nemen.
En laten we duidelijk zijn over wie die slachtoffers zijn. Want het gaat dan al lang niet meer alleen over personen met een migratieachtergrond. Wie de strafbaarstelling van aanzetten tot haat afschaft, opent de deur voor haatcampagnes tegen iederéén (los van herkomst): tegen vrouwen, tegen holebi’s en transgenderpersonen, tegen mensen op grond van geloof of handicap en ja, ook tegen politici die op dat moment in de vuurlinie liggen. De bescherming die men door dergelijke voorstellen wil verzwakken, beschermt net ook de mensen die ze willen verzwakken.
_We hebben deze oefening al gemaakt
Eigenlijk is dit geen echt debat, maar veeleer de nieuwe waan van de dag. En wat daarin tot nu toe opvallend ontbreekt, is het gegeven dat de antidiscriminatiewetgeving enkele jaren geleden al grondig is geëvalueerd. In 2022 leverde de door de regering aangestelde Commissie voor de evaluatie van de federale antidiscriminatiewetten haar eindrapport af met maar liefst 73 aanbevelingen. De rode draad daarin was niet afbouwen, maar versterken: betere gegevensverzameling over haatberichten en haatmisdrijven, een preventief beleid tegen stereotypen en vooroordelen, en het samenbrengen en harmoniseren van de drie wetten in één toegankelijke tekst zodat slachtoffers makkelijker hun recht kunnen halen. En de wetgever heeft die richting ook effectief ingeslagen: op basis van die aanbevelingen werd de antidiscriminatiewetgeving in 2023 gedeeltelijk uitgebreid en versterkt.
Met andere woorden: de experts die deze materie gedurende een lang en intensief proces ten gronde bestudeerden, concludeerden dat de bescherming beter en coherenter moet, niet ‘dunner’ of afgezwakt. Dreigen we nu, voor de zoveelste keer, in een periode waar we zogenaamd met z'n allen moeten besparen, wederom belastinggeld te besteden aan een wetgevend proces dat lijnrecht ingaat tegen wat eerder evaluatiewerk nog maar vier jaar geleden heeft opgeleverd?
_Het juiste debat, op de juiste plaats
Natuurlijk mag en moet wetgeving altijd kritisch tegen het licht gehouden worden. Maar de vraag zou moeten zijn: hoe versterken we de bescherming tegen haat zonder de vrije meningsuiting te ondergraven? Dat is een wezenlijk andere vraag dan ‘hoe halen we aanzetten tot haat uit het strafrecht?’ De eerste vraag verdient een zorgvuldig antwoord van juridische experts, mensenrechtenspecialisten en het maatschappelijk middenveld. De tweede dreigt het antwoord te worden op een politiek programma, ingegeven door één ‘ophefmakende’ veroordeling.
Een rechtsstaat herkent men aan de manier waarop hij zijn burgers beschermt, ook tegen woorden die bedoeld zijn om hen tot doelwit te maken. Laten we die bescherming versterken, niet afbreken. De geschiedenis heeft ons al verteld waar dat pad eindigen zal.
(Tekst oorspronkelijk gepubliceerd op demorgen.be, 1 juni 2026. Overgenomen met toestemming van de auteur.)